Header achtergrond
Header achtergrond

Hoge Raad opent deur voor vrijstelling van box 3 heffing, maak bezwaar!

10-07-2019

De Hoge Raad heeft op 14 juni 2019 beslist dat een belastingplichtige, die een buitensporig zware last ondervindt van box 3 (vermogensrendements) heffingen op spaargeld en beleggingen, met succes een beroep kan doen op de verdragsbescherming in het EVRM van eigendom. Dit kan betekenen dat de aanslag met box 3 heffing wordt vernietigd. Er moet wel worden aangetoond dat de belasting een "buitensporig zware last" is voor een belastingplichtige. Dat zal niet zo snel aan de orde zijn, niettemin gaat deze beoordeling verder dan alleen het in aanmerking nemen van de jaarlijkse inkomsten uit box 2 en box 1. Naar onze visie zouden diegenen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van opgespaard vermogen bij uitholling van het vermogen door belastingheffing wel eens een buitensporige last kunnen ondervinden. Daarbij speelt een rol dat box 3 niet een vermogensbelasting is, maar een vermogensrendementsheffing. Het loont de moeite om die discussie met de fiscus nog maar eens aan te gaan, dat kan in de vorm van bezwaar tegen de aanslag IB, ook al zou die volgens de eigen aangifte worden of zijn opgelegd. Ook diegene die in het collectief bezwaar zijn opgenomen moeten opletten, daar blijft ruimte voor een individuele beoordeling, vul indien nodig het bezwaar IB 2013 en 2014 aan op dit punt.

Wet an sich kan niet worden getoetst door de Hoge Raad

Hoewel de Hoge Raad (HR) de box 3 bepalingen in de wet IB om formele redenen niet terzijde kan stellen (de HR kan de wetgever niet corrigeren) en dus de procedures door de appellanten zijn verloren, is de boodschap van de HR onmiskenbaar. De toepassing van de wet op de belastingplichtige kan desgevraagd wel worden getoetst door de rechter.

Rendement spaarrekening kan uitgangspunt zijn

Van een belastingplichtige kan niet worden verlangd, dat hij risicovol belegt in aandelen e.d. op straffe van uitholling van zijn vermogen door de fiscus. Met andere woorden het argument van de minister dat iedereen gemakkelijk 4% rendement kan halen, mits je maar zo slim was en bent om met meer risico te lopen door in aandelen en dergelijke te beleggen, vindt geen steun bij de Hoge Raad. Spaargeld kan best de benchmark zijn en is wel degelijk het uitgangspunt bij de bepaling of de vastgestelde rendementen haalbaar zijn. Dat blijkt in 2013 en 2014 niet het geval geweest te zijn, aldus de HR.

Veeg uit de pan

Het oordeel van de HR is een veeg uit de pan voor de Tweede Kamer, Regering en vooral het Ministerie van Financiën. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad ondanks het afwijzen van het beroep toch zijn overwegingen kenbaar maakt. Dat is uitzonderlijk want in de meeste gevallen worden cassatieberoepen vrijwel ongemotiveerd afgewezen. Het oordeel van de Hoge Raad geeft aan dat de overheid de burgerrechten inzake bescherming van eigendom bij belasting heffen serieus moet gaan nemen. Belasting heffen op basis van ficties heeft zijn grenzen, als het op onteigening gaat lijken, is dat een brug te ver. Bij nader bestuderen van het arrest blijkt dat de Hoge Raad aldus de Belastingdienst een huiswerkopdracht meegeeft, die een fikse werklast voor de fiscus kan gaan opleveren.

Pyrrusoverwinning fiscus

De Hoge Raad zet dus, hoewel de procedures door de belastingplichtigen zijn verloren, in zijn motivering de deur wijd open voor iedere belastingplichtige om met kans op succes bezwaar te maken en zijn individuele positie ter beoordeling voor te leggen. Dat geldt dus ook voor de bezwaren, die nu lopen over 2013 en 2014, deze arresten (er waren zes proefprocedures in het kader van massaal bezwaar) betekenen dus niet "einde verhaal", ga dus niet akkoord met een afwijzing van de inspecteur op basis van deze arresten. De al gemaakte bezwaren zullen wel moeten worden aangevuld en ook nieuwe bezwaren zullen inhoudelijk goed gemotiveerd moeten zijn. Dat moet op basis van feiten en omstandigheden, die een belastingplichtige zelve aangaan. Het gaat er dus om dat ieder voor zich in zijn geval aantoont dat sprake is van een buitensporig zware last. De vraag is wat onder een "buitensporig zware last" moet worden verstaan, hoe dan ook is dat voor iedereen verschillend. Je zou denken dat dit bij vermogende, dus "rijke" mensen niet zo snel aan de orde is. De Hoge Raad lijkt aan de hand van de inkomsten uit andere bronnen in een bepaald jaar te willen beoordelen.

Niettemin gaat het mogelijk toch verder dan de jaarlijkse inkomsten. Houd in de gaten dat box 3 geen vermogensbelasting is, maar een rendementsheffing, we belasten dus niet de bron van inkomen maar genormeerd rendement op vermogen. Waar in de Wet IB 1964 alleen inkomen uit vermogen werd belast wordt nu, wet IB 2001, vermogensrendement belast, dus inkomen en waardevermeerdering tezamen. Die tezamen worden op 4% van de waarde van het vermogen op 1 januari van het jaar bepaald.

Vermogen met een doel, buitensporige last

Als sprake is van vermogen met een doel, bijvoorbeeld pensioen of lijfrenteuitkeringen of om in levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld na het toegebracht zijn van letsel, dan zou de instandhouding van dit vermogen mede worden bepaald door sterftekansen, (reken)rente en eventuele kostenopslagen om van indexeringen nog maar te zwijgen. Er gloort dan een bekende discussie, …, juist ja ..., de discussie over werknemerspensioenen.

Vermogensrendement
Als rendement zou bestaan uit rente en vermogenswinst, dan is de vraag wat er moet gebeuren bij negatief rendement. Zou niet sprake kunnen zijn van een "buitensporig zware last" als het vermogen niet (meer) voldoende is, om het doel te kunnen vervullen waarvoor het vermogen in stand gehouden moet worden.

Stel nu, dat iemand die geen of onvoldoende pensioen heeft en na zijn werkzaam leven zal moeten leven van zijn vermogen en pakweg 48 jaar is, en hij heeft € 500.000 gespaard o.i.d. Wat zou daar dan van over zijn als hij op 68-jarige leeftijd AOW krijgt. Alsdan zou de combinatie geen rente, inflatie en 1,34 % - 1,68% bij vermogens boven pakweg € 160.000 tot een uitholling leiden van ca 1% per jaar. Bij een vermogen van € 500.000 bedraagt de uitholling € 140.000 door het inmiddels progressieve tarief in box 3, dit alles bij ca 2% inflatie per jaar gedurende de 20 jaar.

Om deze uitholling op te vangen moet dus 1% van € 500.000 dus € 5.000 extra worden gespaard van het netto-inkomen om de vermogensachteruitgang te stoppen. Let wel, voor die € 5.000 extra sparen moet eerst bruto-inkomen worden verdiend en voorts wordt de besparing ook nog weer extra belast in box 3. Dit alles zou bij een vermogen op 48-jarige leeftijd een cumulatieve "rekenrente" opleveren van 3,34% - 3,68% per jaar en wel het eerste jaar bij € 500.000 ca 3,5% ofwel € 17.500 van het netto- inkomen.

Dit is maar een ruw rekenvoorbeeld, er zijn complexere denkbaar. Niettemin is duidelijk dat sparen met als doel het vormen of in standhouden van vermogen als appel voor de dorst erg duur is geworden. Het was al duidelijk dat het kapitaaldekking-stelsel van onze werknemerspensioenen achterhaald is, en daar is bovendien nog sprake van uitgestelde belastingheffing. Niet het vermogen (aanspraak) wordt belast, maar de uitkering en voorts is er beperkte heffing van VpB op de rendementen. In vergelijking tot particulier box 3-vermogen rendeert pensioenkapitaal nagenoeg bruto, terwijl bij particulier vermogen de rendementsgrondslag jaarlijks vermindert.

Hoge Raad … buitensporige last kan betekenen dat box 3 heffing moet worden verminderd

Als inflatie en box 3 vermogen uithollen, zoals nu al jaren het geval is, dan zou de instandhouding van vermogen met 0% rente na cumulatieve jaarlijkse belastingheffing en inflatie mede de benchmark moeten kunnen zijn voor "buitensporige last".

Als de Hoge Raad dan ook nog zou meegaan met de afweging dat vermogensopbouw met een vergelijkbare systematiek als bij opbouw van pensioen en lijfrente, noodzakelijk is voor diegenen die niet via arbeid in dienstbetrekking via de werkgever pensioen kunnen opbouwen, dan zijn de rapen voor het Ministerie van Financiën gaar. Het gevaar voor de schatkist dreigt dat de pensioendiscussie en uitstel van AOW en lage bejaardentarieven in de IB, via de toets "buitensporig zware last" ertoe kunnen leiden dat vermogen met als doel "levensonderhoud" voor de oude dag pas kan worden belast als er een normaal noodzakelijk rendement is gehaald met inachtneming van sterftekansen, positie partner en rekenrente. Kortom het vermogen wordt dan tegenover behoefte (te vergelijken met de verplichting van een pensioenuitvoerder of lijfrenteverzekeraar) geplaatst.

Daarmee zou het Ministerie van Financiën het eigen argument dat verlaging van AOW en uitstel van het bejaardentarief in de IB noodzakelijk is om de vergrijzing betaalbaar te houden als een boomerang terug zien komen.

* Overigens kennen we nu al voor bepaalde vermogensbestanddelen lagere rendementsgrondslagen. Zo wordt voor regulier verpachte landbouwgrond slechts 50% (recent verhoogd naar 60%) van de waarde in onverpachte staat aangehouden als grondslag, dit omdat bij verpachting sprake is van onder rendement doordat maximale pacht op basis van normen met een wettelijke grondslag is vastgesteld. Deze regeling is in feite in strijd met doel en strekking van de wet IB 2001, omdat niet alleen naar de inkomsten moet worden gekeken maar ook naar de waardestijging van de (verpachte) grond. Anders dan bij vermogen dat liquide wordt gehouden is landbouwgrond sterk in waarde gestegen sinds 2001.

Teleurstelling niet terecht

In de media en vooral de kranten overheerst de teleurstelling over de uitkomst van de arresten van de Hoge Raad, dat lijkt mij niet terecht. Voor de creatieve fiscalist valt er bij de aangifte IB heel wat te winnen als het vinkje wordt aangekruist dat over box 3 een expliciet standpunt wordt gevraagd en/of er bezwaar wordt gemaakt en wordt gesteld dat de vermogensuitholling te veel lasten met zich meebrengt. Als de inspecteur negatief oordeelt of zich al te makkelijk vanaf maakt, dan zijn er kansen bij de rechter. Goed motiveren en goed duidelijk maken dat het in dit geval toch "echt" een buitensporige zware last oplevert, is nodig, weliswaar niet makkelijk, maar geenszins een kansloze exercitie. Kortom, wij verwachten veel discussie met de inspecteurs over box 3, dat worden dus flinke vertragingen voor de fiscus bij de aanslagregeling, die zal daar niet blij mee zijn.

Tot slot

Enig leedvermaak ten opzichte van het Ministerie van Financiën is niet te onderdrukken, boontje komt om zijn loontje. Slechte onrechtvaardige wetgeving leidt tot weerstand. Dit is het enige verzet dat ouderen, zelfstandigen en diegenen die moeten leven van vermogen kunnen bieden tegen te hoge belastingdruk. De tariefverandering, die onlangs door verandering in de wet IB tot stand is gebracht, was halfhartig en is onvoldoende. Ik heb geen medelijden met de forse werklast die voor de fiscus ontstaat, het Ministerie van Financiën had al lang met iets anders moeten komen.
"Frappez … frappez" lijkt de enige mogelijkheid te zijn om Den Haag tot verandering van inzicht te brengen. Het is jammer dat het niet anders blijkt te kunnen, deze Hoge Raad uitspraken helpen niettemin.~~

Laatste nieuws

  • Arrest Hoge Raad inzake niet-bezwaarmakers box 3 2017-2020 niet het einde van de zaak…? Door Wijnkamp Keulers op 26-06-2026

    Fiscale route afgesloten, civiele route mogelijk geopend
    Door het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2026 is het fiscale traject voor niet-bezwaarmakers in box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 in beginsel afgesloten. De Hoge Raad oordeelt dat zij geen recht hebben op ambtshalve vermindering van hun aanslagen, ook niet als achteraf blijkt dat zij meer belasting hebben betaald dan paste bij hun werkelijke rendement. Daarmee is de zaak echter niet zonder meer ten einde. Juist doordat nu duidelijk is dat het bestuurlijke en fiscale traject geen soelaas biedt, kan worden onderzocht of de Staat civielrechtelijk kan worden aangesproken wegens ongerechtvaardigde verrijking. Ook het verjaringsverweer is niet zonder meer beslissend: verdedigbaar is dat de civiele claim pas nu werkelijk actueel is geworden, omdat pas met deze uitspraak vaststaat dat de fiscale route is afgesloten.

    Belasting over fictief rendement
    Waar gaat dit over? In box 3 werd jarenlang belasting geheven over een fictief rendement. De Belastingdienst keek dus niet naar wat iemand echt had verdiend met spaargeld of beleggingen, maar rekende met een door de wet vastgesteld rendement. In het Kerst-arrest van 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat dit stelsel in strijd kan zijn met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod als iemand in werkelijkheid minder rendement had behaald dan het forfaitaire rendement waarover belasting was geheven.

    Wie bezwaar maakte, kreeg rechtsherstel
    Voor mensen, die op tijd bezwaar hadden gemaakt, leidde dat tot rechtsherstel. Hun aanslag kon worden verminderd tot een heffing over het werkelijke rendement. Maar voor mensen, die geen bezwaar hadden gemaakt, ligt dat anders. De Hoge Raad oordeelde op 25 juni 2026 dat hun aanslagen definitief vaststonden. Volgens de Hoge Raad hadden zij bezwaar moeten maken als zij hun rechten wilden behouden. In overweging 4.1.4 ligt, kort gezegd, besloten dat niet-bezwaarmakers niet gelijk zijn aan bezwaarmakers, juist omdat de laatsten tijdig een procedurele stap hebben gezet.

    De pijnlijke rechtsvraag
    Dat oordeel is juridisch belangrijk, maar roept ook een principiële vraag op. Want stel dat iemand in 2017 tot en met 2020 aantoonbaar minder rendement heeft behaald dan het forfait. Dan heeft de Staat dus belasting ontvangen over inkomen dat er in werkelijkheid niet was. Bij een bezwaarmaker wordt dat hersteld. Bij een niet-bezwaarmaker houdt de Staat dat geld. De vraag is dan: is dat nog rechtmatig?

    Rechtszekerheid of bescherming van de Staat?
    De Hoge Raad beantwoordt die vraag binnen het fiscale systeem. Dat systeem kent termijnen. Wie niet op tijd bezwaar maakt, loopt het risico dat een aanslag definitief wordt. De Hoge Raad hecht daarbij aan rechtszekerheid en praktische uitvoerbaarheid. De Belastingdienst moet niet eindeloos oude aanslagen hoeven te heropenen.
    Maar daarmee is de civiele vraag nog niet volledig beantwoord. In het burgerlijk recht bestaat namelijk het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking. Dat houdt eenvoudig gezegd in: wie ten koste van een ander rijker is geworden zonder goede rechtvaardiging, moet dat voordeel onder omstandigheden teruggeven. De Staat is hier rijker geworden doordat hij belasting heeft behouden die, gemeten naar het werkelijke rendement, te hoog was. De burger is armer geworden met hetzelfde bedrag. De kernvraag voor de civiele rechter wordt dan: vormt de definitieve aanslag voldoende rechtvaardiging voor dat voordeel, of wordt het beroep daarop in deze bijzondere situatie onaanvaardbaar?

    Massaal bezwaar: burgers mochten afwachten
    Daarbij speelt de massaal bezwaar context een rol. Veel burgers hebben niet zelf geprocedeerd omdat zij zagen dat de box 3-kwestie massaal speelde. Bovendien is door de Belastingdienst gecommuniceerd dat niet-bezwaarmakers zouden meedoen aan de massaal bezwaarplus-procedure en dat zij geen bezwaar of verzoek hoefden in te dienen. Voor een gewone burger kan dat de indruk hebben gewekt dat hij rustig de uitkomst kon afwachten, ook toen in 2016 de wet werd gewijzigd. Dat had tot gevolg dat ook bij massaal bezwaar altijd individueel bezwaar moest worden gemaakt om rechten te behouden. Voor een groot deel van de burgers is onvoldoende duidelijk geweest, dat zij voortaan bezwaar moesten maken ter behoud van rechten. De Staat heeft om voor de hand liggende redenen de verslechterde rechtspositie gebagatelliseerd, bij de parlementaire behandeling is zelfs aan de orde geweest dat er niets ten nadele voor de burger veranderde. Belastingdienst heeft nauwelijks voorgelicht dat niet bezwaar maken echt nadelig was, uiteraard met vooropgesteld motief dat geen slapende burgers wakker gemaakt moesten worden. Tegen deze achtergrond wringt het als de Staat later stelt dat burgers toch zelf bezwaar hadden moeten maken en de Hoge Raad daarin nog meegaat ook.

    Civiele procedure is niet zo simpel *
    Een civiele procedure zal niet eenvoudig zijn. De Staat zal zich beroepen op de zogeheten formele rechtskracht van de aanslagen: de aanslagen staan vast en moeten daarom als geldig worden behandeld. Ook zal de Staat stellen dat de Hoge Raad de kwestie al heeft beslist. Daartegenover staat het argument dat de civiele rechter niet wordt gevraagd de aanslag te verminderen, maar om te beoordelen of de Staat het te veel ontvangen bedrag mag behouden.

    *Verjaring: discussiepunt, geen gelopen race
    Ook verjaring zal een discussiepunt zijn. De Staat kan aanvoeren dat burgers al sinds het Kerst-arrest van 2021 wisten dat er mogelijk te veel box 3 was betaald. Daartegenover staat dat de overheid zelf een massaal bezwaarplus procedure heeft ingericht en burgers heeft laten weten dat zij daarop konden wachten. Pas op 25 juni 2026 is definitief duidelijk geworden dat de fiscale route voor niet-bezwaarmakers geen teruggaaf oplevert. Daarom is verdedigbaar dat een civiele vordering nu pas werkelijk opeisbaar of althans redelijkerwijs aan de orde is.

    Proefprocedure
    Het arrest van de Hoge Raad is een harde klap voor niet-bezwaarmakers, maar niet noodzakelijk het laatste woord. Voor een proefprocedure bij de civiele rechter is vooral van belang dat de eiser kan aantonen dat zijn werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement. De sterkste zaak is die van een gewone spaarder met duidelijke bankgegevens en weinig ingewikkelde beleggingen.

    Niet het einde van de zaak
    De kern van de zaak blijft eenvoudig: mag de Staat belasting houden waarvan achteraf vaststaat dat die bij tijdig bezwaar niet verschuldigd zou zijn geweest? De Hoge Raad heeft binnen het fiscale spoor "ja" gezegd. De civiele rechter kan worden gevraagd of dat ook naar burgerlijk recht en naar het eigendomsrecht aanvaardbaar is. De onderliggende rechtsvraag is of en in hoeverre het EVRM het met terugwerkende kracht via het fiscale- bestuursrechtelijke frame toelaat tegenover de bescherming van eigendom. Ook de Grondwet gaat een rol spelen, met name de artikelen 104, 93 en 94. Het arrest van 25 juni 2026 hoeft niet het einde van de zaak te zijn, dat neemt niet weg dat het droevig is dat belastingplichtigen, die ten onrechte hebben betaald, massaal door moeten gaan met procederen. Het maakt de acceptatie van burgers van welke vermogensbelasting dan ook steeds minder kansrijk.

    Lees verder
  • Kennisgroepstandpunt van Belastingdienst inzake vervroegd aflossen door langstlevende ouder kan een schenking inhouden... betwistbaar Door Wijnkamp Keulers op 25-06-2026

    Bij de wettelijke verdeling krijgt de langstlevende ouder alle goederen van de nalatenschap. De kinderen krijgen daarvoor een geldvordering op de langstlevende ouder. Die vordering is meestal pas opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende ouder. De wet bepaalt echter ook dat de langstlevende ouder deze schuld eerder mag aflossen.

    De Kennisgroep Successiewet van de Belastingdienst heeft recent het standpunt ingenomen dat vervroegde aflossing van zo’n overbedelingsschuld in bepaalde gevallen een schenking kan opleveren. Volgens de kennisgroep moet worden gekeken naar de contante waarde van de schuld. Betaalt de langstlevende ouder méér dan die contante waarde, dan kan volgens de Belastingdienst sprake zijn van een schenking aan het kind.

    Waarom denkt de Belastingdienst aan een schenking?
    De redenering is economisch. Een schuld, die pas later hoeft te worden betaald, is vandaag minder waard dan hetzelfde bedrag, dat direct opeisbaar is. Als de langstlevende ouder toch het volle bedrag betaalt, geeft hij volgens de kennisgroep een financieringsvoordeel prijs. Daardoor zou de ouder verarmen en het kind worden verrijkt.

    Vooral bij renteloze of laag rentedragende vorderingen kan deze redenering voor de Belastingdienst aantrekkelijk zijn. De ouder hoeft dan immers gedurende zijn leven geen of weinig rente te betalen. Door eerder af te lossen, raakt hij dat voordeel kwijt.

    Waarom is dat juridisch betwistbaar?
    Een schenking is niet alleen een economisch voordeel. Voor een gift is vereist, dat iemand een ander ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt. Bovendien moet sprake zijn van bevoordelingsbedoeling. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk beslist dat de wil tot bevoordelen een zelfstandig vereiste is en niet zomaar mag worden afgeleid uit het enkele feit dat iemand zich bewust is van een voordeel.

    Daar wringt het kennisgroepstandpunt. De langstlevende ouder betaalt namelijk een bestaande civielrechtelijke schuld. Het kind had al een vordering. Door betaling verandert die vordering in geld. Dat is niet vanzelfsprekend een gift, maar kan ook gewoon nakoming van een schuld zijn.

    Aflossen kan heel normaal zijn
    Zeker als de schuld een samengestelde rente van 6% draagt, is vervroegde aflossing goed te begrijpen. Een schuld met 6% rente-op-rente groeit snel. De langstlevende ouder kan dus een zuiver eigen belang hebben om daarvan af te willen. Hij wil dan niet schenken, maar voorkomen dat de schuld verder oploopt.
    Dat argument is extra sterk omdat de Successiewet zelf een bijzondere regeling kent voor bovenmatige rente. Voor zover de rente op een overbedelingsschuld méér bedraagt dan 6% samengesteld, kan dat meerdere fiscaal worden getroffen. Daaruit kan worden afgeleid dat 6% samengesteld in deze context juist als aanvaardbare grens fungeert.

    De jurisprudentie geeft beide partijen munitie
    De Belastingdienst kan wijzen op rechtspraak, waarin niet-opeisbare overbedelingsvorderingen contant worden gewaardeerd. De Hoge Raad heeft in het arrest van 11 juli 1989, BNB 1989/260 aanvaard dat bij uitgestelde opeisbaarheid en rente pas bij overlijden een vruchtgebruik-/waarderingsbenadering relevant kan zijn.
    Maar dat is nog niet hetzelfde als zeggen dat iedere betaling boven contante waarde automatisch een schenking is. Daarvoor blijft nodig dat sprake is van bevoordelingswil. Dat volgt juist uit HR 12 juli 2002. Ook HR 5 april 2024 laat zien dat aflossing van een lening of schuldverhouding niet naar haar aard een gift van de hoofdsom vormt; hoogstens kan onder omstandigheden een rentevoordeel afzonderlijk als gift worden beoordeeld.

    Conclusie
    Het kennisgroepstandpunt is praktisch belangrijk, maar juridisch niet onomstreden. Bij renteloze of laag rentedragende overbedelingsschulden zal de Belastingdienst vermoedelijk kritisch kijken naar vervroegde aflossing tegen nominale waarde. De waarderingsjurisprudentie geeft daarvoor enige steun.
    Toch blijft een stevig tegenargument mogelijk. De ouder betaalt een bestaande schuld en maakt gebruik van een wettelijke aflossingsmogelijkheid. Zonder afzonderlijke bevoordelingsbedoeling is dat niet zonder meer een schenking. Bij een overbedelingsschuld met 6% samengestelde rente is het standpunt van de belastingplichtige het sterkst: vervroegde aflossing is dan goed verdedigbaar als normale schuldaflossing ter voorkoming van verdere rente-op-rente, niet als vrijgevigheid.

    Lees verder
  • Ingrepen in de AOW raken vooral leeftijdsgroep 67 jaar en jonger, strijd met EVRM? Door Wijnkamp Keulers op 16-01-2026

    De AOW is het fundament onder het Nederlandse pensioenstelsel: breed gedragen, verplicht gefinancierde basis (eerste pijler) voor een sociaal minimum. Juist daarom wringt het als aan dat fundament wordt gesleuteld, want de tweede en derde pijler zijn historisch op de AOW ingeregeld. De AOW-leeftijd is verhoogd en de financiering schuift steeds verder naar de algemene middelen.
    Nu circuleren plannen om AOW-gerechtigden (weer) AOW-premie te laten betalen. In veel gevallen betekent dat feitelijk 17,85% extra heffing in de eerste schijf inkomstenbelasting. In beleidsdiscussies wordt dit gekoppeld aan ca 6,9 mld extra belastingopbrengst, maar ook aan forse inkomenseffecten: tot grofweg 15% minder netto-inkomen voor een brede groep 67-plussers met een belastbaar inkomen tot circa € 38.000.
    Het frame luidt vaak: "rijke ouderen moeten solidair zijn met armere ouderen en jongeren, anders wordt de AOW onbetaalbaar". Daarbij verdwijnen twee kernpunten uit beeld: (i) velen hebben gedurende het werkzame leven al veel premie betaald (vaak totaal meer dan € 200.000) en (ii) de versobering is al ingezet via later AOW en later bejaardentarief, wat in de praktijk (vaak) meer dan € 40.000 nadeel kan opleveren.

    Wat is er al veranderd: latere AOW én later bejaardentarief
    Later AOW (67 en drie maanden in plaats van 65) betekent een langere overbrugging met loon, (tijdelijk) pensioen, eigen vermogen of een uitkering. Daar bovenop komt het tarief-effect: het bejaardentarief in de eerste schijf schuift circa 2,25 jaar op. Waar het tarief voor 65-plussers 17,85% was (tegenover 35,75% voor niet-AOW'ers), ontbreekt dat voordeel langer. Het gevolg is dubbelop: later AOW én later lagere belastingdruk, juist in een levensfase waarin bijsturen lastig is. Voor iemand die het schijf-1-inkomen "volmaakt" (tot circa € 38.000 belastbaar inkomen) kan zo van 65-67,25 jaar meer dan € 40.000 netto nadeel ontstaan.

    Waarom juist de groep werkenden uit de periode 1985-2027 disproportioneel wordt geraakt
    Met AOW-premie wordt geen kapitaal opgebouwd, maar worden uitkeringen gefinancierd. Dat omslagstelsel kan worden aangepast, maar extra lasten mogen niet onevenredig bij een afgebakende groep landen. De werkenden, die in de periode 1985-2027 grofweg 42 jaar premie (de "volle mep") hebben betaald en nu dicht tegen pensionering aan zitten, hebben nauwelijks ruimte om beleidsschokken nog op te vangen. Drie mechanismen versterken dat:
    1. AOW-franchise in de tweede pijler
    Door de franchise bouw je over een salarisdeel geen aanvullend pensioen (pijler 2) op, omdat AOW wordt verondersteld. Als AOW later ingaat of netto lager uitpakt, blijkt die franchise achteraf te hoog en is extra opbouw feitelijk onmogelijk.
    2. Versobering van de tweede pijler
    De stap van eindloon naar middelloon en naar premie-gedreven regelingen (na pensioenherziening) raakt vooral wie laat in de loopbaan zit: minder tijd om tekorten te repareren.
    3. Beperkingen in de derde pijler en druk op buffers
    Bijstorten in pijler 3 is op oudere leeftijd beperkt en duur; tegelijk is leven van vermogen (box 3) fiscaal lastiger geworden. Dat verkleint de buffer om AOW-schokken op te vangen.

    Financiële illustratie: stapeling van lasten
    • Premielast in het werkzame leven: vaak al meer dan € 200.000 AOW-premie betaald.
    • Nadeel door latere AOW en later bejaardentarief: bij circa € 38.000 belastbaar box 1-inkomen kan het netto nadeel meer dan € 40.000 bedragen door het circa 2,25 jaar later ingaan.
    • Voorgenomen extra last in schijf 1: 17,85% extra heffing met in het debat genoemde inkomenseffecten van grofweg 15% lager netto-inkomen (levenslang) voor de groep tot circa € 38.000.

    Juridische toets: Strijdig met art. 1 Eerste Protocol en art. 14 EVRM?
    Het EVRM beschermt geen recht op ongewijzigd blijven van het sociaalzekerheidsstelsel. Wel kan art. 1 Eerste Protocol relevant zijn bij inbreuk op (voldoende vaststaande) aanspraken: bestaat er een fair balance tussen algemeen belang (houdbaarheid overheidsfinanciën) en de individuele last? De beoordelingsmarge voor de Staat is ruim, maar niet onbeperkt; stapeling kan een buitensporige last voor een afgebakende groep opleveren.

    Art. 14 EVRM komt in beeld als de uitwerking vooral één leeftijdsgroep treft zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging. De kern bij de "lost generation" is het gebrek aan anticipatiemogelijkheden: franchise-architectuur, versobering van pijler 2 en 3 en een korte resterende opbouwtijd. Zonder reële compensatie of overgangsrecht kan proportionaliteit onder druk staan.

    Zelfs als de financieringsopgave reëel is, volgt daaruit niet automatisch dat een generieke heffing bij AOW’ers in de eerste schijf de juiste route is. Beleid dat grotendeels neerkomt op stapeling bij een cohort dat nauwelijks kan reageren, vraagt om een scherpere onderbouwing, heldere afbakening (wie draagt werkelijk bij?) en - waar nodig - overgangsrecht of compensatie. Anders wordt "solidariteit" ervaren als herverdeling zonder perspectief.

    Houdbaarheid, … geen vrijbrief voor stapeling zonder compensatie
    In 2025 waren de premie-inkomsten AOW € 30,3 mld en de AOW-uitgaven circa € 52,8 mld. Er moest dus ongeveer € 22 mld uit de algemene middelen worden bijgepast. In 2000 waren premie-inkomsten en uitgaven AOW in evenwicht op ca € 20 mld, belastingopbrengsten waren toen overigens ook veel lager, ca ƒ 207 mld (ca € 94 mld, gecorrigeerd met AOW-premie, dus ca € 104 mld. Het loopt dus wel fors op, niettemin, in 2025 bij een een totale belastingopbrengst van € 277 mld (totale inkomsten Rijksoverheid ca 425 mld) is € 22 mld (5%) best te dragen. Extra premieheffing moet 6,9 mld gaan opbrengen te halen bij ouderen die niet kunnen anticiperen en 15% netto in inkomen er op achteruit gaan. Er zal dus moeten worden gecompenseerd, dus wat lost het nu eigenlijk op?

    Het frame dat rijke ouderen zich sociaal moeten opstellen en daarom moeten "meebetalen" is ongenuanceerd, velen hebben al dik betaald en betalen ook nu via de tweede en derde schijf IB (pensioen, box 3 en hypotheekvrije woning) mee aan de algemene middelen. Als de AOW netto met 15% wordt verminderd, dan zal de AOW bruto met dit bedrag moeten worden verhoogd voor de box 1 eerste schijf inkomens. In feite kan binnen EVRM, belastingverhoging bij ouderen alleen plaatsvinden op tweede schijf IB, dus pijler 2 en 3 inkomen. Dat zal de bereidheid bij jongeren om mee te doen met collectieve regelingen voor werknemer pensioenen en lijfrenten producten niet bevorderen, want waarom sparen als je straks minder krijgt en meer betaalt.

    Lees verder
  • Pacht in beweging, box 3 onder spanning: wat betekent dit voor de particuliere verpachter van landbouwgrond? Door Wijnkamp Keulers op 24-12-2025

    De regelgeving rondom pacht staat op een kruispunt, niet alleen door voorgestelde nieuwe pachtwetgeving, ook de wet IB en vooral de nieuwe box 3 wetgeving geven zorgen over nettorendement. Lage rendementen door fiscale afroming betekent uiteindelijk ook meer lasten voor de pachter. Er ligt en consultatie-wetsvoorstel voor een ingrijpende herziening van titel 7.5 BW (pacht), met nieuwe pachtvormen en een andere balans tussen bescherming en contractsvrijheid. Daarnaast is box 3 de afgelopen jaren veranderd in een "tijdelijk" stelsel met hoge forfaits én sinds 2025/2026 een tegenbewijsroute, waarbij het werkelijk rendement (inclusief waardeveranderingen/"vermogensaanwas") bepalend kan worden als dat lager uitpakt dan de ca 6% forfaitaire rendementen. Van belang is vooral de waarde van de verpachte grond. Mag een DCF-waarde worden gehanteerd of moet de normwaarde in het economisch verkeer van de Belastingdienst worden gehanteerd? Bij de voorgestelde 24-jarige pacht speelt bovendien dat, net zoals bij erfpacht, de waarde voor de verpachter toeneemt naar mate de pachtermijn verloopt, een soort aangroei van de verpachte eigendom als het ware. Zowel het nieuwe pachtrecht als de wet IB inzake box 3 na 2028 zijn nog maar wetsvoorstellen. Niettemin is van 2024 tot 2026 een hogere forfaitaire belastingdruk door vermogensaanwasheffing al realiteit, alle reden is goed te kijken naar een andere waarde dan de normen van de belastingdienst. Belastingdienst

    Voor verpachters van landbouwgrond in box 3 is er een dubbele dynamiek: (i) de pachtvorm beïnvloedt de waarde "in verpachte staat" en (ii) box 3 belast (voorlopig) niet de feitelijke pachtopbrengst, maar een forfaitair rendement dat bij "overige bezittingen" structureel hoog is.

    Het probleem in één zin: lage pachtopbrengst, hoog forfait
    Landbouwgrond in box 3 valt doorgaans onder "beleggingen en andere bezittingen / overige bezittingen". De forfaitaire rendementspercentages voor deze categorie zijn hoog:
    • 2024: 6,04%
    • 2025: 5,88%
    • 2026: 6,00%
    Het box-3-tarief is 36% (o.a. 2026). Dat betekent grofweg een effectieve heffing van circa 2,16% van de box-3-grondslag (6,00% × 36%) per jaar in 2026. Bij € 1.000.000 box-3-waarde is dat ongeveer € 21.600 belasting, nog los van heffingsvrij vermogen en de totale vermogensmix.

    Voor veel reguliere pachtsituaties ligt het netto "cashrendement" (pacht minus lasten) daar duidelijk onder. Vandaar de box-3-frustratie, die in vakliteratuur de afgelopen tijd breed wordt gesignaleerd, óók specifiek voor landbouwgrond.

    Waardering van verpachte gronden: normering als hulpmiddel, feiten blijven leidend
    De Belastingdienst publiceert jaarlijks een handleiding "Waardering van verpachte gronden in box 3" met normen en uitgangspunten (o.a. voor grasland/akkerland) en tabellen om praktisch te rekenen. Belangrijk is de nuance, die vaak wordt gemist: die normering is bedoeld als praktisch hulpmiddel, maar als u het niet eens bent met de uitkomst, stelt de Belastingdienst de waarde vast op basis van werkelijke feiten en omstandigheden.

    Die "waardering in verpachte staat" wordt in de praktijk sterk beïnvloed door:
    • looptijd en beëindigingszekerheid;
    • mate van pachtbescherming/continuatie;
    • (on)mogelijkheid van vrije prijsvorming;
    • contractuele bepalingen over gebruik, onderhoud, duurzaamheidseisen, etc.

    Juist dáár raakt de voorgenomen pachtherziening box 3: andere rechten en termijnen kunnen tot andere marktwaardes (en dus box-3-grondslagen) leiden.

    Tegenbewijsregeling: werkelijk rendement = inkomsten + waardeverandering ("vermogensaanwas")
    Sinds de tegenbewijsroute geldt in de kern: als uw werkelijk rendement lager is dan het forfait, dan mag (en moet) het lagere werkelijk rendement worden gevolgd.
    De Belastingdienst definieert werkelijk rendement expliciet als:
    • alle inkomsten uit vermogen (bij landbouwgrond: vooral pacht), én
    • alle waardeveranderingen van bezittingen in het kalenderjaar (waardestijging of waardedaling).

    Dat tweede onderdeel is cruciaal: dit is precies de "vermogensaanwas-component". Een waardestijging van grond in een jaar telt dus mee in het werkelijk rendement, net als een waardedaling.

    Daar zitten nog twee praktische "haken en ogen" aan:
    - De Belastingdienst rekent het werkelijk rendement over het totale box-3-vermogen (winsten en verliezen worden binnen het jaar gesaldeerd).
    - U gaat nooit meer belasting betalen dan onder het forfait is berekend: tegenbewijs werkt alleen neerwaarts.

    Voor verpachters betekent dit: de tegenbewijsroute helpt vooral in jaren waarin (i) de pachtopbrengst laag is én (ii) de waardestijging van grond beperkt is (of er zelfs waardedaling is), én (iii) de rest van het box-3-vermogen het totaal niet omhoog trekt.

    De pachtwet in consultatie: wat verandert er civielrechtelijk?
    De consultatie-MvT schetst een integrale herziening met een nieuwe "hoofdstructuur" aan pachtvormen.

    Kernpunten, die voor de waardering (en dus box 3) relevant zijn:
    Standaardpacht
    • looptijd minimaal 24 jaar (los land én opstallen)
    • geen verlenging van rechtswege / geen continuatierecht
    • vrije aanvangsprijs; wel jaarlijkse indexatie via een veranderpercentage (AMvB)

    Kortlopende pacht (vervangt geliberaliseerde pacht)
    • maximaal 12 jaar
    • beoogt kortlopende contracten te ontmoedigen en koppelt een (progressief) pachtprijsstelsel aan pachtnormen

    Continuatiepacht
    • blijft mogelijk als "aangepaste voortzetting" van huidige reguliere pacht; met continuatie- en andere rechten, maar met vrije marktprijs i.p.v. pachtnormen

    Teeltpacht
    • blijft: 1–2 jaar, geen ontleende rechten, registratie bij grondkamer; vrije prijs

    Natuurpacht
    • minimaal 6 jaar; (in de MvT) koppeling met pachtnormen als hoogst toelaatbare prijs

    Overgangsrecht
    • lopende reguliere pachtovereenkomsten blijven grotendeels bestaan (o.a. continuatie/indeplaatsstelling; pachtprijs blijft begrensd)

    De fiscale "vertaling" voor box-3-verpachters: waar moet u op letten?
    Grondslag (waarde in verpachte staat) kan verschuiven
    Een stelsel met (i) een 24-jarige standaardpacht zonder continuatierecht en (ii) meer vrije prijsvorming zal in veel gevallen de marktwaardering anders maken dan bij klassieke reguliere pacht met sterke continuatie. Dat kan betekenen: minder "pachtdruk-korting" en dus een hogere box-3-waarde (afhankelijk van contract en markt).

    Pachtopbrengst kan stijgen, maar box 3 blijft (tot 2028) forfaitair
    Als de pachtprijs zich meer als marktprijs kan vormen, kan het cashrendement stijgen. Maar het forfait voor "overige bezittingen" blijft rond de 6% schommelen.

    Het risico is dus: hogere box-3-waarde én (nog steeds) hoog forfait, terwijl de feitelijke pachtprijs niet altijd mee-ademt met de 6%-systematiek.
    1. Tegenbewijs: vermogensaanwas is een tweesnijdend zwaard
    Bij landbouwgrond is juist de waardebeweging vaak substantieel. Door de definitie van werkelijk rendement (inkomsten + waardeverandering) kan waardestijging in een jaar het werkelijk rendement "op papier" omhoog trekken.
    Tegelijk: tegenbewijs werkt alleen neerwaarts (u betaalt nooit méér dan forfait).
    Praktisch betekent dat: u maakt de exercitie vooral als u verwacht dat uw totale werkelijk rendement lager is dan het forfait (bijvoorbeeld bij beperkte waardestijging en laag cashrendement).

    Vooruitblik 2028: van forfait naar werkelijk rendement (en hoe zit het met vermogensaanwas?)
    Het kabinet streeft naar invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028.
    In de advisering is een belangrijk onderscheid uitgewerkt voor onroerende zaken:
    • direct rendement (zoals huur/pacht of voordeel eigen gebruik) is jaarlijks belast;
    • indirect rendement (waardeontwikkeling) komt tot uitdrukking als vermogenswinst en wordt belast bij vervreemding.

    Dat is relevant voor landbouwgrond: een systeem dat waardeontwikkeling vooral bij verkoop belast, voelt in liquiditeitszin anders dan een jaarlijkse "aanwas"-benadering. Tegelijk vraagt het (zeker bij bedrijfsopvolging, ruilverkaveling, onteigeningsdossiers) om scherpere dossiervorming rond verkrijgingsprijs, verbeteringen en transactiemomenten.

    Samenvattend (en praktisch)
    • Hoge forfaits (rond 6%) maken verpachte landbouwgrond in box 3 structureel zwaar belast.
    • De tegenbewijsregeling rekent met inkomsten + waardeveranderingen: dat is de "vermogensaanwas"-component in het huidige tussensysteem.
    • De consultatie-pachtwet introduceert o.a. standaardpacht (24 jaar, vrije aanvangsprijs, geen continuatie) en herijkt kortlopende/continuatie- en bijzondere pachtvormen.
    • De box-3-waarde van grond kan daardoor (per contracttype) gaan schuiven; verwacht discussie over wat "verpachte staat" waard is onder de nieuwe regime-mix.
    • Vanaf 2028 is de inzet een werkelijk-rendementstelsel, waarbij bij onroerende zaken het indirecte rendement (waardeontwikkeling) als vermogenswinst bij verkoop wordt belast

    Tot slot
    De wetgeving is in beweging. Forfaitair rendement van pakweg 6% tegen 36% belast leidt tot vrijwel 100% belasten van de directe inkomsten, zijnde pacht als die tenminste op zo’n 2% van de WEVAB blijft. Dan blijft alleen de vermogenswinst over, die ook belast wordt. Dat lijkt toch op 100% belastingdruk. Wij zijn benieuwd of een dergelijke uitkomst de toets van artikel 1, artikel 8 en artikel 14 van EVRM kan doorstaan, Zouden we opnieuw naar onverbindendheid koersen of keert de wetgever ten halve?

    Lees verder
  • Gevolgen van schijnzelfstandigheid, bruto-loon is niet zonder meer gelijk aan loon SV, let op pensioenpremies en ten onrechte afgetrokken BTW Door Wijnkamp Keulers op 22-12-2025

    Door mr W.P. Keulers (belastingadviseur NOB tevens advocaat-belastingkundige)

    Inleiding
    Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2339), waarin het hof een billijk brutoloon van € 14,58 per uur vaststelde voor een relatie, die eerder als zzp-opdracht werd gefactureerd, heeft verstrekkende arbeidsrechtelijke en fiscale gevolgen voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Dit artikel vat de kerngevolgen samen, bespreekt de risico’s op btw-correcties en brutering van tarief en behandelt de mogelijkheid van een terugvorderings-claim door de werkgever.

    Feiten en rechtsgevolg kort
    Het hof kwalificeerde de arbeidsrelatie met terugwerkende kracht als arbeidsovereenkomst en stelde wegens het ontbreken van een overeengekomen loon een billijk brutoloon vast van € 14,58 per uur. Herkwalificatie werkt terug in de tijd en brengt met zich mee dat loonheffing, premies en eventueel pensioenpremies vanaf die datum verschuldigd zijn. Verdedigbaar is dat het brutoloon, de maatstaf van heffing voor LH en andere inhoudingen en werkgeverslasten, dit door het Hof vastgestelde loon is, zeker is dat echter niet. Al eerder heeft de belastingrechter een kwalificatie door de civiele rechter van "loon" niet gevolgd voor de loonheffing (LH).

    Fiscale risico’s bij herkwalificatie
    Btw-risico: Facturering met btw door een zzp'er gaat in geval van herkwalificatie ten onrechte uit van zelfstandig ondernemerschap. Als de prestatie in feite loon uit arbeid betreft, is geen btw verschuldigd en is de door de opdrachtgever afgetrokken voorbelasting onterecht. Dit kan leiden tot een btw-correctie en naheffingsaanslag voor de opdrachtgever, met rente en mogelijk boete.
    Brutering van tarief: Als factuurbedragen als netto-uitkeringen worden aangemerkt, kan de Belastingdienst eisen dat die nettobedragen worden omgezet naar een bruto-lonenmaatstaf (brutering). Dat betekent dat het gefactureerde uur-bedrag effectief verhoogd wordt met het benodigde bruteringselement om na inhoudingen het veronderstelde nettobedrag te bereiken, waardoor de opdrachtgever achteraf loonheffing en werkgeverspremies over een hoger bedrag moet afdragen.
    Premies werknemersverzekeringen en Zvw: Over het gebruteerde loon zijn premies werknemersverzekeringen (werkgever) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd, wat de totale last voor de opdrachtgever verder verhoogt.
    Pensioenverplichting: Indien op grond van toepasselijke cao of bedrijfstakregels pensioenplicht geldt, kunnen met terugwerkende kracht pensioenpremies verschuldigd zijn. Dit betreft zowel werkgevers- als werknemersdeel en kan substantieel zijn bij langere perioden.

    Vordering van de werkgever op (ex-)opdrachtnemer
    Het vorenstaande kan leiden tot een verschil tussen betaalde factuur en netto-loon met terugvorderings- en naheffingsrisico voor de opdrachtgever/werkgever.

    Als betalingen an sich onverschuldigd blijken te zijn, omdat zij meer bedragen dan het nettoloon dat op basis van de arbeidsovereenkomst had moeten worden genoten, bestaat een juridische grondslag voor een vordering op basis van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW).

    De werkgever moet aantonen dat het meerdere daadwerkelijk onverschuldigd was, dat er geen rechtsvermoeden, tegenprestatie of specifieke afspraak bestond, die het meerdere rechtvaardigt, en rekening houden met redelijkheid en billijkheid.

    De werknemer kan een beroep doen op vertrouwensbescherming of verrekening stellen, en de rechter kan terugvordering beperken op grond van redelijkheid. Verjaringstermijnen en bewijsproblemen spelen een rol.
    Voordat een werkgever tot vordering overgaat, is beoordeling van individuele betalingsafspraken, schriftelijke bewijsstukken en mogelijke cao/relevante pensioen- of vergoedingsafspraken noodzakelijk.

    Praktische aanbevelingen
    Documenteer en toets met terugwerkende kracht de aard van de relatie en gemaakte afspraken.
    Voer een fiscale en arbeidsrechtelijke risicoanalyse uit voor periodes die mogelijk geherkwalificeerd worden.
    Overweeg (tijdig) overleg met een fiscalist en arbeidsrecht-advocaat vóór het doen van terugvorderingsacties.
    Houd rekening met mogelijke btw-correcties en bereid je financieel voor op naheffingen inclusief rente en boetes.
    Controleer cao-toepassing en pensioenplicht; bereken provisies voor eventuele premietekorten.

    Conclusie
    Herkwalificatie met vaststelling van een billijk brutoloon, zoals in het hiervoor genoemde arrest, leidt direct tot fiscale en arbeidsrechtelijke consequenties: btw-correcties en naheffingen, risico op brutering van gefactureerde tarieven, afdrachten van premies en mogelijk terugvorderingsrechten van de werkgever. Zorgvuldige feitelijke en juridische analyse en tijdige professionalisering van afwikkeling en communicatie zijn essentieel om financiële verrassingen en langdurige procedures te beperken. Voor de accountant en belastingadviseur geldt dat bij het samenstellen van de jaarrekening de LH en afdrachtverplichtingen juist en volledig in het fiscaal resultaat moeten zijn verantwoord en op de balans moeten worden opgenomen, controle van de afdrachten bij (schijn)zelfstandigheid is dus vereist.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook