Header achtergrond
Header achtergrond

Hoge Raad opent deur voor vrijstelling van box 3 heffing, maak bezwaar!

10-07-2019

De Hoge Raad heeft op 14 juni 2019 beslist dat een belastingplichtige, die een buitensporig zware last ondervindt van box 3 (vermogensrendements) heffingen op spaargeld en beleggingen, met succes een beroep kan doen op de verdragsbescherming in het EVRM van eigendom. Dit kan betekenen dat de aanslag met box 3 heffing wordt vernietigd. Er moet wel worden aangetoond dat de belasting een "buitensporig zware last" is voor een belastingplichtige. Dat zal niet zo snel aan de orde zijn, niettemin gaat deze beoordeling verder dan alleen het in aanmerking nemen van de jaarlijkse inkomsten uit box 2 en box 1. Naar onze visie zouden diegenen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van opgespaard vermogen bij uitholling van het vermogen door belastingheffing wel eens een buitensporige last kunnen ondervinden. Daarbij speelt een rol dat box 3 niet een vermogensbelasting is, maar een vermogensrendementsheffing. Het loont de moeite om die discussie met de fiscus nog maar eens aan te gaan, dat kan in de vorm van bezwaar tegen de aanslag IB, ook al zou die volgens de eigen aangifte worden of zijn opgelegd. Ook diegene die in het collectief bezwaar zijn opgenomen moeten opletten, daar blijft ruimte voor een individuele beoordeling, vul indien nodig het bezwaar IB 2013 en 2014 aan op dit punt.

Wet an sich kan niet worden getoetst door de Hoge Raad

Hoewel de Hoge Raad (HR) de box 3 bepalingen in de wet IB om formele redenen niet terzijde kan stellen (de HR kan de wetgever niet corrigeren) en dus de procedures door de appellanten zijn verloren, is de boodschap van de HR onmiskenbaar. De toepassing van de wet op de belastingplichtige kan desgevraagd wel worden getoetst door de rechter.

Rendement spaarrekening kan uitgangspunt zijn

Van een belastingplichtige kan niet worden verlangd, dat hij risicovol belegt in aandelen e.d. op straffe van uitholling van zijn vermogen door de fiscus. Met andere woorden het argument van de minister dat iedereen gemakkelijk 4% rendement kan halen, mits je maar zo slim was en bent om met meer risico te lopen door in aandelen en dergelijke te beleggen, vindt geen steun bij de Hoge Raad. Spaargeld kan best de benchmark zijn en is wel degelijk het uitgangspunt bij de bepaling of de vastgestelde rendementen haalbaar zijn. Dat blijkt in 2013 en 2014 niet het geval geweest te zijn, aldus de HR.

Veeg uit de pan

Het oordeel van de HR is een veeg uit de pan voor de Tweede Kamer, Regering en vooral het Ministerie van Financiën. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad ondanks het afwijzen van het beroep toch zijn overwegingen kenbaar maakt. Dat is uitzonderlijk want in de meeste gevallen worden cassatieberoepen vrijwel ongemotiveerd afgewezen. Het oordeel van de Hoge Raad geeft aan dat de overheid de burgerrechten inzake bescherming van eigendom bij belasting heffen serieus moet gaan nemen. Belasting heffen op basis van ficties heeft zijn grenzen, als het op onteigening gaat lijken, is dat een brug te ver. Bij nader bestuderen van het arrest blijkt dat de Hoge Raad aldus de Belastingdienst een huiswerkopdracht meegeeft, die een fikse werklast voor de fiscus kan gaan opleveren.

Pyrrusoverwinning fiscus

De Hoge Raad zet dus, hoewel de procedures door de belastingplichtigen zijn verloren, in zijn motivering de deur wijd open voor iedere belastingplichtige om met kans op succes bezwaar te maken en zijn individuele positie ter beoordeling voor te leggen. Dat geldt dus ook voor de bezwaren, die nu lopen over 2013 en 2014, deze arresten (er waren zes proefprocedures in het kader van massaal bezwaar) betekenen dus niet "einde verhaal", ga dus niet akkoord met een afwijzing van de inspecteur op basis van deze arresten. De al gemaakte bezwaren zullen wel moeten worden aangevuld en ook nieuwe bezwaren zullen inhoudelijk goed gemotiveerd moeten zijn. Dat moet op basis van feiten en omstandigheden, die een belastingplichtige zelve aangaan. Het gaat er dus om dat ieder voor zich in zijn geval aantoont dat sprake is van een buitensporig zware last. De vraag is wat onder een "buitensporig zware last" moet worden verstaan, hoe dan ook is dat voor iedereen verschillend. Je zou denken dat dit bij vermogende, dus "rijke" mensen niet zo snel aan de orde is. De Hoge Raad lijkt aan de hand van de inkomsten uit andere bronnen in een bepaald jaar te willen beoordelen.

Niettemin gaat het mogelijk toch verder dan de jaarlijkse inkomsten. Houd in de gaten dat box 3 geen vermogensbelasting is, maar een rendementsheffing, we belasten dus niet de bron van inkomen maar genormeerd rendement op vermogen. Waar in de Wet IB 1964 alleen inkomen uit vermogen werd belast wordt nu, wet IB 2001, vermogensrendement belast, dus inkomen en waardevermeerdering tezamen. Die tezamen worden op 4% van de waarde van het vermogen op 1 januari van het jaar bepaald.

Vermogen met een doel, buitensporige last

Als sprake is van vermogen met een doel, bijvoorbeeld pensioen of lijfrenteuitkeringen of om in levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld na het toegebracht zijn van letsel, dan zou de instandhouding van dit vermogen mede worden bepaald door sterftekansen, (reken)rente en eventuele kostenopslagen om van indexeringen nog maar te zwijgen. Er gloort dan een bekende discussie, …, juist ja ..., de discussie over werknemerspensioenen.

Vermogensrendement
Als rendement zou bestaan uit rente en vermogenswinst, dan is de vraag wat er moet gebeuren bij negatief rendement. Zou niet sprake kunnen zijn van een "buitensporig zware last" als het vermogen niet (meer) voldoende is, om het doel te kunnen vervullen waarvoor het vermogen in stand gehouden moet worden.

Stel nu, dat iemand die geen of onvoldoende pensioen heeft en na zijn werkzaam leven zal moeten leven van zijn vermogen en pakweg 48 jaar is, en hij heeft € 500.000 gespaard o.i.d. Wat zou daar dan van over zijn als hij op 68-jarige leeftijd AOW krijgt. Alsdan zou de combinatie geen rente, inflatie en 1,34 % - 1,68% bij vermogens boven pakweg € 160.000 tot een uitholling leiden van ca 1% per jaar. Bij een vermogen van € 500.000 bedraagt de uitholling € 140.000 door het inmiddels progressieve tarief in box 3, dit alles bij ca 2% inflatie per jaar gedurende de 20 jaar.

Om deze uitholling op te vangen moet dus 1% van € 500.000 dus € 5.000 extra worden gespaard van het netto-inkomen om de vermogensachteruitgang te stoppen. Let wel, voor die € 5.000 extra sparen moet eerst bruto-inkomen worden verdiend en voorts wordt de besparing ook nog weer extra belast in box 3. Dit alles zou bij een vermogen op 48-jarige leeftijd een cumulatieve "rekenrente" opleveren van 3,34% - 3,68% per jaar en wel het eerste jaar bij € 500.000 ca 3,5% ofwel € 17.500 van het netto- inkomen.

Dit is maar een ruw rekenvoorbeeld, er zijn complexere denkbaar. Niettemin is duidelijk dat sparen met als doel het vormen of in standhouden van vermogen als appel voor de dorst erg duur is geworden. Het was al duidelijk dat het kapitaaldekking-stelsel van onze werknemerspensioenen achterhaald is, en daar is bovendien nog sprake van uitgestelde belastingheffing. Niet het vermogen (aanspraak) wordt belast, maar de uitkering en voorts is er beperkte heffing van VpB op de rendementen. In vergelijking tot particulier box 3-vermogen rendeert pensioenkapitaal nagenoeg bruto, terwijl bij particulier vermogen de rendementsgrondslag jaarlijks vermindert.

Hoge Raad … buitensporige last kan betekenen dat box 3 heffing moet worden verminderd

Als inflatie en box 3 vermogen uithollen, zoals nu al jaren het geval is, dan zou de instandhouding van vermogen met 0% rente na cumulatieve jaarlijkse belastingheffing en inflatie mede de benchmark moeten kunnen zijn voor "buitensporige last".

Als de Hoge Raad dan ook nog zou meegaan met de afweging dat vermogensopbouw met een vergelijkbare systematiek als bij opbouw van pensioen en lijfrente, noodzakelijk is voor diegenen die niet via arbeid in dienstbetrekking via de werkgever pensioen kunnen opbouwen, dan zijn de rapen voor het Ministerie van Financiën gaar. Het gevaar voor de schatkist dreigt dat de pensioendiscussie en uitstel van AOW en lage bejaardentarieven in de IB, via de toets "buitensporig zware last" ertoe kunnen leiden dat vermogen met als doel "levensonderhoud" voor de oude dag pas kan worden belast als er een normaal noodzakelijk rendement is gehaald met inachtneming van sterftekansen, positie partner en rekenrente. Kortom het vermogen wordt dan tegenover behoefte (te vergelijken met de verplichting van een pensioenuitvoerder of lijfrenteverzekeraar) geplaatst.

Daarmee zou het Ministerie van Financiën het eigen argument dat verlaging van AOW en uitstel van het bejaardentarief in de IB noodzakelijk is om de vergrijzing betaalbaar te houden als een boomerang terug zien komen.

* Overigens kennen we nu al voor bepaalde vermogensbestanddelen lagere rendementsgrondslagen. Zo wordt voor regulier verpachte landbouwgrond slechts 50% (recent verhoogd naar 60%) van de waarde in onverpachte staat aangehouden als grondslag, dit omdat bij verpachting sprake is van onder rendement doordat maximale pacht op basis van normen met een wettelijke grondslag is vastgesteld. Deze regeling is in feite in strijd met doel en strekking van de wet IB 2001, omdat niet alleen naar de inkomsten moet worden gekeken maar ook naar de waardestijging van de (verpachte) grond. Anders dan bij vermogen dat liquide wordt gehouden is landbouwgrond sterk in waarde gestegen sinds 2001.

Teleurstelling niet terecht

In de media en vooral de kranten overheerst de teleurstelling over de uitkomst van de arresten van de Hoge Raad, dat lijkt mij niet terecht. Voor de creatieve fiscalist valt er bij de aangifte IB heel wat te winnen als het vinkje wordt aangekruist dat over box 3 een expliciet standpunt wordt gevraagd en/of er bezwaar wordt gemaakt en wordt gesteld dat de vermogensuitholling te veel lasten met zich meebrengt. Als de inspecteur negatief oordeelt of zich al te makkelijk vanaf maakt, dan zijn er kansen bij de rechter. Goed motiveren en goed duidelijk maken dat het in dit geval toch "echt" een buitensporige zware last oplevert, is nodig, weliswaar niet makkelijk, maar geenszins een kansloze exercitie. Kortom, wij verwachten veel discussie met de inspecteurs over box 3, dat worden dus flinke vertragingen voor de fiscus bij de aanslagregeling, die zal daar niet blij mee zijn.

Tot slot

Enig leedvermaak ten opzichte van het Ministerie van Financiën is niet te onderdrukken, boontje komt om zijn loontje. Slechte onrechtvaardige wetgeving leidt tot weerstand. Dit is het enige verzet dat ouderen, zelfstandigen en diegenen die moeten leven van vermogen kunnen bieden tegen te hoge belastingdruk. De tariefverandering, die onlangs door verandering in de wet IB tot stand is gebracht, was halfhartig en is onvoldoende. Ik heb geen medelijden met de forse werklast die voor de fiscus ontstaat, het Ministerie van Financiën had al lang met iets anders moeten komen.
"Frappez … frappez" lijkt de enige mogelijkheid te zijn om Den Haag tot verandering van inzicht te brengen. Het is jammer dat het niet anders blijkt te kunnen, deze Hoge Raad uitspraken helpen niettemin.~~

Laatste nieuws

  • Ingrepen in de AOW raken vooral leeftijdsgroep 67 jaar en jonger, strijd met EVRM? Door Wijnkamp Keulers op 16-01-2026

    De AOW is het fundament onder het Nederlandse pensioenstelsel: breed gedragen, verplicht gefinancierde basis (eerste pijler) voor een sociaal minimum. Juist daarom wringt het als aan dat fundament wordt gesleuteld, want de tweede en derde pijler zijn historisch op de AOW ingeregeld. De AOW-leeftijd is verhoogd en de financiering schuift steeds verder naar de algemene middelen.
    Nu circuleren plannen om AOW-gerechtigden (weer) AOW-premie te laten betalen. In veel gevallen betekent dat feitelijk 17,85% extra heffing in de eerste schijf inkomstenbelasting. In beleidsdiscussies wordt dit gekoppeld aan ca 6,9 mld extra belastingopbrengst, maar ook aan forse inkomenseffecten: tot grofweg 15% minder netto-inkomen voor een brede groep 67-plussers met een belastbaar inkomen tot circa € 38.000.
    Het frame luidt vaak: "rijke ouderen moeten solidair zijn met armere ouderen en jongeren, anders wordt de AOW onbetaalbaar". Daarbij verdwijnen twee kernpunten uit beeld: (i) velen hebben gedurende het werkzame leven al veel premie betaald (vaak totaal meer dan € 200.000) en (ii) de versobering is al ingezet via later AOW en later bejaardentarief, wat in de praktijk (vaak) meer dan € 40.000 nadeel kan opleveren.

    Wat is er al veranderd: latere AOW én later bejaardentarief
    Later AOW (67 en drie maanden in plaats van 65) betekent een langere overbrugging met loon, (tijdelijk) pensioen, eigen vermogen of een uitkering. Daar bovenop komt het tarief-effect: het bejaardentarief in de eerste schijf schuift circa 2,25 jaar op. Waar het tarief voor 65-plussers 17,85% was (tegenover 35,75% voor niet-AOW'ers), ontbreekt dat voordeel langer. Het gevolg is dubbelop: later AOW én later lagere belastingdruk, juist in een levensfase waarin bijsturen lastig is. Voor iemand die het schijf-1-inkomen "volmaakt" (tot circa € 38.000 belastbaar inkomen) kan zo van 65-67,25 jaar meer dan € 40.000 netto nadeel ontstaan.

    Waarom juist de groep werkenden uit de periode 1985-2027 disproportioneel wordt geraakt
    Met AOW-premie wordt geen kapitaal opgebouwd, maar worden uitkeringen gefinancierd. Dat omslagstelsel kan worden aangepast, maar extra lasten mogen niet onevenredig bij een afgebakende groep landen. De werkenden, die in de periode 1985-2027 grofweg 42 jaar premie (de "volle mep") hebben betaald en nu dicht tegen pensionering aan zitten, hebben nauwelijks ruimte om beleidsschokken nog op te vangen. Drie mechanismen versterken dat:
    1. AOW-franchise in de tweede pijler
    Door de franchise bouw je over een salarisdeel geen aanvullend pensioen (pijler 2) op, omdat AOW wordt verondersteld. Als AOW later ingaat of netto lager uitpakt, blijkt die franchise achteraf te hoog en is extra opbouw feitelijk onmogelijk.
    2. Versobering van de tweede pijler
    De stap van eindloon naar middelloon en naar premie-gedreven regelingen (na pensioenherziening) raakt vooral wie laat in de loopbaan zit: minder tijd om tekorten te repareren.
    3. Beperkingen in de derde pijler en druk op buffers
    Bijstorten in pijler 3 is op oudere leeftijd beperkt en duur; tegelijk is leven van vermogen (box 3) fiscaal lastiger geworden. Dat verkleint de buffer om AOW-schokken op te vangen.

    Financiële illustratie: stapeling van lasten
    • Premielast in het werkzame leven: vaak al meer dan € 200.000 AOW-premie betaald.
    • Nadeel door latere AOW en later bejaardentarief: bij circa € 38.000 belastbaar box 1-inkomen kan het netto nadeel meer dan € 40.000 bedragen door het circa 2,25 jaar later ingaan.
    • Voorgenomen extra last in schijf 1: 17,85% extra heffing met in het debat genoemde inkomenseffecten van grofweg 15% lager netto-inkomen (levenslang) voor de groep tot circa € 38.000.

    Juridische toets: Strijdig met art. 1 Eerste Protocol en art. 14 EVRM?
    Het EVRM beschermt geen recht op ongewijzigd blijven van het sociaalzekerheidsstelsel. Wel kan art. 1 Eerste Protocol relevant zijn bij inbreuk op (voldoende vaststaande) aanspraken: bestaat er een fair balance tussen algemeen belang (houdbaarheid overheidsfinanciën) en de individuele last? De beoordelingsmarge voor de Staat is ruim, maar niet onbeperkt; stapeling kan een buitensporige last voor een afgebakende groep opleveren.

    Art. 14 EVRM komt in beeld als de uitwerking vooral één leeftijdsgroep treft zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging. De kern bij de "lost generation" is het gebrek aan anticipatiemogelijkheden: franchise-architectuur, versobering van pijler 2 en 3 en een korte resterende opbouwtijd. Zonder reële compensatie of overgangsrecht kan proportionaliteit onder druk staan.

    Zelfs als de financieringsopgave reëel is, volgt daaruit niet automatisch dat een generieke heffing bij AOW’ers in de eerste schijf de juiste route is. Beleid dat grotendeels neerkomt op stapeling bij een cohort dat nauwelijks kan reageren, vraagt om een scherpere onderbouwing, heldere afbakening (wie draagt werkelijk bij?) en - waar nodig - overgangsrecht of compensatie. Anders wordt "solidariteit" ervaren als herverdeling zonder perspectief.

    Houdbaarheid, … geen vrijbrief voor stapeling zonder compensatie
    In 2025 waren de premie-inkomsten AOW € 30,3 mld en de AOW-uitgaven circa € 52,8 mld. Er moest dus ongeveer € 22 mld uit de algemene middelen worden bijgepast. In 2000 waren premie-inkomsten en uitgaven AOW in evenwicht op ca € 20 mld, belastingopbrengsten waren toen overigens ook veel lager, ca ƒ 207 mld (ca € 94 mld, gecorrigeerd met AOW-premie, dus ca € 104 mld. Het loopt dus wel fors op, niettemin, in 2025 bij een een totale belastingopbrengst van € 277 mld (totale inkomsten Rijksoverheid ca 425 mld) is € 22 mld (5%) best te dragen. Extra premieheffing moet 6,9 mld gaan opbrengen te halen bij ouderen die niet kunnen anticiperen en 15% netto in inkomen er op achteruit gaan. Er zal dus moeten worden gecompenseerd, dus wat lost het nu eigenlijk op?

    Het frame dat rijke ouderen zich sociaal moeten opstellen en daarom moeten "meebetalen" is ongenuanceerd, velen hebben al dik betaald en betalen ook nu via de tweede en derde schijf IB (pensioen, box 3 en hypotheekvrije woning) mee aan de algemene middelen. Als de AOW netto met 15% wordt verminderd, dan zal de AOW bruto met dit bedrag moeten worden verhoogd voor de box 1 eerste schijf inkomens. In feite kan binnen EVRM, belastingverhoging bij ouderen alleen plaatsvinden op tweede schijf IB, dus pijler 2 en 3 inkomen. Dat zal de bereidheid bij jongeren om mee te doen met collectieve regelingen voor werknemer pensioenen en lijfrenten producten niet bevorderen, want waarom sparen als je straks minder krijgt en meer betaalt.

    Lees verder
  • Pacht in beweging, box 3 onder spanning: wat betekent dit voor de particuliere verpachter van landbouwgrond? Door Wijnkamp Keulers op 24-12-2025

    De regelgeving rondom pacht staat op een kruispunt, niet alleen door voorgestelde nieuwe pachtwetgeving, ook de wet IB en vooral de nieuwe box 3 wetgeving geven zorgen over nettorendement. Lage rendementen door fiscale afroming betekent uiteindelijk ook meer lasten voor de pachter. Er ligt en consultatie-wetsvoorstel voor een ingrijpende herziening van titel 7.5 BW (pacht), met nieuwe pachtvormen en een andere balans tussen bescherming en contractsvrijheid. Daarnaast is box 3 de afgelopen jaren veranderd in een "tijdelijk" stelsel met hoge forfaits én sinds 2025/2026 een tegenbewijsroute, waarbij het werkelijk rendement (inclusief waardeveranderingen/"vermogensaanwas") bepalend kan worden als dat lager uitpakt dan de ca 6% forfaitaire rendementen. Van belang is vooral de waarde van de verpachte grond. Mag een DCF-waarde worden gehanteerd of moet de normwaarde in het economisch verkeer van de Belastingdienst worden gehanteerd? Bij de voorgestelde 24-jarige pacht speelt bovendien dat, net zoals bij erfpacht, de waarde voor de verpachter toeneemt naar mate de pachtermijn verloopt, een soort aangroei van de verpachte eigendom als het ware. Zowel het nieuwe pachtrecht als de wet IB inzake box 3 na 2028 zijn nog maar wetsvoorstellen. Niettemin is van 2024 tot 2026 een hogere forfaitaire belastingdruk door vermogensaanwasheffing al realiteit, alle reden is goed te kijken naar een andere waarde dan de normen van de belastingdienst. Belastingdienst

    Voor verpachters van landbouwgrond in box 3 is er een dubbele dynamiek: (i) de pachtvorm beïnvloedt de waarde "in verpachte staat" en (ii) box 3 belast (voorlopig) niet de feitelijke pachtopbrengst, maar een forfaitair rendement dat bij "overige bezittingen" structureel hoog is.

    Het probleem in één zin: lage pachtopbrengst, hoog forfait
    Landbouwgrond in box 3 valt doorgaans onder "beleggingen en andere bezittingen / overige bezittingen". De forfaitaire rendementspercentages voor deze categorie zijn hoog:
    • 2024: 6,04%
    • 2025: 5,88%
    • 2026: 6,00%
    Het box-3-tarief is 36% (o.a. 2026). Dat betekent grofweg een effectieve heffing van circa 2,16% van de box-3-grondslag (6,00% × 36%) per jaar in 2026. Bij € 1.000.000 box-3-waarde is dat ongeveer € 21.600 belasting, nog los van heffingsvrij vermogen en de totale vermogensmix.

    Voor veel reguliere pachtsituaties ligt het netto "cashrendement" (pacht minus lasten) daar duidelijk onder. Vandaar de box-3-frustratie, die in vakliteratuur de afgelopen tijd breed wordt gesignaleerd, óók specifiek voor landbouwgrond.

    Waardering van verpachte gronden: normering als hulpmiddel, feiten blijven leidend
    De Belastingdienst publiceert jaarlijks een handleiding "Waardering van verpachte gronden in box 3" met normen en uitgangspunten (o.a. voor grasland/akkerland) en tabellen om praktisch te rekenen. Belangrijk is de nuance, die vaak wordt gemist: die normering is bedoeld als praktisch hulpmiddel, maar als u het niet eens bent met de uitkomst, stelt de Belastingdienst de waarde vast op basis van werkelijke feiten en omstandigheden.

    Die "waardering in verpachte staat" wordt in de praktijk sterk beïnvloed door:
    • looptijd en beëindigingszekerheid;
    • mate van pachtbescherming/continuatie;
    • (on)mogelijkheid van vrije prijsvorming;
    • contractuele bepalingen over gebruik, onderhoud, duurzaamheidseisen, etc.

    Juist dáár raakt de voorgenomen pachtherziening box 3: andere rechten en termijnen kunnen tot andere marktwaardes (en dus box-3-grondslagen) leiden.

    Tegenbewijsregeling: werkelijk rendement = inkomsten + waardeverandering ("vermogensaanwas")
    Sinds de tegenbewijsroute geldt in de kern: als uw werkelijk rendement lager is dan het forfait, dan mag (en moet) het lagere werkelijk rendement worden gevolgd.
    De Belastingdienst definieert werkelijk rendement expliciet als:
    • alle inkomsten uit vermogen (bij landbouwgrond: vooral pacht), én
    • alle waardeveranderingen van bezittingen in het kalenderjaar (waardestijging of waardedaling).

    Dat tweede onderdeel is cruciaal: dit is precies de "vermogensaanwas-component". Een waardestijging van grond in een jaar telt dus mee in het werkelijk rendement, net als een waardedaling.

    Daar zitten nog twee praktische "haken en ogen" aan:
    - De Belastingdienst rekent het werkelijk rendement over het totale box-3-vermogen (winsten en verliezen worden binnen het jaar gesaldeerd).
    - U gaat nooit meer belasting betalen dan onder het forfait is berekend: tegenbewijs werkt alleen neerwaarts.

    Voor verpachters betekent dit: de tegenbewijsroute helpt vooral in jaren waarin (i) de pachtopbrengst laag is én (ii) de waardestijging van grond beperkt is (of er zelfs waardedaling is), én (iii) de rest van het box-3-vermogen het totaal niet omhoog trekt.

    De pachtwet in consultatie: wat verandert er civielrechtelijk?
    De consultatie-MvT schetst een integrale herziening met een nieuwe "hoofdstructuur" aan pachtvormen.

    Kernpunten, die voor de waardering (en dus box 3) relevant zijn:
    Standaardpacht
    • looptijd minimaal 24 jaar (los land én opstallen)
    • geen verlenging van rechtswege / geen continuatierecht
    • vrije aanvangsprijs; wel jaarlijkse indexatie via een veranderpercentage (AMvB)

    Kortlopende pacht (vervangt geliberaliseerde pacht)
    • maximaal 12 jaar
    • beoogt kortlopende contracten te ontmoedigen en koppelt een (progressief) pachtprijsstelsel aan pachtnormen

    Continuatiepacht
    • blijft mogelijk als "aangepaste voortzetting" van huidige reguliere pacht; met continuatie- en andere rechten, maar met vrije marktprijs i.p.v. pachtnormen

    Teeltpacht
    • blijft: 1–2 jaar, geen ontleende rechten, registratie bij grondkamer; vrije prijs

    Natuurpacht
    • minimaal 6 jaar; (in de MvT) koppeling met pachtnormen als hoogst toelaatbare prijs

    Overgangsrecht
    • lopende reguliere pachtovereenkomsten blijven grotendeels bestaan (o.a. continuatie/indeplaatsstelling; pachtprijs blijft begrensd)

    De fiscale "vertaling" voor box-3-verpachters: waar moet u op letten?
    Grondslag (waarde in verpachte staat) kan verschuiven
    Een stelsel met (i) een 24-jarige standaardpacht zonder continuatierecht en (ii) meer vrije prijsvorming zal in veel gevallen de marktwaardering anders maken dan bij klassieke reguliere pacht met sterke continuatie. Dat kan betekenen: minder "pachtdruk-korting" en dus een hogere box-3-waarde (afhankelijk van contract en markt).

    Pachtopbrengst kan stijgen, maar box 3 blijft (tot 2028) forfaitair
    Als de pachtprijs zich meer als marktprijs kan vormen, kan het cashrendement stijgen. Maar het forfait voor "overige bezittingen" blijft rond de 6% schommelen.

    Het risico is dus: hogere box-3-waarde én (nog steeds) hoog forfait, terwijl de feitelijke pachtprijs niet altijd mee-ademt met de 6%-systematiek.
    1. Tegenbewijs: vermogensaanwas is een tweesnijdend zwaard
    Bij landbouwgrond is juist de waardebeweging vaak substantieel. Door de definitie van werkelijk rendement (inkomsten + waardeverandering) kan waardestijging in een jaar het werkelijk rendement "op papier" omhoog trekken.
    Tegelijk: tegenbewijs werkt alleen neerwaarts (u betaalt nooit méér dan forfait).
    Praktisch betekent dat: u maakt de exercitie vooral als u verwacht dat uw totale werkelijk rendement lager is dan het forfait (bijvoorbeeld bij beperkte waardestijging en laag cashrendement).

    Vooruitblik 2028: van forfait naar werkelijk rendement (en hoe zit het met vermogensaanwas?)
    Het kabinet streeft naar invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028.
    In de advisering is een belangrijk onderscheid uitgewerkt voor onroerende zaken:
    • direct rendement (zoals huur/pacht of voordeel eigen gebruik) is jaarlijks belast;
    • indirect rendement (waardeontwikkeling) komt tot uitdrukking als vermogenswinst en wordt belast bij vervreemding.

    Dat is relevant voor landbouwgrond: een systeem dat waardeontwikkeling vooral bij verkoop belast, voelt in liquiditeitszin anders dan een jaarlijkse "aanwas"-benadering. Tegelijk vraagt het (zeker bij bedrijfsopvolging, ruilverkaveling, onteigeningsdossiers) om scherpere dossiervorming rond verkrijgingsprijs, verbeteringen en transactiemomenten.

    Samenvattend (en praktisch)
    • Hoge forfaits (rond 6%) maken verpachte landbouwgrond in box 3 structureel zwaar belast.
    • De tegenbewijsregeling rekent met inkomsten + waardeveranderingen: dat is de "vermogensaanwas"-component in het huidige tussensysteem.
    • De consultatie-pachtwet introduceert o.a. standaardpacht (24 jaar, vrije aanvangsprijs, geen continuatie) en herijkt kortlopende/continuatie- en bijzondere pachtvormen.
    • De box-3-waarde van grond kan daardoor (per contracttype) gaan schuiven; verwacht discussie over wat "verpachte staat" waard is onder de nieuwe regime-mix.
    • Vanaf 2028 is de inzet een werkelijk-rendementstelsel, waarbij bij onroerende zaken het indirecte rendement (waardeontwikkeling) als vermogenswinst bij verkoop wordt belast

    Tot slot
    De wetgeving is in beweging. Forfaitair rendement van pakweg 6% tegen 36% belast leidt tot vrijwel 100% belasten van de directe inkomsten, zijnde pacht als die tenminste op zo’n 2% van de WEVAB blijft. Dan blijft alleen de vermogenswinst over, die ook belast wordt. Dat lijkt toch op 100% belastingdruk. Wij zijn benieuwd of een dergelijke uitkomst de toets van artikel 1, artikel 8 en artikel 14 van EVRM kan doorstaan, Zouden we opnieuw naar onverbindendheid koersen of keert de wetgever ten halve?

    Lees verder
  • Gevolgen van schijnzelfstandigheid, bruto-loon is niet zonder meer gelijk aan loon SV, let op pensioenpremies en ten onrechte afgetrokken BTW Door Wijnkamp Keulers op 22-12-2025

    Door mr W.P. Keulers (belastingadviseur NOB tevens advocaat-belastingkundige)

    Inleiding
    Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2339), waarin het hof een billijk brutoloon van € 14,58 per uur vaststelde voor een relatie, die eerder als zzp-opdracht werd gefactureerd, heeft verstrekkende arbeidsrechtelijke en fiscale gevolgen voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Dit artikel vat de kerngevolgen samen, bespreekt de risico’s op btw-correcties en brutering van tarief en behandelt de mogelijkheid van een terugvorderings-claim door de werkgever.

    Feiten en rechtsgevolg kort
    Het hof kwalificeerde de arbeidsrelatie met terugwerkende kracht als arbeidsovereenkomst en stelde wegens het ontbreken van een overeengekomen loon een billijk brutoloon vast van € 14,58 per uur. Herkwalificatie werkt terug in de tijd en brengt met zich mee dat loonheffing, premies en eventueel pensioenpremies vanaf die datum verschuldigd zijn. Verdedigbaar is dat het brutoloon, de maatstaf van heffing voor LH en andere inhoudingen en werkgeverslasten, dit door het Hof vastgestelde loon is, zeker is dat echter niet. Al eerder heeft de belastingrechter een kwalificatie door de civiele rechter van "loon" niet gevolgd voor de loonheffing (LH).

    Fiscale risico’s bij herkwalificatie
    Btw-risico: Facturering met btw door een zzp'er gaat in geval van herkwalificatie ten onrechte uit van zelfstandig ondernemerschap. Als de prestatie in feite loon uit arbeid betreft, is geen btw verschuldigd en is de door de opdrachtgever afgetrokken voorbelasting onterecht. Dit kan leiden tot een btw-correctie en naheffingsaanslag voor de opdrachtgever, met rente en mogelijk boete.
    Brutering van tarief: Als factuurbedragen als netto-uitkeringen worden aangemerkt, kan de Belastingdienst eisen dat die nettobedragen worden omgezet naar een bruto-lonenmaatstaf (brutering). Dat betekent dat het gefactureerde uur-bedrag effectief verhoogd wordt met het benodigde bruteringselement om na inhoudingen het veronderstelde nettobedrag te bereiken, waardoor de opdrachtgever achteraf loonheffing en werkgeverspremies over een hoger bedrag moet afdragen.
    Premies werknemersverzekeringen en Zvw: Over het gebruteerde loon zijn premies werknemersverzekeringen (werkgever) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd, wat de totale last voor de opdrachtgever verder verhoogt.
    Pensioenverplichting: Indien op grond van toepasselijke cao of bedrijfstakregels pensioenplicht geldt, kunnen met terugwerkende kracht pensioenpremies verschuldigd zijn. Dit betreft zowel werkgevers- als werknemersdeel en kan substantieel zijn bij langere perioden.

    Vordering van de werkgever op (ex-)opdrachtnemer
    Het vorenstaande kan leiden tot een verschil tussen betaalde factuur en netto-loon met terugvorderings- en naheffingsrisico voor de opdrachtgever/werkgever.

    Als betalingen an sich onverschuldigd blijken te zijn, omdat zij meer bedragen dan het nettoloon dat op basis van de arbeidsovereenkomst had moeten worden genoten, bestaat een juridische grondslag voor een vordering op basis van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW).

    De werkgever moet aantonen dat het meerdere daadwerkelijk onverschuldigd was, dat er geen rechtsvermoeden, tegenprestatie of specifieke afspraak bestond, die het meerdere rechtvaardigt, en rekening houden met redelijkheid en billijkheid.

    De werknemer kan een beroep doen op vertrouwensbescherming of verrekening stellen, en de rechter kan terugvordering beperken op grond van redelijkheid. Verjaringstermijnen en bewijsproblemen spelen een rol.
    Voordat een werkgever tot vordering overgaat, is beoordeling van individuele betalingsafspraken, schriftelijke bewijsstukken en mogelijke cao/relevante pensioen- of vergoedingsafspraken noodzakelijk.

    Praktische aanbevelingen
    Documenteer en toets met terugwerkende kracht de aard van de relatie en gemaakte afspraken.
    Voer een fiscale en arbeidsrechtelijke risicoanalyse uit voor periodes die mogelijk geherkwalificeerd worden.
    Overweeg (tijdig) overleg met een fiscalist en arbeidsrecht-advocaat vóór het doen van terugvorderingsacties.
    Houd rekening met mogelijke btw-correcties en bereid je financieel voor op naheffingen inclusief rente en boetes.
    Controleer cao-toepassing en pensioenplicht; bereken provisies voor eventuele premietekorten.

    Conclusie
    Herkwalificatie met vaststelling van een billijk brutoloon, zoals in het hiervoor genoemde arrest, leidt direct tot fiscale en arbeidsrechtelijke consequenties: btw-correcties en naheffingen, risico op brutering van gefactureerde tarieven, afdrachten van premies en mogelijk terugvorderingsrechten van de werkgever. Zorgvuldige feitelijke en juridische analyse en tijdige professionalisering van afwikkeling en communicatie zijn essentieel om financiële verrassingen en langdurige procedures te beperken. Voor de accountant en belastingadviseur geldt dat bij het samenstellen van de jaarrekening de LH en afdrachtverplichtingen juist en volledig in het fiscaal resultaat moeten zijn verantwoord en op de balans moeten worden opgenomen, controle van de afdrachten bij (schijn)zelfstandigheid is dus vereist.

    Lees verder
  • Is de accountant, die de aangifte doet, de beste adviseur, omdat hij u kent? Door Wijnkamp Keulers op 16-12-2025

    De accountant of belastingadviseurs, die de jaarrekeningen samenstellen en de aangiften doen, kunnen vaak niet al te scherp voor u adviseren, omdat ze afspraken hebben met de Belastingdienst en met belangen van andere cliënten rekening moeten houden. Wij vinden dat belastingheffing gebaseerd moet zijn op de wet en uitvoeringsregelingen en niet alleen op standpunten, die de Belastingdienst inneemt. Wij vinden dat u meerdere keuzes moet hebben, binnen het kader van geldende regelgeving, dat spreekt voor zich. Daarom is het inwinnen van high end advies bij een onafhankelijke NOB-belastingadviseur of in geval van dreigende problemen bij een fiscaal advocaat beter dan bij een accountant of adviseur, die spelregels heeft afgesproken met de Belastingdienst. Dit zogenaamde horizontale toezicht (HT) belemmert nogal eens scherp adviseren, waardoor de individuele cliënt niet alle opties gepresenteerd krijgt. Aan u de keuze, daar staan wij voor, niet beperking van keuzes door Horizontaal Toezicht.

    Second opinion of onafhankelijke first voor DGA's, vermogenden en MKB-ondernemers - naast uw eigen accountant of boekhouder

    Werkt uw accountant, boekhouder of belastingadviseur onder horizontaal toezicht (HT)? Dat kan uitstekend passen bij reguliere aangiften. Maar zodra er iets bijzonders speelt, is een extra stap vaak de beste investering: eerst onafhankelijk advies, daarna pas de aangifte.

    Waarom?
    Horizontaal toezicht is sterk in proces, voorspelbaarheid en afstemming. Bij complexe keuzes - waar positie, timing en dossieropbouw bepalend zijn - kan een HT-omgeving minder ruimte geven voor scherpere advisering. Niet omdat de HT-adviseur niet deskundig zou kunnen zijn, maar omdat het systeem is ingericht op rust en beheersing. De Belastingdienst heeft er alle belang bij dat hun standpunten op controversiële gebieden worden gevolgd. Vooral bij box 3 en het forfaitair rendement is gebleken dat Belastingdienst en zelfs wetgever te ver kunnen gaan en teveel belasting heffen. De accountant en adviseur, die convenanten (HT) hebben gesloten met de Belastingdienst, waarin zij voor minimaal vijf jaar vastzitten aan de belofte om niet zonder melding scherp te adviseren, vertonen in het belang van de kantoor-rust en belang bij andere cliënten nogal risicomijdend gedrag. Wilt u high end alternatieve keuzes, die verdedigbaar zijn binnen de kaders van de wet en met risicovermelding, dan is het beter om de strategie en vastlegging eerst onafhankelijk te laten uitwerken door een adviseur, die niet gebonden is aan afspraken met de Belastingdienst. De eigen accountant kan de aangifte doen op basis van vaststaande feiten, die wij in hoedanigheid van uw adviseur, tot stand hebben gebracht. De accountant voert uit wat een andere NOB of NOVA-adviseur binnen dezelfde beroepsregels heeft opgesteld. Hij draagt daar dus geen beroepsverantwoordelijkheid voor. Is de aangifte zonder vooraf overleg door de accountant niet mogelijk (komt niet veel voor), dan kunnen wij onder onze BECON-regeling de vereiste aangifte doen onder NOB-beroepsregels.

    Voor wie en wanneer?
    Wij worden meestal ingeschakeld door DGA's, vermogenden en MKB-ondernemers bij dossiers met materiële belangen, eenmalige transacties of verhoogd risico, zoals:
    - Vermogensplanning en overdracht aan kinderen (schenken-erven, bedrijfsopvolging)
    - Aan- en verkoop van aandelen (SPA, earn-out, managementparticipatie)
    - Herstructureringen (inbreng, splitsing, fusie, activa/passiva)
    - Box-keuzes en heretikettering: box 3 <-> box 2/Vpb <-> box 1
    - Gebruikelijk loon en samenwerkingsstructuren (o.a. stille maatschap)
    - ZZP-kwalificatie en risico's voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer
    - Bij tegengestelde belangen tussen een of meerdere vennoten en de Vof
    - Bij echtscheidingen voor één van de echtelieden
    - Bij high end juridisch fiscale aangelegenheden, zoals onteigening of omgevingsrecht issues
    - Tegenrapportages op rapporten van rechtsbankdeskundigen.

    Onze aanpak
    Praktisch en uitvoerbaar in de aangiftepraktijk:
    1. Onafhankelijke analyse en positionering
    Routes, randvoorwaarden, risico's en bewijspositie. Wat moet er feitelijk kloppen vóór datum X, en welke stukken/vastlegging zijn nodig (incl. waardering waar relevant).
    2. U maakt een expliciete keuze
    Rust en zekerheid versus meer fiscale optimalisatie met beheerst risico.
    3. Uw eigen adviseur verwerkt dit in de aangifte
    Efficiënt, consistent en op basis van een helder dossier - HT of niet. Back up capaciteit voor het doen van een niet-HT- aangifte.

    Wat levert het op?
    Helderheid voordat keuzes vastklikken in de aangifte
    Een concreet dossier- en stappenplan dat uitvoerbaar is in de praktijk
    Minder kans dat uw HT-adviseur in een knelpositie komt
    Meer grip op risico's, timing en uitkomst
    Check op een optimale belastingdruk, conform wet en andere regelgeving, maar niet teveel.

    Wij leveren second opinions en positioneringsadvies vanuit NOB- en NOVA-discipline. Speelt er in 2025/2026 iets bijzonders? Neem contact op voor een korte intake.

    Lees verder
  • Belastingrente bij te hoge VA (voorlopige aanslag) inkomstenbelasting (IB) 2017–2024: vraag om herziening van de VA binnen de bezwaartermijn van de (definitieve) aanslag IB met code … H.06. Door Wijnkamp Keulers op 22-10-2025

    Door mr W.P. Keulers, belastingadviseur NOB en advocaat-belastingkundige

    Inleiding
    Belastingrente is een vergoeding, die de Belastingdienst rekent wanneer een aanslag niet tijdig wordt vastgesteld of afwijkt van de aangifte. Dit speelt onder andere bij voorlopige aanslagen inkomstenbelasting (VA IB). Als achteraf blijkt dat de VA, na indienen van de aangifte, te hoog was, kan dit leiden tot onterechte belastingrente. Dit wordt niet verrekend met de over dat jaar definitieve aanslag IB. Om de onterechte belastingrente terug te krijgen, moet een apart verzoek tot herziening van de betreffende VA worden gedaan. Let op de termijn, als de definitieve aanslag IB (H.06) is opgelegd, dan moet binnen 6 weken na dagtekening van die aanslag verzoek om herziening zijn gedaan. Als ook de definitieve aanslag te hoog is, bijvoorbeeld omdat op basis van OWR-opgave er toch weer een te hoog rendement volgt, moet natuurlijk ook tegen de definitieve aanslag bezwaar worden gemaakt. Bij twijfel geldt, altijd bezwaar maken … tegen de H.06 bij twijfel over box 3. De fiscus heeft één keer ondanks toezeggingen niet-bezwaarmakers in de kou gezet, laat dat niet nog een keer gebeuren.

    Relevante jaren en rentepercentages
    Jaar Belastingrente IB
    2017 4%
    2018 4%
    2019 4%
    2020 4%
    2021 4%
    2022 4%
    2023 6% (vanaf 1 juli)
    2024 7,5%

    Juridisch kader
    - Artikel 9.5 Wet IB 2001: Geeft de bevoegdheid tot het opleggen van voorlopige aanslagen en regelt het verzoek tot herziening.
    - Artikel 30f t/m 30k AWR: Regelt de belastingrente, waaronder het moment van aanvang, duur en berekening.

    Herziening bij lagere H.06
    Een H.06-beschikking is een definitieve aanslag inkomstenbelasting. Als deze lager uitvalt dan de eerder opgelegde VA, kan dit aanleiding zijn om herziening van de VA te verzoeken. Dit is van belang om onterechte belastingrente te voorkomen.

    Termijn zes weken
    Op grond van artikel 9.5 lid 5 Wet IB 2001 moet het verzoek tot herziening van de VA worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van de H.06. Deze termijn is strikt: een te laat verzoek wordt afgewezen. Het verzoek kan leiden tot vermindering van belastingrente, mits de VA aantoonbaar te hoog was.

    Praktische aandachtspunten
    - Controleer bij ontvangst van een H.06 direct of deze lager is dan de VA.
    - Noteer de dagtekening van de H.06 en dien binnen zes weken een verzoek tot herziening in.
    - Vermeld expliciet dat het verzoek ook ziet op vermindering van belastingrente.
    - Gebruik de wettelijke grondslagen (art. 9.5 Wet IB 2001 en art. 30f–30k AWR) in je verzoek.

    Rente sowieso te hoog, maak bezwaar
    De rente, die de fiscus in rekening brengt, is naar ons oordeel te hoog, de overheid verdient erop en dat is niet de bedoeling. Een lagere rechter heeft al geoordeeld, dat omdat de belastingschulden pas veel later in rechte vaststaan, de handelsrente een veel te hoge maatstaf is. Vooral bij de VpB (10%), maar ook voor de IB (7,5%) is de rente te hoog, zo rond de 3% is nog te verdedigen. Het Ministerie van Financiën blijft volharden om het maximale eruit te persen, daarbij wordt de burger steeds meer in het harnas gejaagd tegen de fiscus, gevolg toenemende kosten en werk om de belastingen geïnd te krijgen.

    Voor belastingrente op definitieve aanslagen VpB vanaf 2022 is een massaal bezwaarprocedure ingesteld. Dit betekent dat individuele bezwaren worden aangehouden totdat de Hoge Raad uitspraak doet. Dit geldt niet voor voorlopige aanslagen, maar wel voor definitieve aanslagen waarbij belastingrente is berekend. Maak hoe dan ook bezwaar, ongeacht welke toezeggingen er worden gedaan, anders zit u ernaast.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook