Header achtergrond
Header achtergrond

Hoge Raad opent deur voor vrijstelling van box 3 heffing, maak bezwaar!

10-07-2019

De Hoge Raad heeft op 14 juni 2019 beslist dat een belastingplichtige, die een buitensporig zware last ondervindt van box 3 (vermogensrendements) heffingen op spaargeld en beleggingen, met succes een beroep kan doen op de verdragsbescherming in het EVRM van eigendom. Dit kan betekenen dat de aanslag met box 3 heffing wordt vernietigd. Er moet wel worden aangetoond dat de belasting een "buitensporig zware last" is voor een belastingplichtige. Dat zal niet zo snel aan de orde zijn, niettemin gaat deze beoordeling verder dan alleen het in aanmerking nemen van de jaarlijkse inkomsten uit box 2 en box 1. Naar onze visie zouden diegenen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van opgespaard vermogen bij uitholling van het vermogen door belastingheffing wel eens een buitensporige last kunnen ondervinden. Daarbij speelt een rol dat box 3 niet een vermogensbelasting is, maar een vermogensrendementsheffing. Het loont de moeite om die discussie met de fiscus nog maar eens aan te gaan, dat kan in de vorm van bezwaar tegen de aanslag IB, ook al zou die volgens de eigen aangifte worden of zijn opgelegd. Ook diegene die in het collectief bezwaar zijn opgenomen moeten opletten, daar blijft ruimte voor een individuele beoordeling, vul indien nodig het bezwaar IB 2013 en 2014 aan op dit punt.

Wet an sich kan niet worden getoetst door de Hoge Raad

Hoewel de Hoge Raad (HR) de box 3 bepalingen in de wet IB om formele redenen niet terzijde kan stellen (de HR kan de wetgever niet corrigeren) en dus de procedures door de appellanten zijn verloren, is de boodschap van de HR onmiskenbaar. De toepassing van de wet op de belastingplichtige kan desgevraagd wel worden getoetst door de rechter.

Rendement spaarrekening kan uitgangspunt zijn

Van een belastingplichtige kan niet worden verlangd, dat hij risicovol belegt in aandelen e.d. op straffe van uitholling van zijn vermogen door de fiscus. Met andere woorden het argument van de minister dat iedereen gemakkelijk 4% rendement kan halen, mits je maar zo slim was en bent om met meer risico te lopen door in aandelen en dergelijke te beleggen, vindt geen steun bij de Hoge Raad. Spaargeld kan best de benchmark zijn en is wel degelijk het uitgangspunt bij de bepaling of de vastgestelde rendementen haalbaar zijn. Dat blijkt in 2013 en 2014 niet het geval geweest te zijn, aldus de HR.

Veeg uit de pan

Het oordeel van de HR is een veeg uit de pan voor de Tweede Kamer, Regering en vooral het Ministerie van Financiën. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad ondanks het afwijzen van het beroep toch zijn overwegingen kenbaar maakt. Dat is uitzonderlijk want in de meeste gevallen worden cassatieberoepen vrijwel ongemotiveerd afgewezen. Het oordeel van de Hoge Raad geeft aan dat de overheid de burgerrechten inzake bescherming van eigendom bij belasting heffen serieus moet gaan nemen. Belasting heffen op basis van ficties heeft zijn grenzen, als het op onteigening gaat lijken, is dat een brug te ver. Bij nader bestuderen van het arrest blijkt dat de Hoge Raad aldus de Belastingdienst een huiswerkopdracht meegeeft, die een fikse werklast voor de fiscus kan gaan opleveren.

Pyrrusoverwinning fiscus

De Hoge Raad zet dus, hoewel de procedures door de belastingplichtigen zijn verloren, in zijn motivering de deur wijd open voor iedere belastingplichtige om met kans op succes bezwaar te maken en zijn individuele positie ter beoordeling voor te leggen. Dat geldt dus ook voor de bezwaren, die nu lopen over 2013 en 2014, deze arresten (er waren zes proefprocedures in het kader van massaal bezwaar) betekenen dus niet "einde verhaal", ga dus niet akkoord met een afwijzing van de inspecteur op basis van deze arresten. De al gemaakte bezwaren zullen wel moeten worden aangevuld en ook nieuwe bezwaren zullen inhoudelijk goed gemotiveerd moeten zijn. Dat moet op basis van feiten en omstandigheden, die een belastingplichtige zelve aangaan. Het gaat er dus om dat ieder voor zich in zijn geval aantoont dat sprake is van een buitensporig zware last. De vraag is wat onder een "buitensporig zware last" moet worden verstaan, hoe dan ook is dat voor iedereen verschillend. Je zou denken dat dit bij vermogende, dus "rijke" mensen niet zo snel aan de orde is. De Hoge Raad lijkt aan de hand van de inkomsten uit andere bronnen in een bepaald jaar te willen beoordelen.

Niettemin gaat het mogelijk toch verder dan de jaarlijkse inkomsten. Houd in de gaten dat box 3 geen vermogensbelasting is, maar een rendementsheffing, we belasten dus niet de bron van inkomen maar genormeerd rendement op vermogen. Waar in de Wet IB 1964 alleen inkomen uit vermogen werd belast wordt nu, wet IB 2001, vermogensrendement belast, dus inkomen en waardevermeerdering tezamen. Die tezamen worden op 4% van de waarde van het vermogen op 1 januari van het jaar bepaald.

Vermogen met een doel, buitensporige last

Als sprake is van vermogen met een doel, bijvoorbeeld pensioen of lijfrenteuitkeringen of om in levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld na het toegebracht zijn van letsel, dan zou de instandhouding van dit vermogen mede worden bepaald door sterftekansen, (reken)rente en eventuele kostenopslagen om van indexeringen nog maar te zwijgen. Er gloort dan een bekende discussie, …, juist ja ..., de discussie over werknemerspensioenen.

Vermogensrendement
Als rendement zou bestaan uit rente en vermogenswinst, dan is de vraag wat er moet gebeuren bij negatief rendement. Zou niet sprake kunnen zijn van een "buitensporig zware last" als het vermogen niet (meer) voldoende is, om het doel te kunnen vervullen waarvoor het vermogen in stand gehouden moet worden.

Stel nu, dat iemand die geen of onvoldoende pensioen heeft en na zijn werkzaam leven zal moeten leven van zijn vermogen en pakweg 48 jaar is, en hij heeft € 500.000 gespaard o.i.d. Wat zou daar dan van over zijn als hij op 68-jarige leeftijd AOW krijgt. Alsdan zou de combinatie geen rente, inflatie en 1,34 % - 1,68% bij vermogens boven pakweg € 160.000 tot een uitholling leiden van ca 1% per jaar. Bij een vermogen van € 500.000 bedraagt de uitholling € 140.000 door het inmiddels progressieve tarief in box 3, dit alles bij ca 2% inflatie per jaar gedurende de 20 jaar.

Om deze uitholling op te vangen moet dus 1% van € 500.000 dus € 5.000 extra worden gespaard van het netto-inkomen om de vermogensachteruitgang te stoppen. Let wel, voor die € 5.000 extra sparen moet eerst bruto-inkomen worden verdiend en voorts wordt de besparing ook nog weer extra belast in box 3. Dit alles zou bij een vermogen op 48-jarige leeftijd een cumulatieve "rekenrente" opleveren van 3,34% - 3,68% per jaar en wel het eerste jaar bij € 500.000 ca 3,5% ofwel € 17.500 van het netto- inkomen.

Dit is maar een ruw rekenvoorbeeld, er zijn complexere denkbaar. Niettemin is duidelijk dat sparen met als doel het vormen of in standhouden van vermogen als appel voor de dorst erg duur is geworden. Het was al duidelijk dat het kapitaaldekking-stelsel van onze werknemerspensioenen achterhaald is, en daar is bovendien nog sprake van uitgestelde belastingheffing. Niet het vermogen (aanspraak) wordt belast, maar de uitkering en voorts is er beperkte heffing van VpB op de rendementen. In vergelijking tot particulier box 3-vermogen rendeert pensioenkapitaal nagenoeg bruto, terwijl bij particulier vermogen de rendementsgrondslag jaarlijks vermindert.

Hoge Raad … buitensporige last kan betekenen dat box 3 heffing moet worden verminderd

Als inflatie en box 3 vermogen uithollen, zoals nu al jaren het geval is, dan zou de instandhouding van vermogen met 0% rente na cumulatieve jaarlijkse belastingheffing en inflatie mede de benchmark moeten kunnen zijn voor "buitensporige last".

Als de Hoge Raad dan ook nog zou meegaan met de afweging dat vermogensopbouw met een vergelijkbare systematiek als bij opbouw van pensioen en lijfrente, noodzakelijk is voor diegenen die niet via arbeid in dienstbetrekking via de werkgever pensioen kunnen opbouwen, dan zijn de rapen voor het Ministerie van Financiën gaar. Het gevaar voor de schatkist dreigt dat de pensioendiscussie en uitstel van AOW en lage bejaardentarieven in de IB, via de toets "buitensporig zware last" ertoe kunnen leiden dat vermogen met als doel "levensonderhoud" voor de oude dag pas kan worden belast als er een normaal noodzakelijk rendement is gehaald met inachtneming van sterftekansen, positie partner en rekenrente. Kortom het vermogen wordt dan tegenover behoefte (te vergelijken met de verplichting van een pensioenuitvoerder of lijfrenteverzekeraar) geplaatst.

Daarmee zou het Ministerie van Financiën het eigen argument dat verlaging van AOW en uitstel van het bejaardentarief in de IB noodzakelijk is om de vergrijzing betaalbaar te houden als een boomerang terug zien komen.

* Overigens kennen we nu al voor bepaalde vermogensbestanddelen lagere rendementsgrondslagen. Zo wordt voor regulier verpachte landbouwgrond slechts 50% (recent verhoogd naar 60%) van de waarde in onverpachte staat aangehouden als grondslag, dit omdat bij verpachting sprake is van onder rendement doordat maximale pacht op basis van normen met een wettelijke grondslag is vastgesteld. Deze regeling is in feite in strijd met doel en strekking van de wet IB 2001, omdat niet alleen naar de inkomsten moet worden gekeken maar ook naar de waardestijging van de (verpachte) grond. Anders dan bij vermogen dat liquide wordt gehouden is landbouwgrond sterk in waarde gestegen sinds 2001.

Teleurstelling niet terecht

In de media en vooral de kranten overheerst de teleurstelling over de uitkomst van de arresten van de Hoge Raad, dat lijkt mij niet terecht. Voor de creatieve fiscalist valt er bij de aangifte IB heel wat te winnen als het vinkje wordt aangekruist dat over box 3 een expliciet standpunt wordt gevraagd en/of er bezwaar wordt gemaakt en wordt gesteld dat de vermogensuitholling te veel lasten met zich meebrengt. Als de inspecteur negatief oordeelt of zich al te makkelijk vanaf maakt, dan zijn er kansen bij de rechter. Goed motiveren en goed duidelijk maken dat het in dit geval toch "echt" een buitensporige zware last oplevert, is nodig, weliswaar niet makkelijk, maar geenszins een kansloze exercitie. Kortom, wij verwachten veel discussie met de inspecteurs over box 3, dat worden dus flinke vertragingen voor de fiscus bij de aanslagregeling, die zal daar niet blij mee zijn.

Tot slot

Enig leedvermaak ten opzichte van het Ministerie van Financiën is niet te onderdrukken, boontje komt om zijn loontje. Slechte onrechtvaardige wetgeving leidt tot weerstand. Dit is het enige verzet dat ouderen, zelfstandigen en diegenen die moeten leven van vermogen kunnen bieden tegen te hoge belastingdruk. De tariefverandering, die onlangs door verandering in de wet IB tot stand is gebracht, was halfhartig en is onvoldoende. Ik heb geen medelijden met de forse werklast die voor de fiscus ontstaat, het Ministerie van Financiën had al lang met iets anders moeten komen.
"Frappez … frappez" lijkt de enige mogelijkheid te zijn om Den Haag tot verandering van inzicht te brengen. Het is jammer dat het niet anders blijkt te kunnen, deze Hoge Raad uitspraken helpen niettemin.~~

Laatste nieuws

  • Nieuw Box 3-besluit: let bij nalatenschappen ook op oude belastingjaren Door Wijnkamp Keulers op 04-09-2026

    Op 4 september 2026 heeft de staatssecretaris van Financiën een nieuw Box 3-besluit gepubliceerd. Het besluit actualiseert het beleid vanwege de wettelijke tegenbewijsregeling, waardoor belastingplichtigen onder omstandigheden belasting kunnen betalen over hun lagere werkelijke rendement in plaats van over het forfaitaire rendement. Daarbij doet zich meteen een belangrijke vraag voor: geldt het nieuwe en op onderdelen gunstigere beleid ook voor eerdere jaren, of blijft voor de box 3-peildata 1 januari 2025 en 1 januari 2026 het oude besluit van 7 mei 2024 gelden?

    Het nieuwe besluit treedt formeel pas in werking op de dag na publicatie en trekt op dat moment het oude besluit in. Dat betekent dat op 1 januari 2025 en 1 januari 2026 formeel het oude besluit gold. Maar daarmee is de kwestie niet volledig beslist. Juist bij erfrechtelijk vruchtgebruik bepaalt het nieuwe besluit dat de defiscalisering met terugwerkende kracht tot de datum van overlijden kan plaatsvinden. Voor nog openstaande aanslagen en nalatenschappen, die vóór september 2026 zijn opengevallen, verdient het daarom aanbeveling te onderzoeken of ook een beroep op het nieuwe, gunstigere beleid kan worden gedaan.

    Waarom een nieuw Box 3-besluit?
    Het besluit uit 2024 was geschreven voordat de huidige wettelijke tegenbewijsregeling volledig in de box 3-heffing was verwerkt. Die regeling maakt het mogelijk dat, wanneer het werkelijke rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement, uiteindelijk dat lagere werkelijke rendement wordt belast.

    Het nieuwe besluit maakt daarom uitdrukkelijk onderscheid tussen de forfaitaire berekening en de berekening van het werkelijke rendement.

    Dat is vooral van belang, omdat een aantal bestaande fiscale goedkeuringen oorspronkelijk uitsluitend was geschreven vanuit de jaarlijkse peildatum van 1 januari. Bij werkelijk rendement wordt echter ook gekeken naar wat gedurende het jaar daadwerkelijk met het vermogen gebeurt.

    Het nieuwe besluit is overigens geen nieuwe belastingwet. De staatssecretaris baseert het besluit onder meer op artikel 4:81 Awb en artikel 63 AWR, de zogenoemde hardheidsclausule. Op verschillende punten wordt daarmee voor belastingplichtigen een gunstiger behandeling toegestaan dan uit een strikte toepassing van de belastingwet zou volgen.

    Vooral op het gebied van erfrecht en vruchtgebruik is dat belangrijk.

    De wettelijke verdeling en box 3
    Wanneer iemand overlijdt met achterlating van een echtgenoot en kinderen en de wettelijke verdeling van toepassing is, verkrijgt de langstlevende echtgenoot in beginsel de goederen van de nalatenschap. De kinderen krijgen daarvoor geldvorderingen op de langstlevende.

    Voor box 3 bestaat hiervoor een bijzondere wettelijke regeling. Die voorkomt dat hetzelfde economische vermogen zowel bij de langstlevende als bij de kinderen in de heffing wordt betrokken.

    Het nieuwe Box 3-besluit bevestigt daarbij dat ook een renteloze geldvordering van een kind op de langstlevende onder de bijzondere regeling van artikel 5.4 Wet IB 2001 kan vallen, mits binnen de regels van het Burgerlijk Wetboek geldig is bepaald of overeengekomen dat de vordering renteloos is.

    Dat maakt ook duidelijk dat bij de afwikkeling van een nalatenschap de formulering van de kindsdelen en eventuele renteafspraken niet alleen voor de erfbelasting van belang is. Zij kunnen ook invloed hebben op de box 3-positie van de erfgenamen.

    Vruchtgebruik: belangrijkste wijziging
    Van groter praktisch belang is de regeling voor erfrechtelijk vruchtgebruik.

    Een testament kan bijvoorbeeld bepalen dat de kinderen vermogen erven, maar dat de langstlevende ouder daarvan het vruchtgebruik krijgt. De kinderen zijn dan bloot eigenaar; de langstlevende mag het vermogen gebruiken of ontvangt de opbrengsten daarvan.

    Artikel 5.4 Wet IB 2001 kent voor bepaalde erfrechtelijke vruchtgebruik-situaties een zogenoemde defiscalisering. Daarbij wordt de volledige waarde van het betreffende vermogen voor box 3 aan de vruchtgebruiker toegerekend en wordt de waarde van de bloot eigendom niet bij de kinderen belast.

    Daarvoor moet het vruchtgebruik juridisch zijn gevestigd.

    En juist dat levert in de praktijk regelmatig problemen op.

    Afwikkeling van een nalatenschap kost tijd

    Een nalatenschap is lang niet altijd binnen enkele maanden afgewikkeld. Eerst moet worden vastgesteld welke goederen en schulden aanwezig zijn. Woningen, ondernemingen of aandelen moeten mogelijk worden gewaardeerd. Ook kunnen tussen erfgenamen discussies bestaan over de uitleg of uitvoering van het testament.

    De formele - veelal notariële - vestiging van het vruchtgebruik kan daardoor pas later plaatsvinden.

    Zonder bijzondere regeling zou de box 3-defiscalisering dan ook pas vanaf die juridische vestiging gelden.
    De staatssecretaris heeft daarvoor al langer een tegemoetkoming.

    Onder het Box 3-besluit van 7 mei 2024 mocht de defiscalisering, wanneer het vruchtgebruik binnen twee jaar na overlijden werd gevestigd, terugwerken tot de eerste box 3-peildatum na het overlijden. Dat staat uitdrukkelijk in het oude besluit.

    Het nieuwe besluit gaat verder.

    Nu terugwerking tot de overlijdensdatum
    Het besluit van 4 september 2026 bepaalt dat de defiscalisering met toepassing van artikel 63 AWR kan terugwerken tot de datum van overlijden van de erflater, mits het vruchtgebruik binnen twee jaar na overlijden daadwerkelijk wordt gevestigd.

    Dat verschil is belangrijk.

    Onder het oude forfaitaire stelsel draaide box 3 vrijwel geheel om de toestand op 1 januari. Terugwerking bijvoorbeeld van 1 januari naar 1 juli van het voorafgaande jaar had daardoor doorgaans weinig invloed op die forfaitaire peildatumheffing.

    Met de tegenbewijsregeling kan echter het werkelijke rendement gedurende het kalenderjaar bepalend zijn. Dan wordt ook relevant wie vanaf het overlijden fiscaal gerechtigd is tot rente, dividend, huurinkomsten en waardeveranderingen.

    Stel dat vader op 1 april overlijdt. Moeder krijgt volgens het testament het vruchtgebruik van een omvangrijke effectenportefeuille en de kinderen verkrijgen de bloot eigendom. Het vruchtgebruik wordt pas het volgende jaar formeel gevestigd.

    Onder het oude besluit lag de nadruk op de eerste box 3-peildatum na het overlijden. Het nieuwe besluit maakt het mogelijk de fiscale defiscalisering al vanaf 1 april, de overlijdensdatum, te laten gelden.

    Juist wanneer voor het betreffende jaar het werkelijke rendement wordt berekend, kan dat een belangrijk verschil maken.

    Geldt dit ook voor overlijdens vóór september 2026?
    Dat is naar onze mening een punt waarop belastingplichtigen alert moeten zijn.

    Het nieuwe besluit kent geen algemene bepaling, die zegt dat het gehele besluit met terugwerkende kracht geldt. Integendeel: het treedt formeel pas in werking op de dag na publicatie. Op 1 januari 2025 en 1 januari 2026 gold dus het besluit van 2024. Het oude besluit trad in mei 2024 in werking en bleef van kracht totdat het nieuwe besluit het introk.

    Maar de nieuwe erfrechtelijke goedkeuring bevat zélf uitdrukkelijk terugwerkende kracht tot de overlijdensdatum.

    Daarom zou bij nog niet definitief vaststaande aanslagen over 2025 en 2026, bezwaarprocedures en nalatenschappen die vóór 5 september 2026 zijn opengevallen, niet zonder meer moeten worden aangenomen, dat uitsluitend het oude beleid kan worden toegepast.

    Voor belastingplichtigen is het naar onze mening verstandig de gunstigere regeling uitdrukkelijk te claimen wanneer deze tot een lagere belastingheffing leidt. Of dat beroep in alle oudere gevallen wordt gehonoreerd, volgt niet ondubbelzinnig uit het besluit en kan uiteindelijk een juridisch discussiepunt zijn.

    Dat maakt het des te belangrijker om reeds ingediende aangiften bij grotere nalatenschappen opnieuw te bekijken.

    Niet automatisch kiezen voor defiscalisering
    Een goedkeuring is bovendien niet automatisch voor iedere familie fiscaal optimaal.

    Door de defiscalisering wordt het vermogen voor box 3 bij de vruchtgebruiker in aanmerking genomen en niet bij de bloot eigenaren. Maar de langstlevende en de kinderen kunnen ieder ander vermogen hebben en ook hun werkelijke rendement kan sterk verschillen.

    Bij grotere nalatenschappen moet daarom worden gekeken naar:
    • het box 3-vermogen van de langstlevende;
    • het vermogen van ieder van de kinderen;
    • het forfaitaire rendement;
    • het werkelijke rendement;
    • de inkomsten en waardemutaties na overlijden;
    • en de totale belastingdruk binnen de familie.

    Het fiscaal voordeligste resultaat voor de langstlevende hoeft niet het fiscaal voordeligste resultaat voor de familie als geheel te zijn.

    Belastingschulden: inkomstenbelasting normaal niet aftrekbaar
    Het Box 3-besluit bevat daarnaast een belangrijke praktische regeling voor inkomstenbelasting.

    De wettelijke hoofdregel is streng. Artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat belastingschulden in beginsel niet als schulden in box 3 worden meegenomen. De belangrijke uitzondering is de erfbelastingschuld. Het nieuwe besluit noemt deze wettelijke hoofdregel eveneens uitdrukkelijk.

    Een inkomstenbelastingschuld kan dus normaal gesproken niet als box 3-schuld worden afgetrokken.

    Stel dat iemand op 1 januari € 300.000 aan spaargeld bezit, terwijl hij € 100.000 inkomstenbelasting moet betalen. Wanneer die € 100.000 op 1 januari nog op zijn bankrekening staat, behoort in beginsel de volledige € 300.000 tot zijn banktegoeden in box 3. De verschuldigde inkomstenbelasting kan niet als schuld worden afgetrokken.

    Daarvoor bestaat een belangrijke beleidsmatige uitzondering.

    Vraag de voorlopige aanslag tijdig aan
    Wanneer de belastingplichtige tijdig om een voorlopige of nadere voorlopige aanslag inkomstenbelasting heeft gevraagd, maar de Belastingdienst de aanslag zo laat oplegt dat betaling vóór 1 januari redelijkerwijs onmogelijk is, staat de staatssecretaris toe dat het bedrag van de banktegoeden wordt verminderd.

    Een verzoek is volgens het besluit tijdig wanneer het ten minste acht weken vóór het einde van het kalenderjaar is ingediend. Wordt gebruikgemaakt van een ingediende aangifte, dan geldt een termijn van dertien weken.

    Bij een bankrekening van € 300.000 en een tijdig aangevraagde maar te laat opgelegde voorlopige aanslag van € 100.000 kan daardoor voor de forfaitaire box 3-berekening in beginsel worden uitgegaan van € 200.000 aan banktegoeden.

    Juridisch wordt de belastingschuld dus niet alsnog aftrekbaar gemaakt. De goedkeuring werkt aan de andere kant van de balans: het banktegoed mag lager worden aangegeven.

    Bij werkelijk rendement blijft de rente belast
    Het nieuwe besluit verduidelijkt vervolgens dat deze tegemoetkoming niet zonder meer doorwerkt naar de tegenbewijsregeling.

    Wanneer over het geld zolang het nog op de bankrekening staat daadwerkelijk rente wordt ontvangen, blijft die rente onderdeel van het werkelijke rendement.

    Dat betekent dat voor box 3 steeds twee berekeningen moeten worden onderscheiden:
    de forfaitaire berekening, waarbij onder voorwaarden gebruik kan worden gemaakt van de vermindering van de banktegoeden, en
    de berekening van het werkelijke rendement, waarbij de werkelijk ontvangen rente blijft meetellen.
    Voor schenkbelasting kent het besluit een vergelijkbare tegemoetkoming wanneer tijdig aangifte is gedaan maar de Belastingdienst de aanslag niet tijdig heeft opgelegd.

    Laat ook bestaande nalatenschappen opnieuw beoordelen
    Het Box 3-besluit van 4 september 2026 is daarom niet alleen van belang voor toekomstige nalatenschappen.

    Juist bij een overlijden in 2024, 2025 of 2026, waarbij sprake is van vruchtgebruik, bloot eigendom of aanzienlijke box 3-vermogens kan aanleiding bestaan om eerdere aangiften en nog openstaande aanslagen opnieuw te beoordelen.

    Daarnaast moet vóór ieder jaareinde worden bekeken of nog inkomstenbelasting verschuldigd zal zijn en of het verstandig is tijdig een voorlopige aanslag aan te vragen.

    Bij grotere nalatenschappen adviseren wij daarom om erfbelasting, testamentaire rechten en box 3 niet afzonderlijk, maar gezamenlijk te beoordelen. Een tijdige keuze, juiste juridische vastlegging en een beroep op de voor de belastingplichtige gunstigste wettelijke of beleidsmatige regeling kan voorkomen dat onnodig inkomstenbelasting wordt betaald.

    Ik heb de overgangsvraag bewust niet als reeds uitgemaakte zaak gepresenteerd: het oude besluit gold formeel op 1 januari 2025 en 1 januari 2026, terwijl de nieuwe goedkeuring zelf een verdergaande terugwerking formuleert. Dat geeft naar mijn oordeel de sterkste en juridisch meest zorgvuldige commerciële boodschap: oudere, nog openstaande dossiers opnieuw beoordelen en de gunstige regeling claimen waar dat verdedigbaar is.

    Lees verder
  • Eén erfgenaam werkt niet mee bij een nog lopende fiscale procedure van een overledene: einde van de fiscale procedure? Door Wijnkamp Keulers op 04-09-2026

    Na een overlijden moet vaak meer worden afgewikkeld dan alleen de nalatenschap. Er kunnen ook nog belastingzaken lopen. Denk aan een geschil over inkomstenbelasting, box 3, een WOZ-waarde of een andere fiscale beschikking. Dat kan ingewikkeld worden als de erfgenamen het onderling niet eens zijn.

    Een veel voorkomende vraag is dan: kan één erfgenaam door niet mee te werken voorkomen dat bezwaar, beroep of hoger beroep wordt voortgezet?

    Het antwoord is: niet zonder meer. Maar juist omdat de regels voor bezwaar en beroep niet volledig gelijk zijn, is snel en zorgvuldig handelen belangrijk.

    Eén erfgenaam kan fiscaal veel regelen
    Artikel 44 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft een praktische regeling voor belastingzaken na overlijden. De erfgenamen volgen de overledene op in diens fiscale positie. Eén van hen kan daarbij namens de erfgenamen optreden bij de uitoefening van fiscale rechten en verplichtingen.

    Dat betekent bijvoorbeeld dat niet voor ieder contact met de Belastingdienst eerst alle erfgenamen een afzonderlijke machtiging hoeven te ondertekenen.

    Ook bezwaar tegen een belastingaanslag kan daardoor in beginsel door één erfgenaam worden gemaakt.
    Dat is logisch. Zonder zo’n regeling zou één erfgenaam de fiscale afwikkeling van een nalatenschap eenvoudig kunnen blokkeren door nergens aan mee te werken.

    Bij beroep voor de rechter ligt het ingewikkelder
    Zodra een belastingzaak bij de rechtbank, het gerechtshof of de Hoge Raad komt, gelden strengere eisen.
    De Hoge Raad besliste op 2 oktober 2020 dat een cassatieberoep niet-ontvankelijk was omdat niet voldoende kon worden vastgesteld dat de gemachtigde namens alle erfgenamen optrad.
    Dat arrest betekent dat men bij een gerechtelijke procedure niet zonder meer kan volstaan met de mededeling dat één erfgenaam namens “de erven” handelt.

    Er moet duidelijk zijn:
    • wie de erfgenamen zijn;
    • namens wie wordt geprocedeerd;
    • en waarop de bevoegdheid van de persoon die de procedure voert is gebaseerd.

    Dat verschil tussen optreden tegenover de Belastingdienst en procederen bij de belastingrechter is ook in de fiscale literatuur gesignaleerd. Onder anderen mr. D.J.E. de Kruijf bespreekt dit in het NL Fiscaal-commentaar bij artikel 44 AWR. E.D. Postema wees in NTFR 2021/2908 eveneens op de problematische positie, die kan ontstaan wanneer erfgenamen onderling verdeeld zijn.

    Een oude volmacht kan verrassend belangrijk zijn
    Een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2019 laat zien dat een dwarsliggende erfgenaam niet automatisch een procedure kan blokkeren.

    In die zaak waren vier erfgenamen. Eén van hen verleende geen afzonderlijke machtiging voor de belastingprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk.
    Het gerechtshof corrigeerde dat oordeel.

    Er bestond namelijk al een oudere volmacht waarbij één van de erfgenamen door alle overige erfgenamen was gemachtigd om de nalatenschap te beheren. Volgens het hof kan tot dat beheer ook behoren:
    • bezwaar maken tegen belastingaanslagen;
    • beroep instellen;
    • en verdere rechtsmiddelen gebruiken.

    Omdat de bestaande volmacht voldoende ruim was en rechtsmiddelen niet waren uitgesloten, hoefde niet voor iedere procedure opnieuw toestemming aan alle erfgenamen te worden gevraagd.
    Dat is in de praktijk een belangrijk aandachtspunt.

    Een volmacht, die jaren eerder bij de afwikkeling van een nalatenschap is opgesteld, kan dus later van grote betekenis blijken voor een fiscale procedure.

    Laat een beroepstermijn nooit verlopen door familieruzie
    Het grootste praktische risico ontstaat wanneer er al een uitspraak van de rechtbank ligt.
    Voor hoger beroep geldt in de regel een termijn van zes weken. Het is onverstandig om die termijn te laten verstrijken, terwijl erfgenamen nog discussiëren over een machtiging.

    De veiligste aanpak is doorgaans dat de erfgenamen, die wél willen procederen, tijdig het rechtsmiddel instellen en duidelijk aangeven in welke hoedanigheid zij optreden.

    Daarna kan worden beoordeeld welke aanvullende documenten nodig zijn, bijvoorbeeld:
    • een verklaring van erfrecht;
    • een bestaande boedel- of beheersvolmacht;
    • een testament;
    • eerdere afspraken tussen erfgenamen;
    • of andere stukken waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt.

    Een discussie over de vraag wie de nalatenschap in rechte mag vertegenwoordigen is immers iets anders dan een beroep dat definitief verloren gaat omdat niemand binnen zes weken iets heeft gedaan.

    Heeft één erfgenaam dan een vetorecht?
    Niet zonder meer.
    Het fiscale procesrecht kent formele regels, die serieus moeten worden genomen. Maar daaruit volgt niet automatisch dat iedere erfgenaam bij ieder rechtsmiddel opnieuw zijn toestemming moet geven.
    Vooral wanneer al eerder een ruime beheersvolmacht is afgegeven, kan die bevoegdheid ook het voeren van belastingprocedures omvatten.

    Daarnaast hebben erfgenamen een rechtstreeks financieel belang bij een juiste fiscale afwikkeling. Een te hoge belastingaanslag verlaagt immers het vermogen dat uiteindelijk binnen de nalatenschap beschikbaar is.

    Ons advies: controleer volmachten en termijnen direct
    Bij fiscale procedures na overlijden moet daarom snel worden vastgesteld:
    wie erfgenaam is, welke procedures lopen, welke termijnen gelden en welke volmachten al bestaan.

    Juist bij onenigheid tussen erfgenamen is het onverstandig eerst af te wachten of iedereen alsnog tot overeenstemming komt.

    Een tijdig ingestelde procedure kan later juridisch worden onderbouwd. Een verstreken beroepstermijn is vaak niet meer te herstellen.

    Heeft u te maken met een lopende belastingprocedure na een overlijden, een erfgenaam die niet meewerkt of onduidelijkheid over een oude volmacht? Dan is het verstandig om de procespositie en de lopende termijnen direct te laten beoordelen.

    Lees verder
  • Btw-verlegging bij agrarisch loonwerk: BTW verlegd of gewoon facturen met BTW blijven hanteren? Door Wijnkamp Keulers op 03-09-2026

    Sinds 16 april 2026 hanteert de Belastingdienst een nieuw standpunt over de btw-verleggingsregeling bij agrarisch loonwerk. Voor onder-aannemers van loonwerk geldt dat er geen BTW op de factuur vermeld mag worden, maar "BTW verlegd" moet worden vermeld. Vooral de positie van partijen in de keten is beslissend, regulier aanneming van werk blijft ongewijzigd, bij onder-aanneming is het oppassen.

    Nieuw Kennisgroepstandpunt sinds 16 april 2026
    In Kennisgroepstandpunt KG:210:2026:2 stelt de Belastingdienst dat de verleggingsregeling kan gelden voor agrarische loonwerkzaamheden die in onderaanneming worden uitgevoerd. Genoemd worden onder meer toppen, draaien en oogsten van gewassen in de volle grond, frezen en spitten en het schoonspuiten en krijten van kassen. De Kennisgroep beschouwt gewassen in de volle grond samen met de grond als onroerend en ziet deze werkzaamheden als fysieke werkzaamheden aan een onroerende zaak.

    Wat zegt de wettelijke regeling?
    De hoofdregel van artikel 12 Wet op de omzetbelasting 1968 is dat de ondernemer die de prestatie verricht de btw verschuldigd is. Artikel 12, vijfde lid, maakt daarop een uitzondering mogelijk. Voor onderaanneming is deze uitzondering uitgewerkt in artikel 24b Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

    Artikel 24b ziet op de aannemer die een werk van stoffelijke aard aan onroerende zaken of schepen uitvoert en op de onderaannemer die zo'n werk geheel of gedeeltelijk voor hem uitvoert. De onderaannemer verlegt de btw naar de aannemer. Besteedt hij zelf weer werk uit, dan geldt hij tegenover zijn eigen onderaannemer als aannemer. De verlegging kan dus door meerdere schakels lopen. Ook een eigenbouwende boer of tuinder wordt met een aannemer gelijkgesteld.

    De wet kent uitzonderingen. De regeling geldt onder meer niet wanneer het werk geheel of grotendeels op de vestigingsplaats van de onderaannemer wordt uitgevoerd of wanneer de werkzaamheden ondergeschikt zijn aan de verkoop van een bestaande zaak.

    Tuinder of landbouwer: meestal een factuur mét btw
    Schakelt een tuinder of landbouwer rechtstreeks een loonwerkbedrijf in en is hij slechts opdrachtgever, dan factureert het loonwerkbedrijf in beginsel gewoon mét btw. Artikel 24b werkt primair in de verhouding tussen onderaannemer en aannemer.

    Dat kan anders zijn wanneer de agrarisch ondernemer zelf als eigenbouwer kwalificeert. Daarvoor is meer nodig dan het feit dat het werk op het eigen bedrijf wordt verricht; de technische en organisatorische rol is bepalend. Een rechtstreeks aan een tuinder of landbouwer gerichte factuur met “btw verlegd” moet daarom niet automatisch worden geaccepteerd.

    Hetzelfde geldt voor een landbouwer die loonwerk voor een buurman verricht. Werkt hij rechtstreeks voor die buurman als gewone opdrachtgever, dan is normale btw in beginsel de hoofdregel. Verricht hij daarentegen als ZZP'er (onderaannemer) een deel van een door een loonwerkbedrijf aangenomen werk, dan kan verlegging wel aan de orde zijn.

    Loonwerker en ZZP’er: verlegging kan door de keten lopen
    Een ZZP-loonwerker, die voor een loonwerkbedrijf een deel van het in KG:210:2026:2 bedoelde werk uitvoert, moet volgens de Belastingdienst de btw verleggen. Dat een ZZP'er met een eigen trekker, machine of werktuig werkt, verhindert dit op zichzelf niet. Beslissend is of hij daadwerkelijk een deel van het werk in onderaanneming uitvoert. Zuivere verhuur van een machine zonder uitvoering van het werk moet afzonderlijk worden beoordeeld.

    Juridische spanning tussen de standpunten van 2025 en 2026
    Opvallend is dat KG:210:2026:2 niet goed aansluit op het nog gepubliceerde KG:210:2025:11. In 2025 stelde dezelfde Kennisgroep uitdrukkelijk dat de verleggingsregeling van artikel 24b beperkt is tot bouw, metaalconstructiebouw voor onroerende constructies en scheepsbouw. In 2026 wordt agrarisch loonwerk in onderaanneming daarentegen wel onder de regeling gebracht, zonder dat die eerdere sectorbeperking expliciet wordt ingetrokken.

    Het nieuwe standpunt beroept zich op een ruime uitleg van “werk van stoffelijke aard”, beleid voor hoveniers en schoonmaakbedrijven en artikel 199 Btw-richtlijn. Dat artikel noemt bouwwerkzaamheden, waaronder herstel, schoonmaak, onderhoud, aanpassing en sloop van onroerend goed. Of normale teelt-, oogst- en jaarlijkse grondbewerkingswerkzaamheden daar steeds onder vallen, is juridisch niet vanzelfsprekend.

    Praktisch advies: volg het standpunt, maar leg het voorbehoud vast
    Zolang KG:210:2026:2 als gepubliceerd standpunt geldt, adviseren wij in feitelijk passende onderaannemingssituaties de verleggingsregeling in beginsel te volgen. Een Kennisgroepstandpunt vormt volgens de Belastingdienst een vaste gedragslijn en is bindend voor de inspecteur. Volgen daarvan is daarom praktisch de veiligste route, met behoud van het juridische voorbehoud.

    Bij verlegging vermeldt de leverancier geen btw-bedrag, maar “btw verlegd” en het btw-identificatienummer van de afnemer. De leverancier neemt de omzet op in rubriek 1e. De afnemer geeft de verlegde btw aan in rubriek 2a en kan deze, voor zover aftrekgerechtigd, in rubriek 5b als voorbelasting aftrekken.

    Indien de verleggingsregeling verplicht van toepassing was maar er is toch met BTW gefactureerd door de onderaannemer dan kan de opdrachtgever aansprakelijk worden gesteld voor niet afgedragen BTW. Want:
    • de hoofdaannemer had eigenlijk de verlegde btw moeten aangeven;
    • de door de ZZP'er gefactureerde btw kan door de Belastingdienst als ten onrechte in rekening gebrachte btw worden beschouwd;
    • daardoor kan de aftrek van voorbelasting worden geweigerd.
    In dat geval kan de Belastingdienst alsnog naheffen bij de hoofdaannemer voor de btw die had moeten worden verlegd, eventueel vermeerderd met rente.
    In de praktijk wordt meestal gekeken of de schatkist schade heeft geleden. Als:
    • de ZZP'er de btw heeft afgedragen; én
    • de hoofdaannemer volledig aftrekgerechtigd is,
    dan ontstaat materieel geen belastingverlies. Dat vermindert vaak het feitelijke risico, maar wettelijk blijft de facturering onjuist. Eigenlijk moet de accountant in zo'n geval overwegen of een post "te betalen BTW" in de jaarrekening voor IB en VpB moet worden opgenomen, dat hangt af van het verhaal dat de opdrachtgever aan de fiscus biedt.

    Leg daarom per opdracht vast wie aannemer en onderaannemer is, welke werkzaamheden worden uitgevoerd en waarom wel of niet wordt verlegd. Bij teelt in steenwol, substraat, potten of goten, beperkte btw-aftrek, machineverhuur, rechtstreekse facturering aan de agrariër en twijfel over eigenbouwerschap is afzonderlijke beoordeling verstandig. Voor tijdvakken vóór 16 april 2026 kan niet zonder meer op het nieuwe Kennisgroep-standpunt worden teruggevallen.

    Bronnen
    • KG:210:2026:2, Reikwijdte verleggingsregeling; loonwerk, Belastingdienst, 16 april 2026.
    • KG:210:2025:11, Reikwijdte verleggingsregeling, Belastingdienst, 20 juni 2025.
    • KG:206:2024:2, Kennisgroepstandpunten en (nieuw) beleid, Belastingdienst, 5 november 2024.
    • Wet op de omzetbelasting 1968, artikel 12, in het bijzonder lid 5.
    • Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, artikel 24b.
    • Btw-richtlijn 2006/112/EG, artikel 199.
    • Belastingdienst, Rolverdeling bij onderaanneming en personeel uitlenen en toelichting btw-aangifte.

    Lees verder
  • Advocaat-generaal bij de Hoge Raad slaat de plank mis bij beoordeling overname Fagoed-financiering Door Wijnkamp Keulers op 27-07-2026

    Een agrariër, die een bestaande Fagoed-financiering overneemt, mag deze volgens advocaat-generaal Koopman niet als financiering verwerken en dat terwijl de verkopende agrariër dat wel mocht. Het rare gevolg is dat voor dezelfde set van rechten en plichten, die integraal wordt overgenomen, een verschil in behandeling volgt. Dat standpunt is naar onze mening onjuist.

    Winst wordt vastgesteld volgens het objectief criterium goed koopmansgebruik, het is niet logisch dat dezelfde feiten niet hetzelfde worden behandeld. De advocaat-generaal laat ten onrechte een deel van de rechtspositie weg, te weten de financiering van het eigendom ten opzichte van de erfpacht. Financiering verdwijnt echter niet doordat een andere ondernemer de gefinancierde grondpositie overneemt.

    Wat is een conclusie van een A-G?
    Een conclusie is geen uitspraak, het is een advies aan de Hoge Raad, de Hoge Raad kan het advies volgen, maar ook afwijzen. De conclusie van 26 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:723 zou naar onze visie niet gevolgd moeten worden, het arrest van het Hof zou in tegenstelling tot de conclusie moeten worden vernietigd.

    Wat is een Fagoed-financiering?
    Fagoed was een fonds dat landbouwgrond kocht en in erfpacht uitgaf met een terugkooprecht voor de erfpachter. Later hebben ook anderen bijvoorbeeld AMEV/ASR dit uitgevoerd. Bij deze vorm van erfpacht houdt een financier de juridische eigendom van landbouwgrond. De agrariër krijgt een koopprijs, die hij kan gebruiken voor investeringen, gebruikt de grond, betaalt en betaalt jaarlijks een bedrag (canon). Hij heeft het recht de juridische eigendom later tegen een vooraf bepaalde, geïndexeerde prijs te verkrijgen. Het economische belang bij de grond ligt door het terugkooprecht grotendeels bij de agrariër. Daarom besliste de Hoge Raad in 1996 dat deze constructie voor de jaarlijkse winstberekening als een geïndexeerde geldlening mag worden behandeld, te vergelijken met een hypothecaire geldlening. De Hoge Raad bevestigde deze economische benadering in 2024.

    Waar gaat het nu mis?
    In de nieuwe zaken heeft de agrariër de financiering niet zelf afgesloten. Hij koopt van een andere agrariër het erfpachtrecht, het kooprecht en de bijbehorende verplichtingen. De financier blijft eigenaar van de blote eigendom, voor die financier verandert er niets. Voor de nieuwe agrariër/erfpachter ook niet, hij betaalt voortaan de canon en later, bij uitoefening van het kooprecht, de geïndexeerde koopsom in plaats van de oude erfpachter.
    De A-G vindt nu dat oude en nieuwe erfpachter niet hetzelfde moeten worden behandeld. In zijn visie neemt de koper geen financiering over, omdat hij nooit eigenaar van de grond is geweest en geen geld van de financier heeft ontvangen. Hij zou slechts een gebruiksrecht en een koopoptie hebben gekocht. Daarmee kijkt de A-G vooral naar de juridische vorm, waarbij hij gemakshalve het terugkooprecht en de schuld zowel voor de canons als de terugkoop weglaat, in zijn visie koopt de nieuwe erfpachter vooral een erfpachtrecht. Dit is in strijd met de portee van het Fagoed-arrest dat juist voorschrijft naar de economische werkelijkheid te kijken.

    De financiering loopt gewoon door
    Economisch verandert weinig. De financier blijft dezelfde, de blote eigendom blijft bij hem, de canon blijft verschuldigd en de berekening van de latere koopsom blijft gelijk. Alleen de agrariër aan de andere kant van de overeenkomst verandert. De koper betaalt een bedrag aan de verkoper en neemt daarnaast de bestaande financieringslast over. Dat hij de oorspronkelijke hoofdsom niet zelf heeft ontvangen, maakt die verplichting niet minder tot financiering.

    Ook de fiscale schrijvers Verduijn en Van Brakel wijzen daarop. Verduijn beschouwt de verkrijging als de overname van de economische eigendom van de grond mét de daaraan verbonden financiering. Van Brakel benadrukt dat de koper veel meer verkrijgt dan tijdelijk gebruik: een belangrijk deel van de prijs ziet op het recht de grond later tegen de vastgelegde prijs te kopen. Wanneer partijen eerst de volledige eigendom zouden leveren en direct daarna een nieuwe Fagoed-financiering zouden sluiten, zou de methode volgens de A-G waarschijnlijk wel kunnen worden toegepast. Het is niet logisch dat een economisch identieke, maar kortere route fiscaal anders wordt behandeld.

    Conclusie
    De opvolgende agrariër koopt een samenhangende grondpositie: gebruiksrecht, kooprecht, waardebelang en betalingsverplichtingen. De onderliggende economische positie wordt geleverd en gaat over dat moet bij de koper worden beoordeeld. Zolang de voorwaarden niet wezenlijk veranderen en het kooprecht zijn waarde behoudt, moet goed koopmansgebruik verwerking als overgenomen Fagoed-financiering toestaan, geen verschil tussen oude en nieuwe erfpachter. De Hoge Raad is niet aan de conclusie van de A-G gebonden. Naar onze mening moet hij deze op dit punt niet volgen.

    Bronnen: HR 10 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1866; HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1157, 1247 en 1248; conclusie A-G Koopman 26 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:723; publicaties van A. Verduijn en P.J. van Brakel, zoals in de conclusie besproken.

    Lees verder
  • Arrest Hoge Raad inzake niet-bezwaarmakers box 3 2017-2020 niet het einde van de zaak…? Door Wijnkamp Keulers op 26-06-2026

    Fiscale route afgesloten, civiele route mogelijk geopend
    Door het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2026 is het fiscale traject voor niet-bezwaarmakers in box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 in beginsel afgesloten. De Hoge Raad oordeelt dat zij geen recht hebben op ambtshalve vermindering van hun aanslagen, ook niet als achteraf blijkt dat zij meer belasting hebben betaald dan paste bij hun werkelijke rendement. Daarmee is de zaak echter niet zonder meer ten einde.

    Juist doordat nu duidelijk is dat het bestuurlijke en fiscale traject geen soelaas biedt, kan worden onderzocht of de Staat civielrechtelijk kan worden aangesproken wegens ongerechtvaardigde verrijking. Ook het verjaringsverweer is niet zonder meer beslissend: verdedigbaar is dat de civiele claim pas nu werkelijk actueel is geworden, omdat pas met deze uitspraak vaststaat dat de fiscale route is afgesloten.

    Belasting over fictief rendement
    Waar gaat dit over? In box 3 werd jarenlang belasting geheven over een fictief rendement. De Belastingdienst keek dus niet naar wat iemand echt had verdiend met spaargeld of beleggingen, maar rekende met een door de wet vastgesteld rendement. In het Kerst-arrest van 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat dit stelsel in strijd kan zijn met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod als iemand in werkelijkheid minder rendement had behaald dan het forfaitaire rendement waarover belasting was geheven.

    Wie bezwaar maakte, kreeg rechtsherstel
    Voor mensen, die op tijd bezwaar hadden gemaakt, leidde dat tot rechtsherstel. Hun aanslag kon worden verminderd tot een heffing over het werkelijke rendement. Maar voor mensen, die geen bezwaar hadden gemaakt, ligt dat anders. De Hoge Raad oordeelde op 25 juni 2026 dat hun aanslagen definitief vaststonden. Volgens de Hoge Raad hadden zij bezwaar moeten maken als zij hun rechten wilden behouden. In overweging 4.1.4 ligt, kort gezegd, besloten dat niet-bezwaarmakers niet gelijk zijn aan bezwaarmakers, juist omdat de laatsten tijdig een procedurele stap hebben gezet.

    De pijnlijke rechtsvraag
    Dat oordeel is juridisch belangrijk, maar roept ook een principiële vraag op. Want stel dat iemand in 2017 tot en met 2020 aantoonbaar minder rendement heeft behaald dan het forfait. Dan heeft de Staat dus belasting ontvangen over inkomen dat er in werkelijkheid niet was. Bij een bezwaarmaker wordt dat hersteld. Bij een niet-bezwaarmaker houdt de Staat dat geld. De vraag is dan: is dat nog rechtmatig?

    Rechtszekerheid of bescherming van de Staat?
    De Hoge Raad beantwoordt die vraag binnen het fiscale systeem. Dat systeem kent termijnen. Wie niet op tijd bezwaar maakt, loopt het risico dat een aanslag definitief wordt. De Hoge Raad hecht daarbij aan rechtszekerheid en praktische uitvoerbaarheid. De Belastingdienst moet niet eindeloos oude aanslagen hoeven te heropenen.
    Maar daarmee is de civiele vraag nog niet volledig beantwoord. In het burgerlijk recht bestaat namelijk het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking. Dat houdt eenvoudig gezegd in: wie ten koste van een ander rijker is geworden zonder goede rechtvaardiging, moet dat voordeel onder omstandigheden teruggeven. De Staat is hier rijker geworden doordat hij belasting heeft behouden die, gemeten naar het werkelijke rendement, te hoog was. De burger is armer geworden met hetzelfde bedrag. De kernvraag voor de civiele rechter wordt dan: vormt de definitieve aanslag voldoende rechtvaardiging voor dat voordeel, of wordt het beroep daarop in deze bijzondere situatie onaanvaardbaar?

    Massaal bezwaar: burgers mochten afwachten
    Daarbij speelt de massaal bezwaar context een rol. Veel burgers hebben niet zelf geprocedeerd omdat zij zagen dat de box 3-kwestie massaal speelde. Bovendien is door de Belastingdienst gecommuniceerd dat niet-bezwaarmakers zouden meedoen aan de massaal bezwaarplus-procedure en dat zij geen bezwaar of verzoek hoefden in te dienen. Voor een gewone burger kan dat de indruk hebben gewekt dat hij rustig de uitkomst kon afwachten, ook toen in 2016 de wet werd gewijzigd. Dat had tot gevolg dat ook bij massaal bezwaar altijd individueel bezwaar moest worden gemaakt om rechten te behouden. Voor een groot deel van de burgers is onvoldoende duidelijk geweest, dat zij voortaan bezwaar moesten maken ter behoud van rechten. De Staat heeft om voor de hand liggende redenen de verslechterde rechtspositie gebagatelliseerd, bij de parlementaire behandeling is zelfs aan de orde geweest dat er niets ten nadele voor de burger veranderde. Belastingdienst heeft nauwelijks voorgelicht dat niet bezwaar maken echt nadelig was, uiteraard met vooropgesteld motief dat geen slapende burgers wakker gemaakt moesten worden. Tegen deze achtergrond wringt het als de Staat later stelt dat burgers toch zelf bezwaar hadden moeten maken en de Hoge Raad daarin nog meegaat ook.

    Civiele procedure is niet zo simpel *
    Een civiele procedure zal niet eenvoudig zijn. De Staat zal zich beroepen op de zogeheten formele rechtskracht van de aanslagen: de aanslagen staan vast en moeten daarom als geldig worden behandeld. Ook zal de Staat stellen dat de Hoge Raad de kwestie al heeft beslist. Daartegenover staat het argument dat de civiele rechter niet wordt gevraagd de aanslag te verminderen, maar om te beoordelen of de Staat het te veel ontvangen bedrag mag behouden.

    *Verjaring: discussiepunt, geen gelopen race
    Ook verjaring zal een discussiepunt zijn. De Staat kan aanvoeren dat burgers al sinds het Kerst-arrest van 2021 wisten dat er mogelijk te veel box 3 was betaald. Daartegenover staat dat de overheid zelf een massaal bezwaarplus procedure heeft ingericht en burgers heeft laten weten dat zij daarop konden wachten. Pas op 25 juni 2026 is definitief duidelijk geworden dat de fiscale route voor niet-bezwaarmakers geen teruggaaf oplevert. Daarom is verdedigbaar dat een civiele vordering nu pas werkelijk opeisbaar of althans redelijkerwijs aan de orde is.

    Proefprocedure
    Het arrest van de Hoge Raad is een harde klap voor niet-bezwaarmakers, maar niet noodzakelijk het laatste woord. Voor een proefprocedure bij de civiele rechter is vooral van belang dat de eiser kan aantonen dat zijn werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement. De sterkste zaak is die van een gewone spaarder met duidelijke bankgegevens en weinig ingewikkelde beleggingen.

    Niet het einde van de zaak
    De kern van de zaak blijft eenvoudig: mag de Staat belasting houden waarvan achteraf vaststaat dat die bij tijdig bezwaar niet verschuldigd zou zijn geweest? De Hoge Raad heeft binnen het fiscale spoor "ja" gezegd. De civiele rechter kan worden gevraagd of dat ook naar burgerlijk recht en naar het eigendomsrecht aanvaardbaar is. De onderliggende rechtsvraag is of en in hoeverre het EVRM het met terugwerkende kracht via het fiscale- bestuursrechtelijke frame toelaat tegenover de bescherming van eigendom. Ook de Grondwet gaat een rol spelen, met name de artikelen 104, 93 en 94. Het arrest van 25 juni 2026 hoeft niet het einde van de zaak te zijn, dat neemt niet weg dat het droevig is dat belastingplichtigen, die ten onrechte hebben betaald, massaal door moeten gaan met procederen. Het maakt de acceptatie van burgers van welke vermogensbelasting dan ook steeds minder kansrijk.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook