Header achtergrond
Header achtergrond

Nieuws

  • Geld geleend van de eigen BV, in 2019 maatregelen nemen Door Wijnkamp Keulers op 02-11-2018

    In de belastingplannen 2019 wordt aangekondigd dat DGA’s, die meer dan € 500.000 lenen van hun BV’s worden aangepakt. Het meerdere boven € 500.000 zal in de toekomst met 25% en mogelijk 28% inkomstenbelasting worden getroffen. Aanvankelijk wilde men zelfs de eigen woning-hypotheken aanpakken maar kennelijk is, na het dividendbelasting-fiasco, ruimte gevonden om dat achterwege te laten.

    In combinatie met verhoging van het box 2 tarief naar 28% dreigt het nu al geldende beleid van de fiscus om lenen van de BV eerder en in meer gevallen als dividend uitkering te belasten voor nogal wat DGA’s een flinke rekening op te leveren. Dat geldt niet alleen voor diegenen, die meer dan € 500.000 hebben geleend.

    Nu is het lenen van de BV geen ondernemersfaciliteit, er moet gewoon een normale rente (minimaal 3%) aan de BV worden betaald. De ontvangen rente is bij de BV belast tegen 20-25% en bij de DGA niet aftrekbaar (tenzij het een eigen-woning lening is). Bij de DGA valt de schuld aan de BV in box 3. Als de lening niet wordt afgelost, er geen zekerheid tegenover staat, er geen schriftelijke overeenkomst is of de rente alleen maar wordt "bijgeschreven", dan wordt de lening van de BV al snel als een "uitkering" gezien. Deze uitkering is in box 2 bij de DGA belast met 25% inkomstenbelasting (de komende jaren stijgt dit tarief naar mogelijk 28% … of meer, wie zal het zeggen).

    Niet zoveel aan de hand dus voor de fiscus, zo lijkt het. Bovendien zijn de vorderingen op de DGA onderdeel van het eigen vermogen van een BV. Komt de BV in de problemen dan zal de DGA er niet aan ontkomen bij te springen. Is de winst daarentegen uitgekeerd aan de DGA en belast geweest met IB bij de DGA, dan is dat geen eigen vermogen meer van de BV. De BV wordt dus door uitkeringen in feite uitgehold.

    Niettemin, veel DGA’s zijn de afgelopen jaren slordig om gesprongen met schulden aan hun BV’s. Boekhouders en accountants speelden het spel mee. Niet zelden werd het advies gegeven, dat "lenen van de BV" veel goedkoper was dan meer salaris uitkeren. Dividend uitkeren was al helemaal taboe of kon niet, omdat de BV niet voldoende vermogen had. In zo’n BV, met soms alleen maar vorderingen op een DGA en een DGA, die een "kale kip" blijkt te zijn, moet de fiscus maar zien de belastingclaims ooit nog geïnd te krijgen.

    De fiscus poogt al langer om via strikte voorwaarden, zoals zekerheid stellen, rente daadwerkelijk betalen en realistische aflossingen, het kaf van het koren te scheiden. Slordige DGA’s worden geconfronteerd met een standpunt van de Inspecteur dat de lening "onzakelijk" is, dus als "uitkering" moet worden beschouwd. Daarbij rees echter een probleem voor de fiscus bij de rechter. De fiscus is namelijk nogal eens te laat met het opleggen van de (navorderings)aanslagen. De rechter heeft geconstateerd, dat, als op het moment van verstrekken van de lening deze al "onzakelijk" was, er een belastbare uitkering was op het moment van uitlenen en niet in latere jaren. De fiscus, die toen niet heeft belast, vist nu achter het net.

    Uiteraard is er nogal eens discussie tussen DGA’s en de Belastingdienst over het karakter van leningen aan een DGA en diens familie. In de nieuwe kabinetsmaatregelen wordt nu aan die discussie voor leningen boven de € 500.000 aan de DGA (en diens familieleden) een einde gemaakt. Bij een lening van meer dan € 500.000 wordt hoe dan ook het meerdere als uitkering beschouwd. Eigen woning leningen blijven, zoals gezegd, buiten schot, maar natuurlijk alleen als ook die leningen niet ongebruikelijk zijn. Een te grote lening, weinig inkomen en een woning met een waarde, die onvoldoende dekking geeft, blijft dus in beeld als uitkering.

    Ingangsdatum is 1 januari 2022. Volgens het kabinet is er dan voldoende tijd om in 2019 nog tegen 25% te kunnen afrekenen. In de jaren daarna gaat het tarief omhoog voor alle winstuitkeringen naar 28%, dus volgens het kabinet is het beter om in 2019 dividend uit te keren en de leningen aldus af te lossen. Voor leningen beneden de € 500.000 blijven de huidige voorwaarden overigens gewoon gelden, dus ook die kunnen, onder omstandigheden, als belaste uitkeringen blijven gelden.

    Zorg dat u voor alle leningen, ook die van minder dan € 500.000, aan de voorwaarden voldoet. Schriftelijke overeenkomst, rente en aflossing daadwerkelijk betalen, niet bijschrijven dus, en niet meer uitlenen dan verantwoord zou zijn als het een vreemde zou zijn geweest in plaats van de DGA zelf.

    Tijd om uw knopen te tellen dus, als u hebt geleend van de BV. Tot slot, let op het volgende. Als u besluit om "af te rekenen" en 25% te betalen om de lening "af te lossen", dan moet u in 2019 rekening houden met een "bruto" dividend van ruim 33% om 25% Inkomstenbelasting te kunnen betalen. In de komende jaren loopt het bruto percentage op naar bijna 36%.

    Lees verder
  • Erfgenaam, fiscale claims niet onderschatten Door Wijnkamp Keulers op 11-10-2018

    Een notaris meldt zich bij u omdat u bij testament als erfgenaam bent benoemd. Leuk, denkt u, dat is mooi meegenomen. Niettemin kunt u van een heel koude kermis thuis komen als er flinke schulden blijken te zijn. Als u aansprakelijk daarvoor bent omdat u een erfenis hebt aanvaard, dat kan bijvoorbeeld omdat u spullen uit het huis hebt verkocht, dan kan het u uit uw eigen vermogen geld gaan kosten. Belastingschulden komen steeds meer, en helaas vaak achteraf in beeld als onaangename verrassing. De nieuwste maatregelen bij door een overledene niet opgegeven buitenlands vermogen kunnen forse claims en zelfs boetes voor erfgenamen tot gevolg hebben. Eigenlijk is het steeds minder aan te raden om een erfenis van een ondernemer of een vermogend familielid zonder uitgebreid nader fiscaal onderzoek te aanvaarden. Let wel, het onderzoek dat de notaris doet voor successierecht is meestal onvoldoende. Bovendien vindt dat onderzoek meestal pas na zo'n acht maanden plaats en dat is te laat. Eigenlijk moet er een gedegen onderzoek plaatsvinden, voordat een erfenis anders dan benificiair is aanvaard. Voor executeurs geldt, hoed u voor aansprakelijkheidsclaims.

    Een erfenis van ongetrouwde oom

    Stel, u hoort dat u erfgenaam bent van uw oom en u doet niets, u verwerpt niet en u gaat niet naar de notaris voor een beneficiaire aanvaarding, dan hebt u de erfenis zonder voorbehoud aanvaard. Na een jaar getouwtrek met andere erfgenamen wordt het huis geleegd en vindt u in een schoenendoos redelijk recente bankafschriften van verschillende rekeningen in Liechtenstein en Luxemburg met een totaal saldo van € 750.000 op naam van uw oom. Na lang zoeken vind u enige aangiften inkomstenbelasting van uw oom. U controleert deze en kan in de aangiften niets vinden omtrent deze rekeningen. In eerste instantie gaat u ervanuit dat deze rekeningen inmiddels zijn opgeheven en uw oom alles heeft opgemaakt. Tot dat u zich herinnert dat uw oom tot vlak voor zijn overlijden regelmatig naar Liechtenstein ging en u daarna altijd via de bank een bedrag geschonken kreeg. U was er blij mee, want de studies van de kinderen werden ermee betaald.

    Hoofdelijk aansprakelijk voor belastingschulden overledene

    Wanneer u de erfenis hebt geaccepteerd, bent u hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de overledene. Hoofdelijk aansprakelijkheid heeft tot gevolg dat de schuldeiser u kan aanspreken voor het geheel en u zelf bij de overige erfgenamen hun deel van de schuld moet zien terug te halen.

    Acceptatie hoeft niet bij de notaris plaats te vinden. Door uw gedragingen - huis leeggehaald en inboedel verkocht of huis verkocht - hebt u de nalatenschap aanvaard en bent u ook met uw eigen vermogen (hoofdelijk) aansprakelijk voor in dit geval ook de gevolgen van het verzwegen vermogen in het buitenland. Maar ook wanneer u onder druk van de verhuurder het huis leeg hebt gehaald en de inboedel hebt verkocht en bijvoorbeeld het Breitling-horloge, dat nog in het doosje zat, zelf hebt gehouden. Ook dit kan zuivere aanvaarding van de nalatenschap zijn met alle gevolgen van dien.

    Verzwegen vermogen in het buitenland

    In dit voorbeeld heeft de erflater vermogen in het buitenland, dat nooit is aangegeven in de belastingaangifte en is dit in een later stadium door u ontdekt. Dit betekent dat u een aanzienlijke belastingclaim te wachten staat en dat terwijl u niet eens wist dat het er was.

    De Belastingdienst zal bij verzwegen vermogen een boete van 300% van het te betalen bedrag aan inkomstenbelasting opleggen. Naast de inkomstenbelasting-gevolgen zal dit ook gevolgen voor de erfbelasting hebben, zeker wanneer de aangifte al is gedaan op het moment dat het vermogen ontdekt wordt. Er geldt een vergrijpboete van 100% op het ten onrechte niet corrigeren van een onjuiste aangifte erfbelasting wegens vermogen in het buitenland.

    Let dus op bij het handelen na het overlijden, er is al snel sprake van het aanvaarden van een erfenis. Het is verstandig, zeker wanneer de erfenis verkregen wordt van een ondernemend of vermogend familielid, om beneficiair te aanvaarden, zodat het risico op aansprakelijkheid voor (belasting)schulden zo veel mogelijk wordt beperkt. Op basis van de huidige wetgeving zou u immers tot twaalf jaar na het overlijden van uw oom, geconfronteerd kunnen worden met de fiscale gevolgen van het handelen van uw oom.

    Komt alsnog (verzwegen) buitenlands vermogen boven water, dan is aansprakelijkheid moeilijk te voorkomen. Zo spoedig mogelijk melding maken bij de Belastingdienst van dit vermogen, voordat de Belastingdienst het zelf ontdekt, dan kunnen boetes mogelijk worden voorkomen of beperkt, maar die navorderingsaanslag vermeerderd met belastingrente op grond van € 750.000 vermogen in het buitenland komt. Houd daar rekening mee.

    Lees verder
  • Verwachte wijzigingen belastingheffing 2019 Door Wijnkamp Keulers op 17-09-2018

    De wijzgingen voor het MKB zijn omvangrijk. Vooral de 3,5% verhoging van het AB-tarief voor DGA's springt in het oog. Daar staat wel een verlaging van de VpB tegenover naar 16% over de eerste € 200.000. Voor de IB geldt dat aftrekposten voor het tarief worden afgetopt, de tarieven dalen vooral voor de middeninkomens. De AB-tarieven in box 2 maken dat het aantrekkelijker wordt om het salaris van de DGA te verhogen tot € 68.000 belastbaar inkomen in box 1, bij de voorgestelde lengte van de tariefschrijven is er dan niet zoveel nadeel van de verlaging tarief waartegen mag worden afgetrokken. Oppotten van winst in de BV levert een belastingdruk op van 40% van de winst voor VpB. Per belastingplichtige zal moeten worden uitgerekend wat de gevolgen zijn. In het oog springt ook de verdere beperking van afschrijving gebouwen tot 100% van de WOZ. Dit zijn enige maatregelen van belang voor het MKB.

    Inkomstenbelasting
    Tarief box 1
    De inkomstenbelastingtarieven worden beperkt tot twee schijven. Een basistarief van 36,93 procent en een toptarief van 49,5 procent voor inkomen boven € 68.600. Dit was 36,55% tot € 20.142 en van € 20.142 tot € 68.507 40,85%. Vanaf € 68.507 was het tarief 52%.

    Hypotheekrenteaftrek
    De hypotheekrenteaftrek wordt vanaf 2020 versneld afgebouwd in vier stappen van drie procentpunt naar 36,93 procent in 2023. Was in 2018 maximaal tegen 49,5% aftrek wordt versneld afgebouwd naar aftrek aan de voet dus tegen het lage tarief van 36,93%. In 2023 moet het lage tarief zijn bereikt.

    Eigenwoningforfait
    Het eigenwoningforfait wordt vanaf 2020 verlaagd van 0,75 procent naar 0,6 procent. Deze verlaging vindt plaats in drie stappen van telkens 0,05%-punt, te starten in 2020 en vervolgens in 2021 en 2023, dus parallel aan de afbouw van hypotheekrente-aftrek.

    Aftrekposten
    In 2020 wordt het aftrektarief van alle aftrekposten gelijkgetrokken met het dan geldende aftrektarief van de hypotheekrente. Dit tarief wordt met drie procentpunt per jaar afgebouwd naar het basistarief.

    Zelfstandigenaftrek
    Het maximale tarief waartegen de zelfstandigenaftrek aftrekbaar is, wordt gefaseerd beperkt, gelijk aan het aftrektarief van de andere aftrekposten. Dus naar verwachting afbouw van 2020 tot en met 2023 naar 36,93%. Over de MKB-winstvrijstelling is nog geen duidelijkheid.

    Scholingskosten
    De fiscale aftrekpost voor scholingskosten wordt vervangen door een individuele leerrekening voor alle Nederlanders, die een startkwalificatie hebben behaald.

    Investeringsregelingen
    De energie-investeringsaftrek (EIA), de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) en de milieu-investeringsaftrek (MIA) blijven bestaan. Wel wordt het aftrekpercentage voor de EIA verlaagd van 54,5 procent naar 45 procent.

    Tarief box 2
    Het box 2-tarief gaat gefaseerd omhoog van 25 procent naar 27,3 procent in 2020 en 28,5 procent in 2021.

    Rendementspercentages box 3
    De jaarlijkse bijstelling van de rendementspercentages voor box 3 zal op Prinsjesdag bekend worden gemaakt.

    Algemene heffingskorting
    De algemene heffingskorting wordt vanaf volgend jaar stapsgewijs verhoogd en zal in 2021 uiteindelijk circa € 350 hoger zijn dan nu.

    Arbeidskorting
    De maximale arbeidskorting wordt in de komende jaren verhoogd met circa € 365. Deze verhoging zal in 2021 in zijn geheel zijn doorgevoerd.

    Ouderenkorting
    De ouderenkorting zal worden verhoogd met circa € 160. Tegelijkertijd zal er een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw worden geïntroduceerd in plaats van de huidige harde afbouwgrens.

    Loonbelasting

    30%-regeling
    De looptijd van de 30%-regeling wordt verkort met drie jaar van acht tot vijf jaar. Deze nieuwe termijn geldt ook voor werknemers, die al gebruikmaken van de 30%-regeling.

    Vrijwilligersvergoeding
    De maximale onbelaste vergoeding aan vrijwilligers wordt met € 200 verhoogd naar € 1.700 per kalenderjaar.

    Fiets van de zaak
    Per 2020 komt er een nieuwe fiscale regeling voor de fiets van de zaak. Deze moet het aantrekkelijker maken om een (elektrische) fiets aan werknemers ter beschikking te stellen.

    Toeslagen
    Kindregelingen
    De kinderbijslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget gaan omhoog. Er komt bovendien een voorstel om de financiering van kinderopvang niet meer via de ouders te laten lopen en in plaats daarvan te werken met een directe financieringsstroom van het Rijk naar kinderopvanginstellingen.

    Vennootschapsbelasting

    Tarief
    Het tarief wordt in stappen verlaagd naar 21 procent (2019: 24 procent, 2020: 22,5 procent en 2021: 21 procent). Het lage tarief (2017: belastbare winst tot 200.000 euro) gaat omlaag naar 16 procent (2019: 19 procent, 2020: 17,5 procent en 2021: 16 procent).

    Earningstrippingregeling
    Er wordt een nieuwe renteaftrekbeperking ingevoerd in de vorm van een earningstrippingregeling, waardoor overtollige rentelasten (het saldo van rentelasten en rentebaten) slechts aftrekbaar zijn tot 30 procent van de gecorrigeerde Nederlandse fiscale winst (EBITDA). De regeling bevat een franchise van € 1.000.000.

    CFC-regels
    Als een Nederlandse belastingplichtige een belang heeft van ten minste 50 procent in een laagbelaste dochtervennootschap (een controlled foreign company: CFC) zullen nieuwe CFC-regels van toepassing zijn. Bepaalde inkomensbestanddelen van de CFC zullen dan als inkomsten worden belast bij de Nederlandse belastingplichtige.

    Afschrijving gebouwen
    Bedrijven mogen voortaan nog slechts afschrijven op een gebouw in eigen gebruik tot een boekwaarde is bereikt van 100 procent van de WOZ-waarde (dit was 50 procent van de WOZ-waarde). Afschrijven op gebouwen wordt hiermee dus drastisch ingeperkt. Voor de goede orde, deze afschrijvingsbeperking gaat alleen gelden voor de vennootschapsbelasting en niet voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

    Fiscale beleggingsinstellingen
    Fiscale beleggingsinstellingen (FBI’s) mogen vanaf 2020 niet meer direct beleggen in in Nederland gelegen vastgoed.

    Overnameholdings
    De renteaftrekbeperking bij overnameholdings komt te vervallen. Dit houdt verband met de introductie van de earningstrippingregeling.

    Verliesverrekeningstermijn
    De voorwaartse verliesverrekening wordt beperkt van negen tot zes jaar. De achterwaartse verliesverrekening blijft één jaar. Een groter risico op verliesverdamping dus.

    Bronbelastingen


    Dividendbelasting
    De dividendbelasting wordt per 2020 afgeschaft. Voor dividenden naar landen met een laag winstbelastingtarief en in misbruiksituaties blijft er een bronheffing op dividenden bestaan.

    Rente en royalty’s
    Per 2021 komt er een nieuwe bronbelasting op uitgaande royalty's en rentebetalingen naar landen met een laag winstbelastingtarief en in misbruiksituaties.

    Omzetbelasting

    Verlaagd tarief btw
    Het verlaagde btw-tarief gaat omhoog van 6 procent naar 9 procent.

    Kleine ondernemersregeling
    De kleine ondernemersregeling (KOR) wordt per 1 januari 2020 gemoderniseerd. Er komt een facultatieve omzetgerelateerde vrijstellingsregeling (OVOB) voor alle ondernemers, ongeacht de rechtsvorm.

    Sportvrijstelling
    De btw-sportvrijstelling wordt verruimd. De vrijstelling voor sportbeoefeningsdiensten verricht door niet-winstbeogende instellingen aan hun leden, gaat ook gelden voor niet-leden. Belaste exploitatie van sportaccommodatie kan alleen nog door een winst-beogende instelling, zonder onderscheid tussen leden en niet-leden.

    Overig

    Exitheffing
    Als de zetel van een onderneming vanaf 2019 naar het buitenland wordt verplaatst, dient een eventuele Nederlandse exitheffing in de vennootschapsbelasting in vijf jaarlijkse betalingen te worden voldaan.

    Belastingrente
    Er wordt geen belastingrente meer in rekening gebracht als de aangifte inkomstenbelasting is ingediend voor 1 mei en de aanslag conform die aangifte wordt vastgesteld. Hetzelfde gaat gelden voor voorlopige aanslagen of aangiftes erfbelasting (geen belastingrente bij een tijdige aangifte met overeenkomende aanslag).

    Energiebelasting
    De energiebelasting voor aardgas gaat omhoog, terwijl de energiebelasting op elektriciteit iets wordt verlaagd. De tarieven in de eerste schijf op aardgas gaan omhoog met € 0,03 en de tarieven in de eerste schijf op elektriciteit gaan omlaag met € 0,0072.

    Belastingvermindering energiebelasting
    De belastingvermindering in de energiebelasting wordt verlaagd met € 51 van € 308 naar € 257. Het grootste deel van de verminderde belastingbesparing slaat neer bij bedrijven.

    Afval
    Er komt een hoger tarief op het verbranden en storten van afvalstoffen en de grondslag wordt verbreed. Daarnaast wordt een heffing geïntroduceerd op het exporteren van afval. De vrijstelling van zuiveringsslib voor belasting wordt daarnaast afgeschaft en er zal ook geheven gaan worden over afval dat wordt verbrand in biomassa-energiecentrales. Bij dat laatste zal een heffing van afvalstoffenbelasting bij verwijdering buiten Nederland noodzakelijk zijn.

    Vrachtwagens
    Er wordt een kilometerheffing voor vrachtverkeer ingevoerd, waarschijnlijk niet eerder dan per 2023. Het daarvoor te introduceren registratie- en betalingssysteem wordt gelijk aan dat in de buurlanden, zodat voor vrachtauto’s geen extra apparatuur benodigd is. Tegelijkertijd wordt de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s verlaagd.

    Taxi’s
    De BPM-teruggaaf op taxi’s wordt per 1 januari 2020 afgeschaft. Tot die tijd zijn emissie-loze taxi’s vrijgesteld van belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

    Lees verder
  • Wat gebeurt er met uw BV's na u? Door Wijnkamp Keulers op 12-09-2018

    De ontwikkeling van de structuur van nogal wat bestaande ondernemingen heeft vorm gekregen vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw. Niet alle winst tegen 52% belasten was een belangrijk doel, met BV's kan tegen lagere directe tarieven belast vermogen in de onderneming worden opgespaard. En lijfrente in eigen beheer en pensioen in eigen beheer leken lange tijd fiscaal zeer voordelig uit te pakken. Kroonjuwelen zijn in de jaren daarna geworden: het kunnen overdragen aan de kinderen tegen zeer lage tarieven of zelfs geheel zonder erfbelasting en schenkingsrecht te kunnen betalen. Last but not least hebben vele DGA's dankzij hun BV de verafschuwde 1,2% vermogensbelasting (box 3) kunnen ontlopen.

    Wolken

    Er zijn wolken aan de horizon, die hun schaduw over de bestaande situatie heen werpen. De bedrijfsopvolgingsregeling wordt door beleids- en opiniemakers al te ruim geacht. In plaats van vrijstelling van erfbelasting pleit men voor een betalingsregeling. Er komt dus voor een overdragende of overleden (echtgenoot van de) DGA een aanzienlijke belastingschuld bij. Dat zal overdracht van ondernemingen gaan belemmeren, want anders dan beleidsmakers denken, zal een overdrager de belasting willen gaan afwentelen op de opvolger. Banken financieren MKB niet of uiterst moeizaam, de gevolgen laten zich raden.

    Die opvolger heeft een beperkte keuze, als hij het al gefinancierd krijgt, te weten overnemen van aandelen van de dochtermaatschappij en onroerende zaken huren en goodwill in de aandelenprijs terugzien of veel duurdere activa en passiva overnemen waarna hij dan in 5 - 10 jaar (of bij OZ in 50 jaar tegen vaak 1% per jaar), tegen lagere VpB tarieven kan gaan afschrijven. Dat zal dus in veel gevallen niet lukken, veel ondernemingen zullen dus onverkoopbaar worden, althans niet verkoopbaar tegen vroeger gedachte opbrengsten.

    Ook het niet betalen van vermogensbelasting door DGA's over hun aandelen steekt de beleidsmakers. Zij sturen aan op het liquideren en leegmaken van in hun ogen niet actieve BV's. Het lijkt erop dat in ruil voor een lagere winstbelasting (Vennootschapsbelasting; VpB) vermogen in ondernemingen belast moet gaan worden. Dat kan door fictief dividend in te voeren of door DGA's op een andere wijze te dwingen hun vermogen uit hun BV's te gaan halen, dat dan vervolgens wordt belast. Daarmee is de fiscale cirkel, die ik heb beschreven bij de opvolgingen, rond. De tendens is meer schulden bij de opvolger of niet kunnen verkopen en opgespaarde middelen belasten.

    Bereid u voor

    De overdragende DGA doet er goed aan zich voor te bereiden op het niet of maar beperkt kunnen verkopen van zijn onderneming en niettemin het moeten betalen van belasting. Er komt dus geen of minder geld binnen en er moet aanzienlijk meer geld uit. Dat gaat niet alleen de DGA aan, maar ook toekomstige (ex-)partners en toekomstige erfgenamen. Als op een onverwacht moment fiks belasting betaald moet worden, bijvoorbeeld bij echtscheiding of overlijden en de doorschuiving en opvolgingsregelingen zijn beperkt, dan zal er liquiditeit moeten zijn. De Belastingdienst is geen bank, en veel banken zijn al lang niet meer wat het was, reken dus vooral niet op de bank, want die kan u meestal niet helpen.

    BV blijft bij u

    Dit betekent dat er in beeld moet worden gebracht met een aantal scenario's wat er gebeurt als een DGA aandelen van een of meer BV's niet overdraagt en er geen opvolger is. Kunnen de lijfrenteverplichtingen worden nagekomen, kan het pensioen worden betaald? Is het bedrijfsgebouw of het praktijkpand wel zo courant dat het makkelijk te verkopen is of moet het gedwongen tegen een bodemprijs naar een handelaar, als er belasting betaald moet worden? Gaat de bank nog wel door met financieren als er geen winst meer wordt behaald in de BV, wat gebeurt er als de bank het krediet opzegt? Als u overlijdt en er is geen opvolging(sregeling), kan er dan over de meerwaarde van de aandelen 25% of zelfs 27-28% inkomstenbelasting worden betaald? Kan de erfbelasting over de waarde van de aandelen worden betaald? Weet u dat de huidige scheidslijn bij het toepassen van de nu nog geldende opvolgingsregelingen ligt tussen verhuur van onroerende zaken en projectontwikkeling. Met andere woorden, ook nu al kwalificeren nogal wat BV's niet voor de opvolgingsregelingen.

    Kortom, stresstest

    Stel dat u nu overlijdt of niet meer in staat bent om besluiten te nemen, kunnen uw familieleden dan überhaupt wel bij de bankrekeningen, aangiften doen en andere besluiten nemen? Kunnen kosten en belastingen betaald worden over (papieren) winst door vrijval pensioenverplichting en/of lijfrenteverplichting? Kunnen de schulden aan de BV nog wel worden afgelost of moeten panden worden verkocht en lukt dat dan op korte termijn tegen een behoorlijke prijs? Kunnen uw familieleden in het woonhuis blijven wonen?

    Klimaatverandering

    Veel ondernemers hebben zakelijk en privé met elkaar vermengd. Daar is niets mis mee, mits je overzicht houdt en je realiseert dat er een rekening met de fiscus openstaat. Het MKB moet op fiscaal guurdere tijden gaan rekenen. Een soort fiscale klimaatverandering als het ware. Wat en hoe is niet geheel duidelijk, de trend wel. Zorg dat de jassen klaar hangen.

    Lees verder
  • DGA's met pensioen in eigen beheer, regel uw zaken Door Wijnkamp Keulers op 22-06-2018

    Het bezit van een BV is al lang niet meer rustig. In 2017 zijn veel DGA's geschrokken van de gevolgen van het moeten stoppen met de opbouw van een pensioen in eigen beheer. Vervolgens werd ook duidelijk dat de fiscale reservering op de balans bij lange na niet voldoende was om de verplichting af te dekken. De regeling, die een afkoop tegen fiscale waarde met korting mogelijk maakt, is door velen gevolgd. Ook de keuze voor een ODV (OudeDagsVoorziening), die in feite een bevriezing van de aanspraken tegen de veel lagere fiscale waardering inhoudt, is door velen gekozen.

    Niets gedaan?

    Niettemin zijn er toch ook nog ondernemers, die niets hebben gedaan. Omdat handelen alleen niet genoeg is, keuzes moeten ook worden gemeld bij de Belastingdienst, is alsnog opstellen van schriftelijke besluiten (al dan niet met terugwerkende kracht of vastlegging van "mondelinge" besluiten) niet aan te raden. Voor de goede orde, antedatering van stukken daar hebben we het al helemaal niet over, dat is valsheid in geschrifte, niet alleen zinloos, maar ook zeer schadelijk. Niet doen dus ..., maar wat dan wel? Wat kun je nu nog regelen?

    Let op

    U had natuurlijk in 2017 al de zaken moeten regelen. Stopzetten van de opbouw met een schriftelijk besluit, toestemming van de partner regelen en een keuze maken voor geruisloos afstempelen naar fiscale waarde en ODV als u dat wilde, met melding aan de Belastingdienst.
    Want een pensioenvoorziening kent een fiscale waarde en een commerciële waarde. De commerciële waarde is wat moet worden gestort bij een toegelaten verzekeraar om de aanspraken te verzekeren. Dat is meestal veel meer dan dat uit de fiscale voorziening blijkt. Zo is er bij een DGA met een aanspraak, die fiscaal op de balans voor ruim € 47.000 was opgenomen, € 195.000 nodig om bij een maatschappij te verzekeren. In feite is dus niet € 47.000 de verplichting voor zijn BV, maar € 195.000.

    Door de fiscale regels mag de verplichting niet voor de echte waarde worden opgenomen. Houdt u zich niet aan de regels, dan kan die € 195.000 tot loon worden gerekend. Dat kon in 2017 worden teruggebracht tot de fiscale waarde en dat kan vermoedelijk mogelijk nog steeds, zij het dat u wel het probleem hebt dat de opbouw niet is stopgezet in 2017. Als u met een korting van 25% over de fiscale waarde afrekent, dan neemt u als het ware uw pensioen in één keer op. In ons voorbeeld wordt dan 75% van € 47.000 verloond en daarover betaalt u inkomstenbelasting. De BV moet dat in de vorm van loonheffing inhouden. Met een belastingclaim van maximaal 52% over 75%, dus ruim € 18.000 kunt u € 29.000 uit de BV opnemen, die moet dat dan wel kunnen betalen natuurlijk.

    Kijk naar aanspraken

    Mogelijk is de pensioenopbouw al eerder stopgezet. Daar moeten dan in beginsel wel schriftelijke besluiten aan ten grondslag liggen. Dus simpelweg niet meer doteren is niet genoeg, de opbouw moet echt worden gestopt. Niettemin, als er niet is gedoteerd dan is verdedigbaar dat, omdat er geen misverstand over is dat dit alleen de DGA aan kan gaan, het ontbreken van een schriftelijk besluit in 2017 niet dodelijk hoeft te zijn. Zekerheid dat dit standpunt houdbaar is, is er geenszins, het standpunt is dus echt een "last resort". Overleg met de Belastingdienst voordat u iets doet, is nodig. Is de opbouw al eerder gestopt dan kan het bedrag nog lager zijn. Let op volgend jaar is de korting nog lager en doet u dan weer niets, dan blijft het pensioen intact naar de situatie van 31 december 2016. U moet dus dan weer de commerciële waarde in aanmerking nemen als u dividend wil uit betalen en zelfs bij de hoogte van uw loon moet u oppassen.

    Lees verder
  • Vaststelling in goede justitie Door Wijnkamp Keulers op 02-05-2018

    Belastingrecht en gerechtelijke procedures gaan voor het overgrote deel over de vaststelling van feiten en de omstandigheden, waarin die feiten moeten worden geplaatst. Soms maken de inspecteur en de belastingplichtige het zo bont dat de rechter eraan te pas moet komen om zelf de feiten vast te stellen. Zo ook bij de vaststelling van de waarde voor de OZB van een wel heel bijzonder object, een geldautomaat. De gebruiker, vermoedelijk de exploiterende bank, en de heffingsambtenaar slaagden er beide niet in duidelijk te maken waarop hun aannames voor de OZB waarde waren gebaseerd. De rechter stelde toen de waarde zelf maar vast "in goede justitie".

    Waarde
    Beide partijen waren het wel eens over de methode van waardebepaling. Dat kon ook moeilijk anders, want voor de OZB is deze in een uitvoeringsbesluit voorgeschreven. Ze namen beide een genormeerde huur als uitgangspunt en de huur werd gekapitaliseerd. Deze methode houdt in dat alle te betalen huur bij elkaar opgeteld wordt en vervolgens een korting wordt toegepast, omdat de huur over een periode in termijnen wordt betaald. Deze korting is de zogenaamde kapitalisatiefactor. De variabele factoren daarin zijn duur en rente-percentage. Zowel over de genormeerde huur als over de kapitalisatiefactor verschilden partijen van mening. De OZB taxatie sloot op € 40.000, de bank vond € 15.000 meer dan voldoende.

    Rechter
    De heffingsambtenaar (van GLTB) kon de huurwaarde, die hij had gehanteerd van € 800 per vierkante meter, niet onderbouwen. De belanghebbende bank kon ook geen taxatierapport o.i.d. overleggen, waaruit bleek dat € 15.000 beter klopte. De rechter hakte de knoop door en stelde € 20.000 vast. De belanghebbende bank kreeg voorts griffierecht (€ 333) en proceskosten (€ 1.109) vergoed.

    De moeite waard
    Al met al is de uitslag voor de belanghebbende nog niet zo gek. Het loont dus de moeite om in dit soort gevallen de door een belastingdienst vastgestelde feiten en omstandigheden te controleren. Niettemin, bij zaken met een groter belang is het zeer aan te bevelen de feiten en omstandigheden niet alleen goed voor het voetlicht te brengen, maar ook ervoor te zorgen dat de feiten en omstandigheden in lijn zijn met de fiscale stellingnamen.

    Transparant
    Als u een bepaald fiscaal doel voor ogen hebt, is het aan te bevelen de feiten en omstandigheden, die tot het gewenste gevolg moeten leiden, te checken op werkbaarheid en realiteitsgehalte. Kortom een fiscale structuur moet bij u passen. Als u vervolgens de feiten en omstandigheden goed vastlegt, de toepasselijke regelgeving volgt en uw standpunten helder verwoordt en behoorlijk onderbouwt dan hoeft de rechter niet voor u en de inspecteur te beslissen. Zelf regie houden is altijd beter, een vaststelling in goede justitie moet u niet afhankelijk van willen zijn. Hier pakte het redelijk goed uit ..., dat is ook wel eens anders.

    OZB 2016
    Rechtbank Overijssel, 18 april 2018, 17/346, ECLI:NL:RBOVE:2018:1297

    Lees verder
  • Windpark Zeewolde, Raad van State aan zet Door Wijnkamp Keulers op 23-04-2018

    Op 23 en 30 augustus 2017 heeft de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State een uitspraak gedaan inzake beroep over het (kennelijk voor de tweede keer) onder overgangsrecht brengen van windturbines, die vallen in het bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde 2016. In de uitspraak heeft de Afdeling aangegeven dat in de betreffende procedure het Rijksinpassingsplan (RIP) en de bijbehorende besluiten niet ter beoordeling stonden. De beoordeling was dus beperkt tot de vraag of de windturbines onder het overgangsrecht geplaatst mochten worden. Dat mocht, omdat binnen de planperiode (10 jaar) concreet zicht was op verwijdering. Indien dit niet het geval was, moet de turbine positief in bestemd worden. De gemeenteraad wees voor het standpunt dat de windturbines binnen de planperiode zullen worden verwijderd op Partiële herziening, de Beleidsregel windmolens, de Noodverordening, het RIP en Regioplan. De Afdeling verwierp de stelling van een van de eigenaren, dat er geen draagvlak was en dat er niet onteigend kon worden, dus de plannen onuitvoerbaar zouden zijn. De Afdeling twijfelde niet aan het standpunt van de gemeenteraad dat alle kosten op de Ontwikkelvereniging zouden worden verhaald.
    ABRvS 23 augustus 2017 NL:RVS:2017:2392; ABRvS 30 augustus 2017 ECLI:NL:RVS:2017:2333

    Tot zover het bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde, inmiddels zijn we een stadium verder. De Ontwikkelvereniging is opgevolgd door Windpark Zeewolde BV, een BV met een klein aandelenkapitaal (minder dan € 5.000), waarbij de participerende "boeren, burgers en buitenlui" betalen via contracten en SDE+ subsidies voor de economische haalbaarheid moeten zorgen.

    Op dit moment is een zogenaamd Rijksinpassingsplan (RIP) in procedure met bijbehorende besluiten. Dit plan volgt als het ware op een eerder Provinciaal Regioplan en onder meer het hiervoor genoemde bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde van oktober 2016. Bestaande turbines zijn in feite weg bestemd door het bestemmingsplan Buitengebied en RIP en zullen uiteindelijk kunnen worden onteigend.

    Bijzonder is dat dit (RIP) plan een plangebied kent waarbinnen nieuwe, grotere windturbines worden vergund, aan één vergunninghouder (Windpark Zeewolde BV), onder de verplichting om bestaande windturbines buiten het plangebied te saneren.

    Stand van zaken 9 april 2018:

    De Raad van State heeft aan de Advocaat-Generaal een conclusie gevraagd of eigenaren van windturbines buiten het plangebied (en overige belangstellenden voor exploitatie) een relevant belang hebben bij beroep tegen het RIP. Aan deze relativiteitseis moet eerst worden voldaan, voordat hun beroep verder inhoudelijk kan worden behandeld (artikel 8:69a AWB).

    Zijn de eigenaren ontvankelijk, dan zal alsnog hun beroep moeten worden beoordeeld door de Afdeling. Op 9 april jl. hebben belanghebbenden hun visie kenbaar kunnen maken in een zitting van de Afdeling. De windturbine eigenaren ageren niet alleen tegen de gedwongen sloop van hun turbines, die nog vele jaren meekunnen en niemand in de weg staan, zij menen ook dat zij nimmer een eerlijke kans hebben gehad om (een deel van) het nieuwe plan te realiseren. En omdat sprake is naar hun visie van "schaarse rechten" had hen die kans niet bij voorbaat mogen worden ontnomen, gedwongen voortgezet collectief ondernemerschap via Windpark Zeewolde BV voldoet naar hun visie niet aan de eisen.

    De AG is nu aan zet, de vraag is of het RIP verdeling van schaarse rechten betekent en of de belanghebbenden een relevant belang hebben bij een beroep dat zij wilden "meedoen" en dus niet van maar één vergunninghouder bij voorbaat had mogen worden uitgegaan. Ook speelt een rol of het feit dat er een "breed gedragen" burgerinitiatief is; in feite maakt dat, dat er geen schaarse rechten zijn, want je kunt immers meedoen. Hier speelt ook de vraag of de initiatiefnemende "boeren, burgers en buitenlui" wel te vereenzelvigen zijn met uiteindelijk certificaathouders en contractspartijen en Windpark Zeewolde BV.

    Sanering door onteigening:

    Min of meer los van deze problematiek speelt de vraag op welke wijze uiteindelijk de weg bestemde windmolens zouden moeten gaan verdwijnen.

    Het lijkt erop dat de ondergrond van de "overbodige turbines" een agrarische bestemming krijgt en dat het terugbrengen van deze bestemming de grondslag voor onteigening zal moeten zijn. Feitelijk is het doel natuurlijk anders, de verwijdering van de turbines. Er zijn wat complicaties denkbaar, die een onteigening nog geen gelopen koers doen zijn. Zo is er in één rij van windmolens er één niet wegbestemd en die ene maakt wel gebruik van een infrastructuur, die gemeenschappelijk eigendom is. Vooral bij de windturbines buiten het plangebied loopt de onteigenende overheid aan tegen het verweer dat alleen binnen een plangebied kan worden onteigend. Een verweer van zelfrealisatie zou trouwens ook nog wel eens kansrijk kunnen zijn.

    Tot nog toe is Windpark Zeewolde BV kennelijk niet in staat of bereid geweest op basis van de beginselen van de Onteigeningswet besprekingen tot een minnelijke regeling aan te gaan. Kennelijk is vanaf september 2017 de Provincie ter zake aan zet, aldus een van de raadslieden op de zitting van 9 april jl. van de Raad van State.

    Omdat bij een onteigening volgens de Onteigeningswet en de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure (16 januari 2016) voorgeschreven wordt dat bij een onteigening documenten moeten worden overgelegd over de planuitvoering, waaronder een projectplanning, zal niet met een al te vage grondslag voor onteigening kunnen worden volstaan. De grondslag zal vermoedelijk moeten zijn "verwezenlijking van de agrarische bestemming". Wij zijn benieuwd hoe men dat gaat invullen.

    Kortom, de beroepsprocedure tegen het RIP en bijbehorende besluiten is de opmaat voor verdere juridische schermutselingen. Ondertussen blijft het gek dat om meer minder CO2-uitstoot door meer windenergie te bereiken, windturbines moeten worden gesloopt.

    Lees verder
  • Verkoop van boerderij met vergunningsmankementen, riskant … ook voor koper Door Wijnkamp Keulers op 18-04-2018

    Het Hof Den Bosch heeft op 11 april jl. beslist dat bij een verkoop van een boerderij, die zonder vergunning was uitgebreid, de verkoper zich er terecht op kon beroepen dat de koper bekend was met de situatie. Het ging om een boerderij, die zonder vergunning was uitgebreid, met de bedoeling om te kunnen splitsen. Omdat sprake was van een LOG-gebied kon dit niet worden vergund. De koper stelde er pas na de koop achter te zijn gekomen, dat dit niet mogelijk was. De koper riep per brief een buitengerechtelijke ontbinding in.

    De verkoper stelde alle informatie te hebben verstrekt, vorderde nakoming van de koopovereenkomst onder verbeurte van een dwangsom per dag. De koopovereenkomst was gesloten in januari 2012.

    Twee gerechtelijke instanties verder werd de koper door het Hof veroordeeld tot nakoming van de koopovereenkomst, betaling van ruim € 296.000 aan verbeurde dwangsommen tot en met september 2012, daarna vanaf september 2012 dwangsommen van € 1.947 per dag, voorts nog € 3.000 en ook nog € 1.000 per maand over de periode van september 2012 tot datum vonnis.

    Deze koper heeft zwaar moeten boeten voor zijn weigering de boerderij geleverd te doen krijgen. Pakweg zes getuigen zijn gehoord, kortom de juridische procedures zijn langdurig en kostbaar geweest. Buitengerechtelijke ontbinding inroepen (dus per brief) in combinatie met eerder overeengekomen dwangsommen is riskant, zo blijkt hier maar weer.

    Hier is sprake van een koper, die na het sluiten van de overeenkomst, probeert de schade te beperken, gegeven de veroordeling door het Hof lijkt dit faliekant mislukt. Achteraf herstellen is niet een compensatie voor niet goed opletten bij de koop, zo blijkt. Bij koop van onroerende zaken in het buitengebied is inschakeling van een goede makelaar, die de status van de onroerende zaak nauwgezet onderzoekt, onontbeerlijk. De regels in het buitengebied worden aangehaald, wat eerder geen problemen opleverde zoals hier en daar zonder vergunning bouwen en gebruik in strijd met de bestemming, is niet meer aan de orde.

    Het tekenen van dit contract is de koper duur komen te staan. Ook de verkoper zal niet blij zijn geweest met de gang van zaken, jaren wachten op de verkoop en het geld, kostbare juridische procedures en onzekerheid…, de opluchting zal wel groot zijn.

    Alle reden om bij het aangaan van contracten bij agrarisch onroerend goed niet over één nacht ijs te gaan. Reken maar eens uit, wat deze koper extra moet betalen!

    Lees verder
  • Niet betalen BTW door nihil aangifte, verboden vrucht Door Wijnkamp Keulers op 30-03-2018

    BTW over een te lage omzet aangeven of, zo mogelijk nog erger, teveel BTW terugvragen en aldus de Belastingdienst als bank gebruiken heeft vervelende consequenties. Het argument dat het wel via een suppletieaangifte kan worden gecorrigeerd of dat het echt wel zou worden gecorrigeerd, blijkt niet te helpen. Bij een overigens ook faillissementsfraude plegende ondernemer was het gerechtshof Den Bosch onverbiddelijk. Een flinke gevangenisstraf was het gevolg. Dat heeft te maken met het karakter van de BTW. Omdat je in feite zelf je belastingschuld of vordering kunt vaststellen is de regeling fraudegevoelig. Dat er forse boetes en zelfs gevangenisstraffen bij fraude worden opgelegd, is inherent aan de regeling. Ook accountants- en adviseurs lopen behoorlijke risico's. Als zij BTW-schulden niet opnemen in de jaarrekening of anderszins meewerken aan de fraude zijn ze al snel dader, medepleger of medeplichtig. Verwacht dus niet veel begrip van uw accountant als u een scheve schaats wil rijden.

    Veel adviseurs kennen het (nog) wel, alvast een nihilaangifte doen omdat de btw-aangifte gedaan moet worden en de gegevens nog niet voorhanden zijn of de klant talmt.

    Het idee was: je kunt altijd nog een herstelaangifte indienen, meestal door een suppletie na afloop van het boekjaar bij opmaken van de jaarstukken. Ben je op tijd en is de aangifte vrijwillig dan was er inderdaad niet zoveel aan de hand bij eenvoudige fouten of verkeerde wetsopvatting. Dat laatste blijft ook zo, echter als er opzettelijk nihilaangiften worden gedaan omdat er geen geld is, dan ligt de zaak anders.

    Een uitspraak van het Hof Den Bosch geeft een duidelijk voorbeeld van de omvang van de fraude, de motieven van de dader en de consequenties. In deze zaak kreeg de dader een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

    Zijn BV had in de periode januari tot en met juni 2012 aan verschillende afnemers partijen cement geleverd, uiteraard was over de leveringen BTW verschuldigd. Die was ook op factuur in rekening gebracht. De bestuurder van de BV X heeft over de eerste twee kwartalen van 2012 nihilaangifte gedaan. Hij deed dat omdat de BV de verschuldigde BTW op een juiste aangifte niet kon betalen. De bestuurder had naar zijn zeggen het voornemen om de aangiften later door middel van een suppletieaangifte te corrigeren. Daar is hij kennelijk niet aan toe gekomen, want dat is nooit gedaan. De BTW, die moest worden afgedragen, was rond de € 315.000.

    Het gerechtshof in navolging van de rechter in eerste aanleg veroordeelde de bestuurder voor het opzettelijk onjuist doen van BTW-aangifte met als gevolg dat te weinig belasting wordt geheven. Hiervoor kreeg hij een gevangenisstraf opgelegd van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De BTW moest uiteraard ook nog betaald worden, zoals bekend is er in zo'n geval privé-aansprakelijkheid.

    Sjoemelen met BTW lijkt laaghangend fruit, maar is een verboden nogal bittere vrucht. De wet kent meerdere bepalingen op grond waarvan een bestuursrechtelijke (boete) of strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd voor het onjuist doen van BTW-aangifte. Naast bestuurlijke boetes, die door de inspecteur worden opgelegd, kan er ook de weg van het strafrecht (fraude) worden gekozen.

    De keuze voor het opleggen van een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sanctie is afhankelijk van de hoogte van de niet-betaalde omzetbelasting. Bij een bedrag vanaf € 100.000 wordt in beginsel gekozen voor strafrechtelijke vervolging. Dat kan ook adviseurs, medewerkers of medeplegende familieleden betreffen en dat kan ver gaan. Zo is naast het doen van een onjuiste aangifte ook strafbaar, het niet melden bij het constateren van een fout in een reeds ingediende BTW-aangifte of het te laat betalen van de verschuldigde belasting en het niet tijdig doen van BTW-aangifte.

    In de praktijk worden de risico's nogal eens onderschat. Opzet is veel sneller aan de orde dan velen denken, ook ben je in meer gevallen dader, medepleger of medeplichtige. Als uw accountant of belastingadviseur "lastig" doet over de BTW, heeft dat een reden wellicht nog maar eens even nadenken in zo'n geval.


    Hof Den Bosch 13 maart 2018 (20-000657-16, ECLI:NL:GHSHE:2018:1053).

    Lees verder
  • Belastingen in 2018, gecamoufleerde verhogingen zetten de toon Door Wijnkamp Keulers op 12-01-2018

    Emeritus-hoogleraar Leo Stevens beklaagde zich onlangs in het Financieel Dagblad (05-01-2018) over de miskenning van het maatschappelijk rechtsgevoel door Ministerie van Financiën en politiek. Hij meent dat Rutte III een valse fiscale start heeft gemaakt. Hij ergert zich aan het aanhoudend gecamoufleerd verhogen van de belastingdruk. Vooral het intrekken van de vrijstelling bijtelling eigen woning bij afgeloste hypotheek (Wet Hillen) toont onbetrouwbaarheid. Dat dit nodig zou zijn om de overheidshuishouding sluitend te krijgen, noemt hij ongeloofwaardig. Het bleek wel haalbaar om 1.4 miljard vrij te maken voor afschaffen van de dividendbelasting, zo stelt hij.

    Fiscalisten en politiek

    De politiek is er in de vorige kabinetsperiode niet in geslaagd het belastingstelsel te hervormen. Hervorming is hard nodig, want de politiek heeft het stelsel uit 2001 inmiddels opgetuigd met een woud aan detailregelingen, daarmee is het uiterst ingewikkeld en vrijwel onuitvoerbaar geworden. De Belastingdienst is flink in de problemen gebracht.

    Fiscalisten gaan niet over politieke keuzes, maar de vrees dat de overheid met "stiekeme" belastingverhogingen en volgens Stevens "irritant inhalige" regels burgers tegen zich in het harnas jaagt, wat uiteindelijk de inning sterk gaat bemoeilijken, is meer te horen in de belastingwereld.

    Door eerst voordelen voor te spiegelen, mensen daarop te laten acteren, daarna regelingen in te trekken en hogere lasten op te leggen, lijkt de overheid op zijn minst de schijn te wekken van onbetrouwbaarheid. Het gevoel "beet genomen te zijn" is slecht voor de belastingmoraal. Dat geldt ook voor overheidsbeleid dat met twee maten meet in een zelfde situatie. Bij te laat betalen van burgers zijn er torenhoge boetes en flinke belastingrente, bij trage teruggave en of te laat (terug) betalen door de overheid, geen boete en vergoedt de overheid nauwelijks kosten en rente. Dit maakt vooral ondernemers razend.

    De zorg is dus dat de overheid zich van de zwijgende belastingbetalende meerderheid vervreemdt met verslechtering van de belastingmoraal tot gevolg. Als daardoor grotere aantallen burgers zich gaan verzetten door belastingontwijking, belastingontduiking of het systeem gaan belasten met bezwaar en beroep, dan loopt de boel vast. Steeds meer dwang en via hoge boetes burgers in het gareel moeten dwingen, is het onvermijdelijke gevolg, de eerste tekenen zijn al zichtbaar. Dat dit beleid niet erg productief is, lijkt in Den Haag maar niet door te dringen. Voorlopig voert de roep om meer regels, meer controle en hogere boetes de boventoon. De Belastingdienst, die het allemaal moet uitvoeren, kan het niet aan.

    We noemen wat voorbeelden tot nadenken:

    Nieuwe auto's in 2018:

    De BPM afschaffen, vooral voor milieuvriendelijker auto's dat was de belofte. Er is niet veel van terecht gekomen, het behalen van voordeel wordt bemoeilijkt door de normen steeds minder haalbaar te maken. Gewone middenklasse auto's, als Peugeot 308 SW, op benzine schijnen ruim € 2.100 duurder te zijn geworden. Maar dat is het niet alleen. Een duurdere aanschafprijs betekent meer BTW correctie voor privégebruik en hogere bijtelling. Allerhande (provinciale) heffingen, die in de plaats moesten komen van de BPM, zijn niettemin ook gewoon ingevoerd. Per saldo is de (lease) auto van de normale middenklasse werknemer en burger dus gewoon weer melkkoe.

    Spaargeld:

    Inmiddels is de rente 0% en de inflatie ca 1,5%. De spaarder wordt bij vermogen tot € 75.000 belast in box 3 op basis van een gemiddeld rendement van ca 2,8%, vermogen tot een € 1.000.000 geeft kennelijk een gemiddeld rendement van 4,6% en hoger een rendement van 5,39%. Volgens Stevens is de spanning tussen fictie en werkelijkheid hier duidelijk zichtbaar, hij pleit voor belasting van werkelijke rendementen. Financiën wil er niet aan, box 3 is laaghangend fruit, men wil het niet kwijt. Dat vermogens worden uitgehold, mede dankzij belasting over niet genoten inkomen, lijkt ook volgens Stevens meer op onteigening dan op belastingheffing.

    Algemene heffingskorting en aftrekposten:

    De heffingskortingen zijn verlaagd, in 2018 nog weer meer. Aftrek voor kinderalimentatie (forfaitair) is afgeschaft, partneralimentatie is nog wel aftrekbaar, de aftrek is tegen het laagste tarief, de ex-partner, die ontvangt, moet daarentegen wel tegen de normale tarieven betalen. Meer halen en minder teruggeven, zo lijkt het. Dat geldt ook voor de hypoheekrenteaftrek, die sluipenderwijze steeds verder wordt beperkt. Had je afgelost onder de belofte dat je dan ook de WOZ-waarde van de woning niet meer hoefde bij te tellen … jammer dan, de wet Hillen is afgeschaft. Alsnog kiezen voor renteaftrek kan niet. Resultaat is renteaftrek weg, voordeel weg. Degene, die heeft afgelost, zit in de val, die kan geen kant meer op.

    MKB versus grootbedrijf:

    De MKB-winstvrijstelling wordt afgeschaft. De politiek heeft weinig feeling met (M)KB ondernemers en de risico's, die zij met hun gehele vermogen lopen. Fictief rendement wordt wel belast in box 3, écht risico en beperking van de aanwendingsmogelijkheden van ondernemingsvermogen (het zit vast) wordt niet in aanmerking genomen. Vergeten is dat de MKB-winstvrijstelling geen aftrekpost is, maar een tariefcompensatie was.

    Daar staat het kennelijk nogal achteloos toekennen van 1,4 miljard belastingvoordeel voor het grootbedrijf en buitenlandse investeerders door afschaffing van de dividendbelasting tegenover. Slappe knieën en ontvankelijkheid voor een handige lobby van het VNO is het beeld dat daar is blijven hangen.

    Keep it simple

    De zorg over rechtszekerheid en rechtmatigheid, die Stevens uit, heeft betrekking op het uiteindelijk efficiënt, goed en redelijk kunnen heffen van belastingen. Dat kan niet plaatsvinden als er niet een basis-consensus is en blijft, dat de overheid nuttig en noodzakelijk is en dat belastingheffing noodzakelijk is om voorzieningen in dit geweldige en rijke land te kunnen blijven betalen. Stevens heeft een punt, het systeem kan het niet meer aan, de uitvoering irriteert teveel burgers, die moeten betalen. Het moet anders. In 2018 is er een belastingherziening voorzien, hopelijk slagen onze politici erin om een robuust duurzaam belastingstelsel in wetgeving te verankeren. Less is more …?

    Lees verder
  • Minder dan 5% van de aandelen, toch belaste winst op aandelen bij lucratief belang Door Wijnkamp Keulers op 24-11-2017

    Bij aandelenparticipatie wordt nogal eens gekozen voor een belang van minder dan 5%. De veronderstelling is dan dat de aangroei van de waarde van aandelen onbelast is, omdat over de waarde in box 3 wordt betaald. Vooral jonge bedrijven en jongere werknemers, ZZP'ers en ondernemers maken hiervan gebruik. De wetgever heeft gemeend via loon of resultaat uit overig werk toch te moeten belasten. Het komt er op neer dat als u een voordeel behaalt dat is terug te voeren op persoonlijke kwaliteiten of werkzaamheden ook bij een niet aanmerkelijk belang (< 5%) het voordeel als inkomen kan worden belast. Het gaat om niet beursgenoteerde vennootschappen, dus alleen het MKB heeft hier last van.

    MKB, op achterstand

    Vooral bij innovatieve ondernemingen en jonge ondernemers is vaak aan de orde dat er weinig geld is voor lonen en salarissen. Het geld zal pas op langere termijn binnenkomen zonder enige garantie op succes. De grote klapper, te weten verkoop aan een grote marktpartij of eigen exploitatie, is de drijvende factor. Financiers zijn moeilijk te vinden, als ze al willen dan is een logische voorwaarde dat de investering niet opgaat aan "eten en drinken", te weten hoge salarissen. Die moeten dus zo laag mogelijk zijn. Dat is tegen de zin van het Ministerie van Financiën, dat wil tenminste € 45.000 gebruikelijk brutoloon zien, uitzonderingen daargelaten.

    Heffen van belasting staat voorop

    Een ieder, die een aanmerkelijk belang (5% of meer) heeft in een BV en werkzaamheden verricht in die BV, moet zich een gebruikelijk loon toekennen van ca € 45.000. Bij zes aandeelhoudende nerds is dat dus alleen al aan brutoloon zonder bijkomende lasten van € 270.000 per jaar. Dat roomt flink af, belemmert dus groei en innovatie van vooral jonge kleine bedrijven. Recent overleg van het Ministerie van EZ met het Ministerie van Financiën om het probleem van uitstromende liquide middelen door fiscale afroming opgelost te krijgen, had het voorspelbare resultaat … Financiën geeft, behoudens een wat halfslachtige startersregeling en verlaging van het gebruikelijk loon bij financiële problemen, geen ruimte.

    Niet het enige probleem

    Niet alleen bij een aanmerkelijk belang (> 5%) zijn er problemen. Minder dan 5% van de aandelen hebben en dus geen aanmerkelijk belang hebben, leek een goede oplossing. Helaas … ook dit gaat niet meer op. Sinds januari 2009 (crisismaatregel) wordt de aangroei van de waarde van aandelen in een minderheidspakket (< 5%) belast als inkomen in box 1 als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.

    1. Het objectief verwachte rendement van de vermogensbestanddelen is hoger dan normaal, in verhouding tot het geïnvesteerd vermogen of tot het feitelijk gelopen risico.

    2. Reguliere beleggers kunnen deze voordelen niet krijgen

    3. Er is een relatie tussen de waardeontwikkeling van deze vermogensbestanddelen en het werk van de aandeelhouder, bij aandelen komt dit alleen voor bij niet-beursgenoteerde aandelen.

    Er zijn nog wat meer voorwaarden, aan slechts één daarvan hoeft te worden voldaan om te kunnen heffen. Als sprake is van aandelen, die in de winstdeling zijn achtergesteld of die minder dan 10% van het nominaal geplaatste kapitaal uitmaken of tenminste 15% dividendrecht hebben, dan is sprake van een lucratief belang. Bij vergelijkbare rechten of vorderingen geldt een soortgelijke regeling en ook kwijtschelden van een schuld kan belastbaar inkomen opleveren.

    Aangeven of vooroverleg

    Als sprake is van zo'n "buitengewone beloning", dan is deze aan te geven als winst uit onderneming, loon, winst uit aanmerkelijk belang (5% of meer) of inkomsten uit overig werk, al naar gelang de feitelijke situatie. Het initiatief tot aangifte IB ligt dus bij de belastingplichtige. Dat betekent dat vooroverleg of overleg na de aangifte ("gezeur met de inspecteur") onvermijdelijk is. Niettemin, niet verzwijgen … want er zijn al gerechtelijke procedures gevoerd en niet aangeven kan tot flinke problemen, waaronder boetes, leiden.

    Lees verder
  • Belastinginning in belastingplan 2018, ontvanger krijgt nog meer bevoegdheden Door Wijnkamp Keulers op 22-11-2017

    De inning van verschuldigde belastingen wordt gedaan door "de ontvanger", deze heeft bevoegdheden waar elke crediteur voor zou tekenen. Als er een belastingschuld is, en dat kan ook zijn als een aanslag nog niet definitief vaststaat, dan kan de ontvanger zonder dat er een rechter aan te pas komt executoriaal beslag leggen en de executie uitvoeren. Zo kan hij bankrekeningen leeghalen, auto's wegslepen en huizen verkopen om met de opbrengst ervan de schulden te innen.
    Als verkoop aan de orde is en geen uitstel meer wordt verleend, dan is er nu nog maar één weg, de gewone rechter vragen om de executie op te schorten, een aanvraag is voldoende. Er is dan van rechtswege, dus automatisch, sprake van schorsing tot de uitspraak van de rechter. Hoewel deze rechter marginaal toetst, dus niet inhoudelijk het gelijk van de belastingplichtige of de inspecteur beoordeelt, is in de praktijk er wel een belangrijke laatste toets op rechtmatigheid van het handelen van de Belastingdienst.
    Zo komt het voor dat bij evident onjuiste ambtshalve aanslagen en zelfs bij definitieve aanslagen en geen beroep meer mogelijk, toch nog een rechter de rechtmatigheid toetst. De automatische schorsing beviel de staatssecretaris niet en sinds 1 januari 2008 voerde hij het beleid dat de ontvanger zich niets van de wettelijke schorsende werking hoeft aan te trekken, als de ontvanger zelf van mening was dat er sprake was van misbruik.

    De Hoge Raad maakte op 1 mei 2015 een eind aan deze werkwijze van de ontvanger, alleen door een rechterlijke beslissing kan de schorsende werking aan het verzet worden ontnomen. Als reactie op de uitspraak van de Hoge Raad werd nadien in toenemende mate het faillissement aangevraagd door de ontvanger. Maar kennelijk hindert dit, want in het Belastingplan 2018 wordt aangekondigd dat de schorsende werking van het (fiscaal) verzet zal worden geschrapt uit de wet.

    De reden, die gegeven wordt, is dat met de wijziging is beoogd de Invorderingswet in overeenstemming te brengen met het gewone burgerlijk recht. Daar is geen wettelijk schorsende werking en dient de civiele rechter om schorsing van de tenuitvoerlegging verzocht te worden. De burgerlijke rechter is dus nog steeds bevoegd te toetsen, alleen niet meer in een situatie van het opgeschort zijn van de executie, de rechter kan dus gewoon te laat zijn. Niettemin kan een kort geding-rechter om schorsing worden verzocht, bijvoorbeeld in geval van onrechtmatig overheidshandelen, dat kan heel snel tot een vonnis leiden. Het lijkt dus niet zo nadelig allemaal, automatische schorsing vervalt, je moet er nu om vragen bij de rechter en in plaats van direct bij het indienen van het verzoek, gaat het nu in bij het vonnis.

    Verandert er dan niet zoveel?
    Natuurlijk wel, anders waren de voorstellen niet in het Belastingplan 2018 opgenomen geweest, zo simpel is het. Het wetsvoorstel gaat er nogal gemakkelijk vanuit dat het zou gaan om uitsluitend definitieve aanslagen en hangende een bezwaar en beroep zou standaard sprake zijn van verlening van uitstel door de ontvanger.

    Nu is dat vaak wel zo, maar bijvoorbeeld bij hoog opgelopen conflicten over BTW en Loonheffingen, waarbij naheffingen met boetes aan de orde zijn, wordt lang niet altijd uitstel verleend door de ontvanger of er worden flinke bankgaranties verlangd. Zo kan zonder enige rechterlijke toetsing een bedrijf de nek om worden gedraaid.

    De ontvanger krijgt flink meer macht hiermee, het is echter de vraag of dit uiteindelijk allemaal wel zo gunstig gaat uitpakken voor de Staat. Want wat nu als de verkopen zijn doorgezet en de rechter stelt de Staat achteraf in het ongelijk, zouden er dan niet flinke schadeclaims tegen de Staat komen. De belastingplichtige zelf, aandeelhouders, werknemers, crediteuren en noem nog maar eens wat benadeelden op, zullen de Staat op de huid gaan zitten. En of de burgerlijke rechter zich zo opzij zal laten zetten, is ook maar de vraag. De vraag rijst of dit soort eigendomsontneming in het kader van het EVRM wel door de beugel kan. Wij zijn benieuwd.

    Lees verder
  • Steeds meer duidelijkheid over belastingheffing na 2018, nieuw kabinet licht tipje van de sluier op Door Wijnkamp Keulers op 16-10-2017

    Het zekerstellen van inkomsten voor de groeiende collectieve sector heeft nog steeds prioriteit. Kosten voor klimaatbeheersing en zorgkosten blijken verder door te stijgen. De kiezer is niet bereid bezuinigingen, die hemzelf aangaan, te accepteren of milieuvervuiling voor lief te nemen. Er is brede consensus over nut en noodzaak van meer overheidsingrijpen en centrale sturing. Vooral in de zorg, innovatie en op het gebied van klimaat wordt van de overheid een actieve rol gevraagd.

    Daarvoor heeft de overheid meer en meer geld en dus belastinginkomsten nodig. Want ook op andere terreinen, zoals onderwijs en defensie, wordt door lobbyisten, die handig de media bespelen, om "investeringen" gevraagd. De belastinginkomsten zullen dus gewaarborgd moeten zijn en verder moeten stijgen, het is niet anders. Tegenover de behoefte aan meer belastinginkomsten staat namelijk ook dat traditionele inkomstenbronnen voor de overheid, zoals verkoop van aardgas, accijnzen op brandstof, BPM en BTW op nieuwe auto’s opdrogen. Windenergie kost veel geld, want er zijn voorlopig nog aanzienlijke subsidies nodig, dus in plaats van dat accijnzen uit fossiele brandstoffen voor inkomsten zorgen, moet er subsidie worden betaald, dubbel nadeel dus. Ook de vergrijzing levert meer betalingsverplichtingen op door AOW en zorgkosten. Kortom de financierbaarheid van de overheidsuitgaven op langere termijn maakt dat er van echte lastenverlaging voor de burger geen sprake kan zijn.

    Het nieuwe kabinet maakt tegen deze achtergrond keuzes, die voortvloeien uit plannen van een commissie voor een grote belastingherziening. Deze commissie Van Dijkhuizen zag in 2012 al de problemen aankomen en heeft lange termijnmaatregelen voorgesteld. Een grote belastingherziening was nodig, deze had door VVD en PvdA moeten worden doorgevoerd. Dit bleek door het grote verschil in inzicht niet haalbaar, men heeft dat doorgeschoven naar het nieuwe kabinet. Nu is duidelijk dat CDA, CU, D66 en VVD een nieuwe poging gaan wagen, kennelijk op basis van de bekende blauwdruk uit 2012. We leggen de maatregelen naast de meetlat van de bekende plannen en wat blijkt, het past in een breder en verdergaand perspectief.

    De in het regeringsakkoord aangekondigde maatregelen zijn eerste stappen en zullen dan ook vermoedelijk worden gevolgd door veel meer en ingrijpender maatregelen binnen deze kabinetsperiode. In het kort komt het erop neer dat Nederland moet innoveren in verband met klimaatregels en tech-revolutie, men denkt daarin economisch een leidende rol te kunnen spelen en daarin past dat Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats moet zijn voor innovatieve (fin) tech-bedrijven. Dat zijn in de visie van VNO-NCW, zich commercieel opstellende (subsidie genietende) universiteiten en in de visie van Haagse politici vooral multinationals en grote bedrijven. Die zijn met hun lobby's nadrukkelijk gesprekspartner en in het kader van concurrentie tussen de lidstaten van de EU moeten zij worden verleid met lage Vennootschapsbelasting (VpB) tarieven om zich in Nederland "te vestigen". Daar staat wel een beperking van hun aftrekposten van de winst tegenover, vooral renteaftrek wordt beperkt.

    Aan de kleinere ondernemingen wordt geen of een geringe rol toebedacht. Zij blijken niet goed te hebben gelobbyd, hun belastingdruk wordt aanzienlijk verhoogd. Dit is in lijn met de plannen uit 2012, de commissie vond dat fiscale aftrekposten van ondernemers geen (meetbaar) effect hadden op werkgelegenheid en innovatie, dus moeten ondernemers in het (M)KB gelijk worden behandeld in vergelijking tot ambtenaren en werknemers.

    Tekenend is de plotselinge omslag in het beleid voor vrije beroepsbeoefenaren en vooral ZZP'ers. Vooral ZZP'ers zijn van innovatieve flexibele ondernemers verworden tot te bestrijden uitwas. Dat hangt samen met de groei van het aantal ZZP'ers, ruim een miljoen, die, naar het oordeel van de ambtenaren op het Ministerie van Financiën, te weinig belasting betalen. Het beleid om ZZP'ers te belemmeren heeft een nadrukkelijk fiscaal budgettaire oorzaak. De Zelfstandigen met personeel worden daarin meegezogen.

    Dit alles maakt dat het niet verbaast dat in de inkomstenbelasting (IB) gekozen wordt voor "grondslagverbreding" met lagere tarieven. Dat betekent schrappen van aftrekposten en meer en eerder inkomsten belasten, waardoor over meer inkomen tegen lagere tarieven dezelfde opbrengst of meer staat. Ook wordt gekozen om via belastingheffing gedrag te beïnvloeden van grote groepen burgers, dus centrale sturing met alle uitvoerings- en vooral controlelasten voor de overheid van dien, meer kosten voordat er inkomsten zijn voor de overheid, de burger moet de rekening betalen. Milieuheffingen zullen toenemen en de BTW gaat structureel omhoog.

    Omdat ondernemers, werknemers en ambtenaren worden gelijkgesteld, hebben ondernemers geen fiscaal voordeel meer in de vorm van ondernemersaftrek. Die aftrek was een beloning voor het risico dat ondernemers (in toenemende mate) lopen, doordat zij met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn. Zo moesten spaarders verleid worden tot ondernemen. Dat is voorbij, nu worden niet de ondernemers verleid, maar de spaarders belast, sparen wordt dus als het ware ontmoedigd. In die zin past het, dat vermogen, dat niet in een actieve onderneming wordt aangewend, als het ware als "overbodig" wordt aangemerkt en veel zwaarder zal worden belast. Dit alles treft vermogende ouderen, mensen met eigen woningen en weinig schuld, alsmede ondernemers in de eindfase van hun ondernemingsleven. Het is dus of overdragen aan een opvolger of anders (zwaar) belasten.

    Het is wachten op verhoging van de erfbelasting en afschaffen of beperken van het lage bejaardentarief in de IB. Ouderen zullen premies volksverzekeringen gaan betalen, de vrijstelling daarvan is de oorzaak van het lage bejaardentarief. We geven wat voorbeelden.

    Het beeld is dus dat grootbedrijf, lagere inkomensgenieters, jongeren, ambtenaren en werknemers enig voordeel hebben. Ouderen, ondernemers in het kleinbedrijf, middenstanders en mensen, die met eigen vermogen willen voorzien in hun oude dag, hebben nadeel. De ouderen met een behoorlijk inkomen of vermogen blijken bij nader berekenen niet al te best af te zijn. Door het verder uitstellen van de ingangsdatum AOW en het daarmee uitstellen van het lagere bejaarden IB-tarief (geen premies) is er niet alleen voor een AOW'er ca € 45.000 minder AOW beschikbaar, maar heeft deze AOW'er van zijn 65e tot zijn 70e straks ook nog eens ca € 25.000 meer IB betaald dan dat voorheen betaald werd. Dat scheelt dus nogal wat in vergelijking tot de met 65 jaar ingaande AOW en lagere tarieven.

    Maatregelen, die ook passen in het "Van Dijkhuizen" kader, zij het hier en daar aarzelend ingevoerd nu ("... het wordt in 30 jaar afgebouwd dus men merkt er niets van …”, aldus premier Rutte), zijn afschaffing hypotheekrenteaftrek en "normaal" belasten van de eigen woning. Dat betekent eigen woning in box 3 met wat lagere tarieven wellicht voor de meesten en uiteraard aftrek van de schulden van de waarde van het te belasten bezit, maar niettemin heel wat anders dan aftrek tegen 52% van de hypotheekrente. Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat alle betaalde rente, dus ook die op consumptief krediet, aftrekbaar was tegen 72%, maar dat terzijde.

    Naar verwachting zal na 2018 versneld het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek in box 1 worden doorgevoerd. Diegene, die nu een huis hebben met een WOZ waarde van € 500.000 en een hypothecaire lening van € 400.000, hadden in 2012 bij een rente van pakweg 4% een eigen woningforfait van € 3.500 en € 16.000 aftrek tegen 42% of 52%, dus belastingvoordeel € 5.250 of zelfs € 6.500. Bij het nieuwe systeem zal dat zijn 0,6% over € 500.000 en aftrek in de toekomst tegen pakweg 37%, dat zou dus bij 4% zomaar 5% minus € 500 of 15% minus € 500 kunnen schelen. Als de rente stijgt naar pakweg 4% dan is er dus nog maar € 4.810 voordeel, dat scheelt dus nogal. Gaat de woning naar box 3, dan is er geen aftrek van rente, dus voordeel € 0 en is er bovendien € 100.000 belast, dus € 50.000 per echtgenoot. Dat kan als er meer vermogen is met 1,41% of zelfs met 1,61% worden belast. In ons voorbeeld gaat men van aftrek naar € 1.410 tot € 1.610 betalen.

    Natuurlijk is de rente erg laag op dit moment, de burger gaat het niet zo merken (daarin heeft premier Rutte gelijk), maar aan de andere kant geeft dat ook aan, dat het nu of nooit is om de beperking van de aftrek versneld door te voeren. Want algemeen wordt verwacht dat, wanneer de ECB het ruime kredietbeleid zal gaan afbouwen, de rente zal gaan stijgen. Wanneer en hoeveel, dat weet niemand, maar die 30 jaar van premier Rutte is boterzacht. Men gaat natuurlijk niet het risico lopen dat de aftrek moet worden beperkt als de bancaire rente 4% of hoger is, reken dus maar dat men deze termijn zeer sterk zal willen bekorten.

    De toezegging dat de beperking van de renteaftrek wordt gecompenseerd door minder bijtelling (forfait wordt verlaagd van 0,75% naar 0,6 %) is voor de meeste woningen niet houdbaar op langere termijn. Immers, het argument voor afschaffing van de renteaftrek is dat het de overheid teveel geld kost. Het forfait leverde geld op, renteaftrek kostte geld. Als je dus volledig compenseert, zou er een negatief forfait moeten komen en dat gaat natuurlijk niet gebeuren. Deze toezegging is dus bij voorbaat niet houdbaar en zo zijn er wel meer van dit soort korte termijnbespiegelingen door de coalitiepartijen. Dat heeft vooral betrekking op het vertrekpunt dat je neemt om "voordeel" te constateren.

    De coalitiepartijen laten buiten beschouwing, dat het vorige kabinet 18 miljard euro aan lastenverzwaringen heeft doorgevoerd, met als argument dat het tijdelijk zou zijn om de crisis te bezweren. 18 miljard meer per jaar extra lasten als gegeven beschouwen, levert al snel "voordeel" op als daar dan wat vanaf gaat. Zo wordt er vanuit die 18 miljard "plus positie" tientallen miljoenen "voordeel" geconstateerd. Als iemand € 100 euro leent, deze niet terugbetaalt, je dan € 5 euro geeft en dat als een "voordeel" presenteert, omdat hij ook "niets" had kunnen teruggeven, dan zullen weinigen daarin trappen, dat is echter wel wat er in essentie nu gebeurt.

    Want de effecten van de tariefsverlagingen in de IB zijn beperkt, voor de meesten ca 4% tot ca € 68.000, dus maximaal ca € 2.700. Dat wordt met veel tamtam als groot voordeel gepresenteerd. Maar we zetten nog maar even wat maatregelen uit het recente verleden voor u op een rij. Geen aftrek van werkkosten meer, OZB stijgt, zorgpremie eigen risico omhoog, milieuheffingen, "groene belastingen", accijnsverhogingen en voor ondernemers: geen pensioen in eigen beheer opbouw, ondernemersaftrek afgeschaft, BTW-verhogingen, dus minder marge voor de middenstanders, DBA gezeur voor ZZP'ers en in de toekomst voor DGA's 85% van de omzet van de BV verplicht verlonen etc etc.

    Gegeven de staat van de natie is het allemaal wel te begrijpen wat deze coalitie doet, we willen van alles en de rekening moet nu eenmaal betaald worden. De keuzes, die worden gemaakt, zijn vooral gebaseerd op pappen en nathouden van de eigen achterban en dat is te begrijpen.

    Niettemin, de IB-ondernemers, DGA's, vermogenden en ouderen zijn kennelijk niet in staat gebleken op dezelfde wijze als politiemensen, onderwijzers en verpleegkundigen de media te bespelen. Want zij lijken toch het kind van de rekening te zijn. Voor ondernemers is dat extra zuur, ook is het schadelijk voor "echte" werkgelegenheid. Het verbaast ons niet dat er geen vaste arbeidscontracten meer worden gesloten, het vorige kabinet heeft met de Wet werk en zekerheid en het geduvel met de ZZP'ers, de ondernemers tegen zich in het harnas gejaagd, die problemen worden wel geadresseerd, maar niet opgelost. Hopelijk vinden de coalitiepartijen een weg om vertrouwen te herstellen. Dat zal met deze plannen niet gaan lukken, zo vrezen wij, er moet voor de (M)KB ondernemers een fors tandje bijgeschakeld worden.

    Hoe dan ook, voorlopig lijkt er voor belastingadviseurs eerder meer dan minder werk aan te komen, want over één ding twijfelen wij sowieso niet, "makkelijker" gaat het niet worden.

    Lees verder
  • Fiscale voorstellen nieuwe kabinet, BTW verhoging en minder aftrek hypotheekrente Door Wijnkamp Keulers op 06-10-2017

    Het nieuwe kabinet lijkt verder te gaan op de weg van lastenverzwaring voor de (hogere) middeninkomens. Vooral mensen met vermogen, waaronder eigen woningeigenaren en ondernemers in het kleinbedrijf, zullen meer moeten gaan betalen. Voor lage inkomens is het beeld beter, de toeslagen lijken ongemoeid te worden gelaten.

    De aankondiging van € 60 minder box 3 heffing door verhoging van de vrijstelling naar € 30.000, blijkt bij nadere beschouwing € 43 op jaarbasis te zijn, niet schokkend dus. De 3% BTW verhoging op diensten van de tuinman, de schoenmaker, de klusjesman, de kapper en noem maar op, levert daarentegen serieuze lastenverzwaring voor de middenstand op. Het doorberekenen aan de consument zal moeilijk zijn, die zal nog eerder en meer gaan kiezen voor niet meer repareren en weggooien of voor zwartwerk, waaronder “ruil-achtige” activiteiten via marktplaats.nl en “airbnb”. De ondernemer ziet zijn marges met 3% achteruit gaan en zijn lasten stijgen. Zwartwerkers hebben de wind in de rug, het onvermijdelijke gevolg is dat de bonafide ondernemer en zijn personeel de markt worden uitgedrukt. Het lijkt erop dat het nieuwe kabinet dat voor lief neemt.

    Ook de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek begint serieus vorm te krijgen. Aanscherping van de eigen woningreserve en verlaging van de aftrekpercentages zijn stappen op weg naar een algehele afschaffing, dit tegen de achtergrond van een steeds groter gebruik van huurtoeslagen in de huursector. Op de huursector ligt dan ook de nadruk in het beleid. Het stimuleren van eigen woningbezit is verleden tijd, vooral jongeren kunnen steeds minder lenen en zijn meer en meer afhankelijk van wachtlijsten bij woningbouwverenigingen. Drie tot vier jaar wachttijd is geen uitzondering. Ondertussen bakkeleien woningbouwverenigingen en gemeenten over de hoge grondprijzen, die gemeente voor “hun” gronden willen hebben. Gemeenten hebben een belang bij woningtekorten en dure huizen, zij hebben veel grond in bezit, gekocht voor 2008, en willen rente en winstopslagen inhalen, die zij door de crisis zijn misgelopen. Hoge huizenprijzen en tekort aan woningen maakt dat grond duurder kan worden verkocht, althans dat hopen de gemeenten. Ontwikkelaars, waaronder woningbouwverenigingen en bouwers, gaan daarin niet voetstoots mee, veel vergaderen en minder bouwen, dus voorlopig niet meer woningen beschikbaar, het is niet anders. Ook dit effect is, hetzij niet voorzien of wordt voor lief genomen.

    Is er dan alleen maar slecht nieuws te melden op het fiscale en collectieve lastenfront, nee … dat nu ook weer niet. De ondernemers met BV’s gaan minder betalen, dit om buitenlandse ondernemingen te verleiden zich in Nederland te vestigen en het multinationale grootbedrijf binnen te houden. We zullen zien of dat leidt tot meer “echte” banen en of dat het verlies van werkgelegenheid door stoppende middenstanders en kleinbedrijf-ondernemers kan compenseren. Want door aanscherping van de “fictief” en gebruikelijk loon regelingen is het voordeel voor DGA’s beperkt. Hoger verplicht loon betekent meer IB en die belastingdruk is veel hoger dan de lagere VpB belastingdruk, dus dat schiet niet op.

    Tegenover verdere beperkingen van de hypotheekrenteaftrek staat minder bijtelling voor de eigen woning en tariefsverlaging, vooral de hogere (midden)inkomens zullen er niettemin wel op achteruit gaan. En … oh ja, de doorbetaling van werknemers bij ziekte van twee jaar met het risico op 12 jaar doorbetalen, lijkt nu eindelijk enige aandacht te krijgen … er moet een fonds komen voor kleine werkgevers, wie dat gaat betalen is niet duidelijk. Die 12 jaar doorbetalen … daarover zijn nog geen berichten.

    We melden ons weer, zodra er meer nieuws is.

    Lees verder
  • Let op bij gouden handdruk BV, niet uitkeren kan tot heffing ineens leiden Door Wijnkamp Keulers op 27-09-2017

    Er zijn nog veel voormalige gouden handdruk BV’s, waarin een aanzienlijk stamrecht zit. Soms wordt ervoor gekozen om geen lijfrente-uitkeringen te doen, terwijl die wel in de stamrechtakte zijn overeengekomen. Dit was ook het geval bij een BV, die naast een stamrecht, ook een pensioenvoorziening met betalingsverplichtingen jegens de DGA had. De Hoge Raad en na verwijzing het Hof Amsterdam oordeelde dat het niet uitbetalen van de periodieke uitkering betekende dat de gerechtigde DGA afstand had gedaan van de uitkeringen en het stamrecht had afgekocht, het gehele kapitaal werd in één keer belast, het ging om vele honderdduizenden euro’s. Van belang was hier wel dat de BV, in beginsel, uitkeringen had kunnen doen. Het kan anders zijn, als er geen geld meer in BV aanwezig is, maar dat is niet zo snel het geval. Voorzichtigheid en reserveren voor de toekomst valt er in ieder geval niet onder.

    Van belang in deze zaak is dat het een zogenaamde verwijzingsuitspraak betreft. Het Hof Den Haag had eerder de inspecteur ongelijk gegeven, omdat deze bij de aangiften VpB van de BV de grote afname van het stamrechtkapitaal had moeten zien en de aangiften loonheffingen en IB dan ook nader had moeten controleren. Omdat hij dat niet had gedaan, mocht hij niet achteraf bij naheffing en navordering corrigeren, volgens het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad was het daarmee niet eens, bij een aangifte hoeft de inspecteur niet verder te controleren dan hetgeen in de (digitale) aangifte is opgenomen, de HR verwees de zaak naar het Hof Amsterdam, dat de zaak alsnog moest behandelen.

    Het Hof Amsterdam oordeelde vervolgens naar aanleiding van de feiten.
    “Evenals de rechtbank komt het Hof dan ook tot het oordeel dat belanghebbende zijn aanspraak heeft prijsgegeven in de zin van artikel 19b, lid 1, letter c, (…) Wet LB in verbinding met artikel 19, lid 8, Wet LB. De aanspraak wordt derhalve op het onmiddellijk aan dat prijsgeven voorafgegane tijdstip tot het loon uit vroegere dienstbetrekking gerekend, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is.”

    Omdat de BV middelen had, had de BV moeten uitkeren, dus geen sprake van “niet voor verwezenlijking” vatbare rechten.

    Wees dus uiterst voorzichtig met stamrechten en pensioen in eigen beheer, zelfs als er geen financiële middelen zijn of er wordt gevreesd voor de toekomst, niet zomaar afzien van uitkeringen uit de BV, het risico op in één keer belasten is groot. En bedenk goed … een standpunt voor de Vennootschapsbelasting zegt niets over de gevolgen voor Loonheffing en Inkomstenbelasting, ga er dus niet vanuit dat een (impliciet) standpunt door het opleggen van een aanslag conform aangifte of een standpunt na belastingcontrole voor één belastingmiddel het gehele spectrum dekt.

    Hof Amsterdam 23-07-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3737

    Lees verder
  • Geen verplicht gebruikelijk loon of fictief loon voor DGA, nieuwe ontwikkelingen Door Wijnkamp Keulers op 22-09-2017

    DGA’s, die niets voelen voor het gebruikelijk of fictief loon, kunnen, als zij als ondernemer worden aangemerkt doordat zij zelf een onderneming exploiteren of een zelfstandig beroep uitoefenen, ontkomen aan het door velen onvermijdelijk geachte gebruikelijk of fictief loon. Met de juiste juridische vormgeving en feiten en omstandigheden, die daarmee in overeenstemming zijn, kan als het ware de DGA van werknemer ZZP’er worden. Omdat loonbelasting door de inhoudingsplichtige BV op aangifte moet worden voldaan en naheffingsaanslagen en boetes op de loer liggen, is voorzichtigheid geboden. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs de kaders in een uitspraak aangegeven. Weliswaar liep het voor die DGA verkeerd af, maar het feit dat het “net niet” goed geregeld was en de beoordeling van het Hof met motivering waarom het “net niet” was, geeft bruikbare kaders voor wat je dan wel moet regelen. Het komt erop neer dat als er vanuit een “echte onderneming” of zelfstandig beroep op basis van een overeenkomst diensten (mede) aan de eigen BV’s worden geleverd, die diensten niet als “arbeid” of werkzaamheden kunnen worden gekwalificeerd. In dit geval ging het onder meer fout, omdat de DGA toegaf “onbetaalde arbeid” voor zijn vennootschap te hebben verricht naast diensten. Dat en het feit dat zijn onderneming eigenlijk uit niet meer bestond dan alleen werken voor zijn BV’s deed hem de das om.

    Splitsing van eigen diensten en BV’s:

    In feite moet naast de BV’s een onderneming worden opgebouwd, zoals een ZZP’er die heeft. Bestendig streven naar meerdere opdrachtgevers naast de BV’s, investeringen, beloning op basis van verrichte diensten, eigen laptop, geen doorbetaling bij ziekte, geen vaste vergoedingen of voorschotten, kortom een overeenkomst, zoals de modelovereenkomsten, die door ZZP’ers gebruikt worden. Daarin moet dan ook worden geregeld dat er diensten voor de vennootschap worden geleverd, dat kan dus ook (interim) management zijn. Nog beter is het om debiteurenrisico te lopen. Een maatschap met de BV geeft al meer risico-invulling, er is niets op tegen om bepaalde (grote) risico’s in een aparte vennootschap buiten de maatschap onder te brengen, bij een maatschap kennen we immers ook “BVO” ofwel buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen.

    Makkelijker kunnen we het niet maken:
    De hele structuur lijkt op een maatschap zonder BV’s en dat is niet eenvoudig. Niettemin is de prijs dat winst uit onderneming bij de (voormalige) DGA en winst in de BV’s niet meer aan elkaar gekoppeld zijn en niet de winst van de BV grotendeels in belast loon wordt omgezet. Zelf de grootte van de winst bepalen, mits het allemaal zakelijk te verantwoorden is, is vaak aantrekkelijker dan met verplicht loon werken. Het kan … maar het is oppassen geblazen, dat is de conclusie na deze hof uitspraak.

    (Hof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:6563)

    In de kern komt het rechterlijk oordeel van het Hof Arnhem Leeuwarden erop neer dat als sprake is van een “DGA”- dienstverlener die de diensten op grond van een overeenkomst verricht in het kader van zijn persoonlijke onderneming en geen (al dan niet betaalde) arbeid of werkzaamheden verricht voor zijn aanmerkelijke belang BV of in dit geval een coöperatie, er geen sprake zal kunnen zijn van een gebruikelijk of fictief loon. De feiten en omstandigheden wegen zwaar, papier en realiteit moeten in overeenstemming zijn. Het is een “hoog aan de windse koers” die gemakkelijk fout kan gaan zo bewijst deze zaak, niettemin is het mogelijk. In deze zin onderschrijft deze uitspraak onze eerder kenbaar gemaakte standpunten. Winst uit onderneming gaat voor inkomsten uit arbeid, ook bij loonheffing. Arbeid zonder beloning naast winst uit onderneming werkt niet, de vergoeding wordt dan aan de “arbeid” toegerekend, dus loon en inhoudingsplicht. Een mogelijk standpunt van de fiscus dat de aandelen dan verplicht naar het ondernemingsvermogen gaan en sprake is van realisatie van AB-winst wordt weinig kansrijk geacht, alles uitgaande van goede regie en uitvoering.

    Lees verder
  • Huwelijk en algehele gemeenschap van goederen verleden tijd?! Door Wijnkamp Keulers op 03-08-2017

    Vanaf 1 januari 2018 is een beperkte omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen tussen echtgenoten de standaard. Dit betekent dat het voor het huwelijk opgebouwde vermogen van de partners niet tot de gemeenschap zullen behoren en ook erfrechtelijke verkrijgingen en giften zullen buiten de gemeenschap blijven. Al hetgeen gedurende het huwelijk door de partners wordt opgebouwd, dan wel voor het huwelijk al tezamen is verkregen, behoort tot de gemeenschap. Ditzelfde geldt, in beginsel, ook voor schulden, die tijdens het huwelijk zijn aangegaan. De vraag is of het in de praktijk zo zal werken.

    Gevolgen nieuwe regeling
    Het vermogen dat u voor de trouwdag al heeft, blijft van u en valt niet in een gemeenschap van goederen. Bij een echtscheiding hoeft u van dat vermogen, voor zover dit nog steeds als privévermogen is te onderkennen, ook niets te delen. Dit geldt ook voor de schulden, die u bij het aangaan van het huwelijk heeft, deze blijven voor uw rekening en risico. De gemeenschap bestaat dan ook, in beginsel, alleen uit hetgeen gedurende het huwelijk wordt verkregen.

    Uitzonderingen
    Er zijn wel uitzonderingen op de wettelijke regeling van de beperkte gemeenschap, zo valt hetgeen gedurende voor of tijdens het huwelijk uit schenking of erfenis is verkregen, niet in de gemeenschap. Aangezien hetgeen krachtens schenking of erfenis verkregen niet in de gemeenschap valt, zou dat wellicht tot de conclusie kunnen leiden, dat het niet meer nodig is om bij de schenking en/of in het testament een uitsluitingsclausule op te nemen.

    Maar, er kan worden afgeweken van de wettelijke regeling bij huwelijkse voorwaarden en zo kan er alsnog een algehele gemeenschap van goederen worden gecreëerd. Zonder uitsluitingsclausule valt een verkrijging bij erfenis of schenking dan alsnog in de bij huwelijkse voorwaarden gevormde algehele gemeenschap van goederen. Dit is overigens ook aan de orde wanneer de erfenis of schenking is gebruikt voor de aanschaf van goederen of bijvoorbeeld een huis en er onvoldoende duidelijk is, wie wat betaald heeft en waarvan.

    Administratieplicht
    Om een goed zicht te houden op hetgeen voor het huwelijk is verkregen en privévermogen is, is het dus van belang dat een zorgvuldige administratieve vastlegging plaats vindt van de privévermogensbestanddelen. Wanneer er geen goede vastlegging is en de eigendomssituatie niet duidelijk is, kan bij bijvoorbeeld een echtscheiding, het standpunt worden ingenomen dat een bepaald vermogensbestanddeel gemeenschappelijk vermogen is, omdat niet kan worden aangetoond dat het een privébestanddeel is, zeker wanneer er vermenging met overig vermogen heeft plaats gevonden.

    Dit laatste zal waarschijnlijk de bottleneck worden van de nieuwe wetgeving. Ook nu wordt de jaarlijkse verrekening voortvloeiend uit huwelijkse voorwaarden nagenoeg niet nageleefd. Wij verwachten niet dat dit vanaf 1 januari 2018 anders zal worden, met als gevolg dat er feitelijk toch een algehele gemeenschap tussen echtgenoten te constateren is.

    Lees verder
  • BV met vastgoed, geen overdrachtsbelasting bij aandelenoverdracht aan kinderen. Door Wijnkamp Keulers op 25-07-2017

    Met het toenemen van het aantal ondernemers in de post-actieve periode komt steeds meer de vraag aan de orde of resterende BV’s met vastgoedportefeuilles (materiële) ondernemingen zijn of dat de activiteiten in feite niet meer inhouden dan beleggen, zoals dat normaliter in box 3 plaatsvindt. Als sprake is van een onderneming, dan zijn in beginsel bedrijfsvolgingsregelingen in de erf- en schenkbelasting van toepassing. Ook de overdrachtsbelasting speelt bij overdracht van aandelen in de familiesfeer een rol. In geval van een onderneming is de aandelenoverdracht aan familieleden in beginsel vrij van overdrachtsbelasting. Let dus goed op dat er een materiële onderneming is en zolang dat nog het geval is, neem uw maatregelen, maak voort met de opvolging, want de mogelijkheden zullen beperkt gaan worden.

    Dat komt omdat naar de zin van Financiën en de Belastingdienst te veel oneigenlijk gebruik aan de orde is, dat kost geld en is dus in hun ogen onwenselijk. Recent dus weer tegenslag voor de fiscus bij heffing van overdrachtsbelasting. De rechtbank Noord-Holland bevestigde dit in een uitspraak van 26 juni 2017, nr. 15/4224, ECLI:NL:RBNHO:2017:5723. Het gaat om de vrijstelling, die is opgenomen in artikel 15, lid 1, aanhef, onderdeel b Wet BRV, deze vrijstelling is van toepassing, indien een ondernemer zijn onderneming aan een of meer familieleden overdraagt en daarbij onroerende zaken overgaan, die behoren tot en dienstbaar zijn aan de overgedragen onderneming.

    De rechtbank oordeelde met inachtneming van de zogenaamde doorkijk-arresten van de Hoge Raad (zie HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU8559 en HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580). Het komt erop neer dat naar de overwegende rechtshandelingen, die zonder BV tussenkomst vrijstelling opleveren, moet worden gekeken. Het al of niet tussenkomen van een BV, zou voor het rechtsgevolg in dit kader dan uitmaken. Als de vastgoedportefeuille in een eenmanszaak/IB onderneming bij overdracht aan familieleden is vrijgesteld, dan heeft een transactie waarbij aandelen in een BV met dezelfde activiteit wordt overgedragen aan dezelfde familieleden hetzelfde rechtsgevolg, dus vrijstelling. De rechtbank kijkt dus als het ware door de bv-structuur heen. Uiteraard moet aan alle voorwaarden worden voldaan, dus ook dat de kinderen ruim drie jaar na de verkrijging de aandelen nog hebben en de BV de werkzaamheden volledig heeft voortgezet.

    Hoger beroep

    Dit is een belangrijke uitspraak en weer een tegenvaller voor de Belastingdienst en Financiën. Zij zien het toepassen van vrijstellingen ook in geval van post-ondernemingsactiviteiten met lede ogen aan. Hoger beroep is niet uit te sluiten en uiteraard is te verwachten dat aanscherping van de wetgeving, waarbij de grens tussen (vastgoed)beleggen en echt ondernemen nader wordt gedefinieerd, de oplossing voor de fiscus moet brengen. Voor diegenen, die plannen hebben voor bedrijfsopvolging en overdracht van vermogen aan kinderen, is enige haast geboden. Zo mooi als het nu is, blijft het niet.

    Lees verder
  • Verminder fiscale regels, die ergernis oproepen Door Wijnkamp Keulers op 11-07-2017

    Emeritus-hoogleraar L Stevens roept de politiek op om regels, die irritatie opwekken, af te schaffen. Aanleiding is de onmogelijkheid om af te zien van renteaftrek op hypothecaire geldlening eigen woning om zo het forfait te kunnen ontlopen. Ook de renteregels, die ertoe kunnen leiden dat 4 of 8% verschuldigd is of de wettelijke rente, terwijl bij teruggave lang niet altijd het spiegelbeeld wordt gehanteerd, bekritiseert hij. Hij pleit voor een tussentijdse schoonmaakactie aan te kondigen op Prinsjesdag.

    Stevens heeft natuurlijk groot gelijk, zo noemt hij het 8% rente voor rechtspersonen “woekerachtig”. Hij benoemt een aantal problemen, maar er zijn er veel meer. Torenhoge boetes bij aangifte belastingen, bij één dag te laat betalen al aanmaningen en boetes bij herhaling, ZZP’ers het leven zuur maken, gebruikelijk loon willen heffen van start-up ondernemingen die nog niks verdienen, veel te hoge voorlopige aanslagen, talmen met BTW teruggave, 30% regelingen voor buitenlandse starters willen afschaffen, weinig bereidheid tot medewerking aan crediteurenakkoorden en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

    Veel knelpunten zijn wel op te lossen, maar alleen als je goede adviseurs inhuurt, die het systeem kennen. Zo kan bij de eigen woning het forfait en de aftrek aan de fiscale partner worden toegerekend, waarbij dat het beste uitkomt. De nadelen zijn dan veel minder, maar je moet het maar net weten en het kost wel advieskosten.
    De overheid slaagt er maar niet in om aan te haken bij een samenleving, die digitaliseert en verduurzaamt. Dat is goed zichtbaar bij het heffen van belastingen, bij elke nieuwe ontwikkeling zet de bureaucratie de pauwenveren uit en stelt het eigen inkomensbelang voor op vrijwel elke andere ontwikkeling. Dat roept het beeld op van krampachtig regie en controle willen houden en ontwikkelingen afremmen, daar waar het de overheidsbureaucratie beïnvloedt. Dat de wijze van belasting- en premieheffing al lang niet meer aansluit bij de maatschappelijke ontwikkelingen is geen discussie meer, hoe in een duurzame, transparante en innovatieve samenleving de overheid met het heffen van belastingen in plaats van rem initiator wordt, dat is wel volop in discussie. We zijn er voorlopig nog niet uit, dus misschien is inderdaad een tussentijdse schoonmaakactie noodzakelijk en ook het optimaal haalbare.

    Lees verder
  • Wel of niet bedrijfsvermogen, let op bij beleggen vanuit BV en onderneming Door Wijnkamp Keulers op 19-05-2017

    De BV en de onderneming zijn tot ergernis van het Ministerie van Financiën steeds meer in gebruik om aan de verafschuwde box 3 heffingen te ontkomen. Voor velen is de gedachte mogelijkheid om het verlies uit niet terugbetaalde leningen van winst te kunnen afboeken eveneens aantrekkelijk. Ook het kunnen toepassen van de zogenaamde BOR (bedrijfsopvolgingsregelingen) om zo betalen van erfbelasting en schenkbelasting te kunnen voorkomen, is aantrekkelijk. Niettemin wordt steeds meer duidelijk dat lang niet alle verstrekte financieringen als bedrijfsvermogen kunnen gelden. Het moet gaan om financieringen die passen in de onderneming en niet riskanter dan gebruikelijk zijn en er moet niet alleen maar sprake zijn van normaal vermogensbeheer met overtollige liquide middelen, die langer vaststaan.

    Hof Den Bosch
    Het ging hier om een tandarts, die kennelijk zijn broer wilde helpen en zijn hulp verpakte in de vorm van een lening. De broer had 75% van de aandelen in een BV, die een visverwerkingsbedrijf exploiteerde, de zaken gingen kennelijk slecht. De tandarts betaalde wat rekeningen van de BV en leende verder aan de broer € 500.000. In eerste instantie nam de tandarts de vordering op zijn broer en diens BV op in box 3, toen de BV failliet ging claimde de tandarts dat het eigenlijk ondernemingsvermogen was geweest en dat het verlies door niet terugbetaling aftrekbaar was. De rechtbank Zeeland West Brabant vond dat er gewoon box 3 vermogensbeheer was geweest, de aanvankelijke keuze voor box 3 was daar vermoedelijk mede debet aan. Het Hof Den Bosch was het daarmee eens.

    Kan het helemaal niet?
    Jawel, maar het moet wel passen binnen de normale ondernemingsactiviteiten en er moet meer gebeuren dan alleen beleggen. Vooral bij BV’s met alleen exploitatie van onroerende zaken of beleggingen begint de Belastingdienst moeilijk te doen. Weliswaar is box 3 dan niet direct aan de orde, maar waarderingsvraagstukken, gebruikelijk loon en niet toepasselijk zijn van BOR en ondernemingsfaciliteiten leveren gedoe op. Het eerst onderbrengen in box 3 en daarna claimen dat het toch ondernemingsvermogen was, is natuurlijk niet handig, goed plannen en een heldere intentie en uitvoering helpt beter.


    Hof Den Bosch 17 maart 2017; ECLI:NL:GHSHE:2017:1065

    Lees verder
  • Beleggingen binnen een BV met onderneming, vallen niet onder bedrijfsopvolgingsfaciliteit, … of toch wel? Door Wijnkamp Keulers op 21-04-2017

    De rechtbank Den Haag heeft voor de verkrijging door erfgenamen van aandelen in een Beheer BV, die een stoomschip heeft opgebouwd en exploiteert, beslist dat het stoomschip geen ondernemingsactiviteit betrof. Dit ondanks het feit dat Beheer BV 100% aandeelhouder was van een dochter BV, die zich bezighield met onderhoud en verhuur van stoomketels, wat wel als ondernemingsactiviteit werd aangemerkt. Het lijkt er echter op dat de rechtbank ook ruimte geeft voor een iets slimmere manier van exploiteren, althans dat met betere onderbouwing van standpunten, er wel sprake zou kunnen zijn van ondernemingsactiviteit en dus toepassing van de BOR. Plannen en goed procederen is dus noodzaak en geen overbodige luxe.

    DGA overleden
    De betreffende DGA had kennelijk 100% van de aandelen in een Holding BV, die naast het houden van aandelen in een dochtervennootschap, die handel en onderhoud in stoomketels verrichtte, een stoomschip gedurende 10 jaar had opgeknapt en er flink in had geïnvesteerd (ca 8 mio in een periode van 10 jaar). Het schip was uiteindelijk nog niet helemaal af, maar werd al wel tegen enige betaling als museumschip en uithangbord voor het bedrijf van de dochter BV ingezet. Het stoomschip en de daarvoor bestemde liquide middelen bedroegen op de overlijdensdatum 85% van het vermogen van de beheermaatschappij. De aandelen werden geërfd door de echtgenoot, die deed een beroep op de BOR, de waarde van de aandelen was ca € 2,1 mio.
    Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de aanwezige liquide middelen ter afbouw van het schip en het schip zelve als belegging aangemerkt en deze niet onder de BOR laten vallen. De vraag speelt of een in eigen beheer opgebouwd stoomschip ondernemingsvermogen vormt en derhalve recht bestaat op toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit bij de verkrijging van de aandelen.

    Rechtbank Den Haag
    Rechtbank Den Haag overweegt dat beoordeeld moet worden of op de overlijdensdatum de exploitatie van het schip deel uitmaakte van de materiële onderneming van de dochtervennootschap of op zichzelf als het drijven van een materiële onderneming kan worden aangemerkt binnen Beheer BV. In Beheer BV is geen sprake van een ondernemingsexploitatie volgens de rechtbank. De bouw van het schip met de hiervoor bedoelde loods en het verkrijgen van vergunningen heeft ongeveer tien jaar geduurd en kostte circa € 8 mio. Het schip is vooral gebruikt als museumschip voor recreatieve vaart. Dit gebruik kan bedrijfsmatig zijn, maar gezien de hiermee behaalde opbrengsten is geen sprake van een kostendekkende exploitatie, ook in de toekomst zal er dik geld bij moeten naar verwachting. De rechtbank vond dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat met de exploitatie winst werd beoogd of redelijkerwijs kon worden verwacht. De rechtbank oordeelt daarom dat het stoomschip niet op zichzelf als een bedrijfsmatige activiteit kan worden aangemerkt binnen Beheer BV.

    Ook toerekening aan de onderneming van de dochter was niet aan de orde. De dochter houdt zich bezig met weliswaar de handel in - en verhuur van- stoomketels, maar hoe het stoomschip hierin past, is niet duidelijk gemaakt door de belanghebbende echtgenoot. Dat de ketel van het schip wordt gebruikt voor het testen en ontwikkelen van nieuwe brandstoffen, het schip wordt ingezet bij het reinigen van schepen en bij het repareren van defecte stoomketels en als zodanig een verlengstuk van de onderneming vormt, is door belanghebbende niet voldoende gesteld en aannemelijk gemaakt. Ook is onvoldoende onderbouwd dat als dit al tot bruikbare resultaten in de toekomst kan leiden, deze activiteiten voldoende opbrengsten genereren en onderdeel uitmaken van de bestaande onderneming. Omdat het schip niet tot het ondernemingsvermogen van beheer behoort, valt de waarde daarvan en de voor de afbouw beschikbare liquide middelen niet onder de BOR.

    Welke voorzet geeft de rechtbank
    Belanghebbende had aannemelijk moeten maken dat het stoomschip op zichzelf als een bedrijfsmatige activiteit kan worden aangemerkt, dan wel wordt gebruikt als verlengstuk van de onderneming van de dochter. Het gaat er dus om, om de functie van het stoomschip voor de handel van de dochtermaatschappij duidelijker te maken en/of de exploitatie van het schip zelve bedrijfsmatiger op te zetten.

    Gedacht kan worden aan het gebruik als schip primair bestemd voor opleiding en cursussen, als examenschip, als schip gebruikt voor het reinigen van schepen, het repareren van defecte stoomketels, als sleepboot, als onderzoeksschip, partyschip etc. Al die activiteiten bij elkaar, en in combinatie met de dochter BV (samenwerkingsovereenkomst, de dochter betaalt mee ...) moeten enige uitzicht op winst geven.

    Geldt voor alle beheermaatschappijen
    Er lijkt met betere planning, betere regelingen tussen dochter BV en Beheer BV en ietsje slimmer procederen een beter resultaat haalbaar te zijn geweest. In hoger beroep de zaak wat beter presenteren moet dus sowieso in dit soort gevallen, maar daarnaast helpt de zaken vooraf beter inkleuren natuurlijk veel meer. Als je alles tijdens de beroepsprocedure nog moet verzinnen, ben je als cliënt en adviseur gewoon te laat. De les is er voor alle DGA’s met beheermaatschappijen met panden en andere vermogensbestanddelen (belegde pensioenreserves), die ook in box 3 door particulieren worden belegd. Zorg voor voldoende activiteit en maak dat aannemelijk. Kortom pleeg onderhoud aan je BV. Eigenwijs gepruts in de marge en bezuinigen op je adviseurs kost geld en dat is in veel gevallen te vermijden.

    Rechtbank Den Haag van 9 maart 2017 (nr. 16/1684, ECLI:NL:RBDHA:2017:3400)

    Lees verder
  • BTW 2017, aandachtspunten Door Wijnkamp Keulers op 10-03-2017

    Bewaartermijn administratie
    De administratie dient tenminste zeven jaar te worden bewaard, maar gegevens met betrekking tot onroerende zaken en rechten op onroerende zaken moeten 10 jaar worden bewaard in verband met de herzieningstermijn van de aftrek voorbelasting voor onroerende zaken. Bj onroerende zaken is het sowieso verstandig om de gegevens langer te bewaren.

    Kosten nieuwe BTW onderneming

    BTW op kosten die worden gemaakt voordat de onderneming een feit is kan worden afgetrokken. Het ondernemerschap voor de omzetbelasting begint namelijk zodra de eerste kosten worden gemaakt, die kunnen worden toegerekend aan de onderneming. Er moet wel worden onderbouwd dat de kosten op de onderneming betrekking hebben en op het moment van het maken van de kosten moet redelijkerwijs worden verwacht dat de onderneming tot stand komt of tot stand zou hebben kunnen komen. Reële vooruitzichten op deelname aan het economisch verkeer is voldoende.

    De aangifte periode waarover nog aftrek mogelijk is, staat niet vast, maar te lang wachten is niet verstandig. Dat de onderneming pas later worden geaccepteerd en geregistreerd door de fiscus is op zich niet van belang. Hoe verder de periode waarin de kosten zijn gemaakt, echter is verwijderd van de melding van de start van de onderneming, hoe lastiger de aftrek geaccepteerd zal worden.

    Verruiming begrip bouwterrein

    Grond leveren met BTW en met vrijstelling van overdrachtsbelasting is in meer gevallen haalbaar. Met ingang van 1 januari 2017 is namelijk het begrip “bouwterrein” voor de omzetbelasting verruimd. Naast de bekende criteria, te weten bewerkingen aan de grond, voorzieningen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond, omgevingsvoorzieningen of omgevingsvergunning met het oog op bebouwing van de grond, is thans ook in de situatie waarin onbebouwde grond kennelijk bestemd is voor bebouwing met een of meer gebouwen sprake van een bouwterrein. Met 'kennelijk' wordt bedoeld dat de bestemming om het terrein te bebouwen ondersteund moet worden door objectieve gegevens, zoals een (aangevraagde) omgevingsvergunning of factuur van een architect/bouwadviseur. Let op dat splitsing van levering van grond en een aannemingsovereenkomst geen effect meer heeft voor de BTW. Ook bij sloop van gebouwen en ingrijpende verbouwingen is eerder sprake van een levering met BTW. Stem af voordat u transporteert of verkoopt. Wij merken dat de meeste notarissen en vastgoed ondernemers uitgaan van verouderde regels.

    Wijziging regels oninbare debiteuren

    Per 1 januari 2017 is een nieuwe regeling voor de btw-teruggaaf bij oninbare vorderingen van kracht. De kern van de regeling is een 'non-betalingsvermoeden'. Dit houdt in dat na het verstrijken van één jaar na de opeisbaarheid van de vordering uitgegaan wordt van de situatie dat de vordering niet meer zal worden betaald en de btw ter zake van deze vordering in de btw-aangifte mag worden teruggevraagd. Hiervoor is geen aparte rubriek, maar dient als negatieve omzet in de aangifte worden verwerkt. Het is van belang dat per vordering bijgehouden wordt wanneer deze opeisbaar is geworden, maar dat deed u natuurlijk toch al.

    BTW-correctie auto van de zaak

    Sinds 1 juli 2011 wordt de btw-bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak op een andere manier berekend en kan worden gekozen voor de forfaitaire bijtelling van, in beginsel, 2,7% van de cataloguswaarde, dus inclusief BPM en BTW. In sommige situaties kan worden aangesloten bij het werkelijke privégebruik.

    BTW bij parkeren in gemeente garages met cameraregistratie

    Ook dit jaar is de btw bij het parkeren met cameraregistratie een punt van aandacht. Sinds 1 januari 2015 worden ook gemeentelijke parkeergarages of -terrein met uitsluitend cameraregistratie in de btw-heffing betrokken. Dit ter voorkoming van oneerlijke concurrentie met het bedrijfsleven.

    Afdracht op aangifte

    BTW is een afdracht op aangifte, anders dan IB en VpB die bij aanslag worden opgelegd. Dat betekent dat er bij BTW-aangifte een risico-aansprakelijkheid is bij de belastingplichtige op tijdigheid, juistheid en volledigheid van aangifte en betaling. Sjoemelen met de btw-aangifte waaronder “schuiven” dus meer terugvragen of minder afdragen om dat in een later kwartaal weer in te halen, is onverstandig en kan duur uitpakken. Een naheffing met boete is het eerste dat aan de orde is en soms de Officier van Justitie en vervolging wegens fraude.

    Twijfelt u of ter zake van een bepaalde dienst of levering afdracht moet plaats vinden vraag dan aan de inspecteur vooraf om een standpunt of geef aan en maak bezwaar tegen de eigen aangifte. De kans op een naheffingsaanslag met boete wordt zo beperkt.

    Lees verder
  • Deelnemer in (besloten) fonds voor gemene rekening is ondernemer voor de IB volgens Hoge Raad Door Wijnkamp Keulers op 08-03-2017

    Als een deelnemer voordeel kan verwachten en aansprakelijk is voor de schulden, dan is de deelnemer ondernemer. De ondernemersfaciliteiten in de IB zijn dan bereikbaar. Hiermee wordt een nieuwe dimensie toegevoegd aan de mogelijkheid om met een besloten fonds voor gemene rekening aan box 3-heffing te ontkomen. Maak wel onderscheid tussen een besloten fonds (zoals in casu) en een open fonds voor gemene rekening.

    Belanghebbende had een participatie in een besloten fonds voor gemene rekening, wat inhoudt dat er geen vrije toe- en uittreding in het fonds is. Omdat de participanten in een dergelijk fonds grotendeels hun eigen rechtsverhoudingen invullen, kan er de iure sprake zijn van een maatschap. Dat was in eerste instantie door de rechtbank ook vastgesteld waardoor het subjectief ondernemerschap aan de orde was. In dit geval had het fonds had tot doel het exploiteren van een schip.

    In 2011 wilde de belanghebbende deelnemer zijn participatie op grond van een geruisloze omzetting inbrengen in een door hem opgerichte B.V. De Belastingdienst had de beschikking geruisloze inbreng echter geweigerd. Volgens de inspecteur was belanghebbende geen ondernemer. De rechtbank oordeelde echter dat de participant wel een ondernemer was, want hij kon een voordeel verwachten van zijn deelneming in het fonds. Voorts oordeelde de rechtbank dat de man rechtstreeks verbonden werd voor verbintenissen betreffende de scheepvaartonderneming. Ook volgens het Hof Arnhem-Leeuwarden kwalificeerde de participant als ondernemer.

    De Staatssecretaris ging in beroep bij de Hoge Raad en ving bot. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. De man kon objectief gezien voordeel verwachten van zijn deelneming en ook bevestigde de Hoge Raad het oordeel dat de man als deelnemer rechtstreeks werd verbonden en aansprakelijkheidsrisico liep. De man mocht zijn deelneming geruisloos inbrengen in een BV. Zijn deelneming is fiscaal te vergelijken met een aandeel in een maatschap of Vof.

    Onderscheid het besloten fonds van een open fonds. In een besloten fonds is voor toetreding van nieuwe deelnemers toestemming van alle overige deelnemers vereist, bij een open fonds is er in beginsel vrije toe- en uittreding. Als hieraan is voldaan, is sprake van een vennootschapsbelastingplichtige entiteit, daardoor vallen de deelnemingen niet in box 3, maar in box 2, als het belang van de deelneming meer dan 5% is.
     
    Zie artikel 3.4 en 3.65 Wet inkomstenbelasting 2001

    Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:340

    Lees verder
  • Nieuwsbrief aangifte Inkomstenbelasting maart 2017 Door Wijnkamp Keulers op 08-03-2017

    De aangifte IB geeft elk jaar de nodige hoofdbrekens en wellicht zelfs wat stress. Ook dit jaar zijn er weer de nodige veranderingen. Wij zetten de belangrijkste voor u op een rij.

    Controleer uw rekeningnummer voor een snelle teruggave

    De vooraf ingevulde aangifte kan vanaf 1 maart 2017 worden ingediend bij de Belastingdienst. De aangiftetermijn eindigt daarvoor op 30 april 2017. Controleer de vooraf ingevulde aangifte goed op juistheid en volledigheid. Let op dat het rekeningnummer dat bij de Belastingdienst bekend is, actueel is en op naam van de belastingplichtige staat.

    Hogere AOW-leeftijd

    De AOW-leeftijd is op 1 januari 2016 verhoogd naar 65 jaar en zes maanden. Wie in 2016 de AOW-leeftijd heeft bereikt, betaalde één maand langer AOW-premies en ontving een maand later de eerste AOW-uitkering ten opzichte van 2015. Ook het verlaagde IB-tarief (geen premieheffing) gaat later in. Als een niet-verdienende fiscale partner niet premieplichtig is (en dus geen recht heeft op de premiedelen van de heffingskortingen) kan toch uitbetaling van de gehele (algemene) heffingskorting volgen.

    Fiscaal partnerschap bij Wmo opvanghuis en bij stiefkinderen

    Vanaf 1 januari 2016 is men ook fiscaal partner als de belastingplichtige samenwoont met een andere meerderjarige in een opvanghuis via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en één minderjarig kind van één van hen op datzelfde adres staat ingeschreven.  Als u voldoet aan de voorwaarden, onder andere in het bezit bent van een Wmo-beschikking, kan verzocht worden om het fiscale partnerschap te beëindigen. Dat heeft eveneens tot gevolg dat men geen toeslagpartner meer is.

    Men is eveneens fiscaal partner als de belastingplichtige gehuwd is geweest met iemand die al een kind heeft (uit een eerdere relatie) en dat stiefkind woont bij de belastingplichtige in en de belastingplichtige of het stiefkind zijn bij het begin van het kalenderjaar jonger dan 27 jaar. Op gezamenlijk verzoek kan de aanmerking tot fiscaal partner worden beëindigd. Zij zijn dan ook geen toeslagpartners meer.

    BOX 1
    Auto van de zaak

    De CO2-schijfgrenzen voor de bijtelling vanwege een auto van de zaak voor 2016 zijn:
    Bijtelling afhankelijk van CO2-uitstoot (in gr/km)
    4% 0
    15% 1-50
    21% 51-106
    25% >106

    Personeelslening

    Vanaf 2016 is het voordeel, dat wordt verkregen op een personeelslening, belast. Dit gebeurt door het rentevoordeel bij het loon op te tellen. Werkgevers moeten dus dit rentevoordeel als loon in de loonheffing meenemen. Indien de lening is afgesloten voor de eigen woning, dan is het bedrag dat bij het loon wordt opgeteld, aftrekbaar als kosten voor die woning. De waardering van het rentevoordeel voor een personeelslening ten behoeve van een fiets of elektrische scooter op nihil, blijft in stand.

    Eigen woning

    In 2016 bedraagt het maximale percentage waartegen eigenwoningkosten kunnen worden afgetrokken 50,5%. De eigenwoningaftrek wordt eerst tegen maximaal 52% berekend, daarna volgt een correctie in de aangifte om rekening te houden met de maximering van 50,5%. De maximering geldt niet voor bedrijfswoningen in het ondernemingsvermogen.

    Vanaf 2016 worden gegevens van een lening voor de eigen woning, die zijn afgesloten bij bijvoorbeeld familie, een bv of buitenlandse bank, via de aangifte doorgegeven. Het formulier 'Opgaaf lening eigen woning' kan alleen worden gebruikt voor de jaren 2013 tot en met 2015.

    Bij (langdurige) achterstand bij aflossing van de eigen woningschuld, vervalt de renteaftrek en de lening verhuist naar box 3. Deze lening kon daarna niet meer terug naar box 1. Met ingang 2016 verhuist de lening weer naar box 1, als de aflossingsachterstand is ingehaald. Er bestaat dan weer recht op renteaftrek.

    Fiscaal partners, die na 31 december 1991 een kapitaalverzekering hebben afgesloten om een eigen woningschuld af te lossen, kunnen samen bij de aangifte inkomstenbelasting 2016 een verzoek doen om de uitkering beiden voor 50% op te geven. Allebei kunnen dan gebruik maken van hun eigen vrijstelling. Voorheen kon dit niet, als maar één van beiden in de polis genoemd werden. Dan kon maar één keer gebruik worden gemaakt van de vrijstelling.

    De (kamer)verhuurvrijstelling is voor 2016 op € 5.069 gesteld. Wanneer men boven deze vrijstelling uitkomt, zou wellicht gebruik kunnen worden gemaakt van de kostgangersregeling. De gemaakte kosten kunt u aftrekken, een eventuele vergoeding van de kostganger is wel belast.

    Oudedagsvoorzieningen

    Het tussentijds afkopen van een lijfrente is fiscaal niet toegestaan. Naast belasting is revisierente verschuldigd over de waarde van de lijfrente. Voorheen werd de waarde van de polis minimaal gesteld op de betaalde premies of stortingen. Vanaf 2016 is inkomstenbelasting verschuldigd over de eventueel lagere afkoopwaarde.

    BOX 2
    Aanmerkelijk belang, meer dan 5% (soort) aandelen

    De conserverende aanslag voor de DGA, die met zijn vennootschap emigreert naar het buitenland, blijft onbeperkt in stand en vervalt dus niet meer na 10 jaar (vanaf oktober 2015). Een winstuitdeling heeft tot gevolg dat de conserverende aanslag (gedeeltelijk) wordt ingevorderd tot een bedrag van 25% van de winstuitdeling. Zolang de conserverende aanslag nog niet volledig is voldaan, geldt de fictie dat de vennootschap in Nederland is gevestigd, zodat nog inkomstenbelasting kan worden geheven over de uitgekeerde dividenden. De invordering van de conserverende aanslag vindt niet plaats, voor zover over de dividenduitkering feitelijk belasting (in Nederland of het buitenland) wordt geheven. Het forfaitaire voordeel aanmerkelijk belang-aandelen in een beleggingsinstelling is per 1 januari 2016 verhoogd van 4,0% naar 5,5%

    BOX 3

    Vanaf 1 januari 2016 vervalt voor AOW'ers de extra verhoging van het heffingvrij vermogen in box 3.
    Vanaf 2016 vervalt de vrijstelling voor de spaarloonregeling. Een geblokkeerd spaartegoed dat onder de spaarloonregeling valt, moet worden opgegeven bij de bezittingen. Daarnaast vervalt de vrijstelling banksparen voor uitvaartkosten. De vrijstelling voor uitvaartverzekeringen blijft wel bestaan.

    Persoonsgebonden aftrek

    Per 1 januari 2015 is de aftrek vanwege uitgave voor levensonderhoud van kinderen vervallen. In plaats daarvan kunnen de uitgaven, die in de toekomst verplicht moeten worden gedaan voor het levensonderhoud van de kinderen, worden opgegeven als een schuld in box 3. Dit is vanaf 2017 niet meer mogelijk. Alimentatieverplichtingen voor kinderen kunnen dus in 2016 voor de nominale cumulatieve waarde van de schuld worden opgenomen in box 3.

    Dieetkosten

    In de dieetkostentabel is het nodige gewijzigd, nakijken dus of uw aftrek nog kan.

    Verlies op durfkapitaal

    Voor de volledigheid wijzen wij erop dat voor durfkapitaal geldt, dat aftrek mogelijk is voor een geleden verlies op leningen, die vóór 1 januari 2011 zijn verstrekt. Indien er een nagekomen terugbetaling komt op een afgeschreven lening en daarvoor aftrek is toegestaan, wordt – ook nog na 1 januari 2011 – de persoonsgebonden aftrek in zoverre teruggenomen.

    Heffingskortingen

    In 2016 kan maximaal 46,67% of € 1.047 van de algemene heffingskorting worden uitbetaald aan de minstverdienende partner. Hiervan zijn uitgezonderd de belastingplichtigen, die geboren zijn vóór 1 januari 1963.
    Vanaf een inkomen van € 34.015 start de afbouw van de arbeidskorting (4% van het deel van het arbeidsinkomen dat hoger is dan het drempelbedrag). Bij een inkomen van € 111.590 is deze nihil.

    Belastingplichtigen, die op 1 januari 2016, 62 jaar waren, kunnen in aanmerking blijven komen voor de werkbonus. Vanaf 2018 kan niemand meer aanspraak maken op de werkbonus.

    De tijdelijke heffingskorting (vroeg)gepensioneerden vervalt per 1 januari 2016. Indien in 2015 de heffingskorting werd ontvangen, wordt in 2016 maximaal € 61 meer belasting betaald.

    In 2016 bestaat bij een verzamelinkomen boven € 35.949 recht op een ouderenkorting van € 70. Bij een lager verzamelinkomen bedraagt de ouderenkorting € 1.187. De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 436.

    Voorlopige aanslagen, let op belastingrente

    Voor alle belastingen bedraagt de belastingrente 4%, behalve voor de vennootschapsbelasting. De belastingrente voor de vennootschapsbelasting was tot 1 september 2016 8,05% en is vanaf 1 september 2016 tot 1 september 2017 8%.

    ONDERNEMER

    RDA

    De research- and developmentaftrek (RDA) is voor ondernemers, die speur- en ontwikkelingswerk verrichten en bestaat uit een aftrekpost bij de winstberekening. De RDA is per 1 januari 2016 vervallen. Daarvoor komt in de plaats een uitbreiding van de S&O-afdrachtvermindering in de loonheffing. Daarnaast is de opzet van de S&O veranderd.

    VAR

    Met ingang van 2016 is de verklaring arbeidsrelatie afgeschaft. Met een modelovereenkomst van de Belastingdienst kunnen opdrachtgever en opdrachtnemer toch zekerheid over de voorgenomen arbeidsrelatie krijgen. Zie www.keulers.nl voor nadere info. De handhaving is opgeschort, er kan van eigen overeenkomsten gebruik gemaakt worden. Er is, behoudens opzet of grove schuld in combinatie met kwaadwillendheid, geen risico op naheffing en boetes.

    Bijzondere onderwerpen

    Monumentenpanden, haal onderhoudskosten naar voren

    Het voornemen bestaat om met ingang van 1 januari 2018 de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden af te schaffen (zie wetsvoorstel 34 556). Op dit moment mag 80% van de onderhoudskosten worden afgetrokken. Volgens het voorstel komt voor particuliere eigenaren van monumentenpanden een nieuwe subsidieregeling. Onder voorwaarden kan een subsidie worden ontvangen van 25% voor bepaalde aangewezen onderhoudskosten voor het in stand houden van het monument. Voor de subsidie wordt maximaal € 10.000 aan subsidiabele kosten per jaar in aanmerking genomen. Aanvragen, waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan € 2.000 per jaar, komen niet voor subsidie in aanmerking. Door onderhoudskosten naar 2017 te halen, kan nog gebruik worden gemaakt van de aftrekpost.

    Scholingsuitgaven

    Aftrekbaar als scholingsuitgaven zijn kosten voor een opleiding of een studie gericht op een (toekomstig) beroep. Voor de kosten mag een recht bestaan op studiefinanciering. Het voornemen bestaat om de regeling met ingang van 1 januari 2018 af te schaffen. Uit onderzoek blijkt dat de scholingsimpuls van de huidige fiscale regeling beperkt is. In plaats van de scholingsaftrek komt er een nieuwe regeling in de vorm van scholingsvouchers. Deze zijn bedoeld voor mensen, die minder snel zelf geneigd zijn om onderwijs te volgen, maar waarvan het maatschappelijk belang van scholingsdeelname groot is. Door scholingsuitgaven naar voren te halen, kan in 2017 wellicht nog gebruik worden gemaakt van de aftrekpost.

    Box 3, verlaging en verhoging

    Met ingang van 1 januari 2017 is het rendement van 4% gewijzigd. Het rendement wordt afhankelijk van de hoogte van het vermogen. Voor belastingplichtigen met een hoog vermogen betekent dit een hogere belastingdruk. Box 3 wordt steeds onaantrekkelijker, box 1 en box 2 bieden meer mogelijkheden. Let op … volg algemene adviezen om in te brengen in een fonds voor gemene rekening of een BV of coöperatie niet zonder meer. Er zijn haken en ogen, en algemene veel toegepaste ontwijkingen worden meestal snel gerepareerd, vaak met meer uiteindelijk nadeel dan dat er voordeel was.

    Lees verder
  • Verhuur van garageboxen is belast met BTW, dus niet vrijgesteld of toch … Door Wijnkamp Keulers op 13-02-2017

    Verhuur van een of meer garageboxen blijkt in de regel belastbaar te zijn met BTW. Iedere verhuurder van een of meer garageboxen is verplicht om BTW in rekening te brengen, aan te geven en af te dragen. Dat is duidelijk geworden in een recent arrest van de Hoge Raad. Er is geen sprake van verhuur van onroerend goed, maar verhuur van parkeerruimte. Verhuur van onroerend goed is in beginsel vrijgesteld, verhuur van parkeerruimte niet. Dat garageboxen in veel gevallen niet als parkeerruimte worden gebruikt, is niet van belang, het gaat erop of de box naar zijn aard bestemd is voor parkeerruimte en dat is natuurlijk in veel gevallen aan de orde. Voor particuliere huurders betekent dit een aanzienlijke huurverhoging, want alleen voor parkeerruimte die “in de BTW” is gebouwd zal een lagere huur kunnen worden berekend, tenzij de verhuurder het nadeel voor zijn rekening neemt.

    Wel vrijgesteld
    Als er voorzieningen zijn voor gebruik in het kader van een multifunctionele ruimte, dan kan er sprake zijn van de verhuur van een zodanige ruimte en dat is iets anders dan verhuur van “parkeerruimte”, de verhuur is dan wel vrijgesteld. De HR stelt dat de enkele omstandigheid dat een huurder een garagebox een andere aanwending mag geven, deze niet maakt tot een multifunctionele ruimte. Het probleem hier en in het algemeen is, dat een garagebox meestal als parkeerruimte geldt, er dus niet al te snel sprake is van een “multifunctionele ruimte”.

    Niettemin lijkt de HR te erkennen dat als in het verhuurcontract, verhuur van een multifunctionele ruimte wordt overeengekomen met de huurder en er voorzieningen zijn voor dit multifunctionele gebruik, dat dan de verhuur wel vrijgesteld kan zijn. Het gebruik blijft dus wel degelijk doorslaggevend, alleen de feiten en het contract moeten wel maken dat er geen sprake is van “parkeerruimte”. Kortom, je komt overeen dat je een multifunctionele ruimte huurt, er worden opbergplanken aan de muur geschroefd, er is 220V in plaats van de 42V laagspanningsaansluiting, er gaat een vriezer in waarin voedsel ligt etc etc. Dat zou dan genoeg moeten zijn, zelfs als er toch ook nog een auto staat gestald. Bij oldtimers dus contractueel regelen dat er gesleuteld wordt, gepoetst wordt, koffie en andere lekkere dingen worden gegeten en gedronken tijdens het sleutelen en poetsen. Poetsmiddelen, gereedschap met tuinkussens en al dat soort schuuropslag spullen erin en voorzieningen daarvoor aanbrengen, zoals een werkbank en een mooie wand met gereedschap. Opslag en klussen in plaats van parkeren, dat lijkt de weg te zijn die we op moeten.

    BTW lastig, BTW verstoort hier verhoudingen
    De BTW-heffing mag niet concurrentievervalsend werken, er moet neutraliteit zijn. Vooral oudere garageboxen, die aan particulieren worden verhuurd, zullen 21% duurder worden in vergelijking tot nieuwe boxen, die met BTW-vooraftrek gebouwd zijn of zullen worden. Er kan ontweken worden, deze procedure maakt wel duidelijk dat de Belastingdienst kritisch is, ga dus niet over een nacht ijs. BTW is gecompliceerd, om risico’s op naheffing te voorkomen, kun je de inspecteur om een standpunt vragen of met het contract en het gebruik als multifunctionele ruimte bezwaar maken tegen je aangifte BTW. Kijk uit, voor naheffingen en boetes, dus vooraf afstemmen is in dit geval wellicht handig.

    Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:185

    Lees verder
  • Staatssecretaris Wiebes geeft ZZP’ers en opdrachtgevers duidelijkheid Door Wijnkamp Keulers op 03-02-2017

    De brief, die door de Belastingdienst vandaag is gestuurd aan alle ZZP’ers met een VAR, biedt eindelijk de duidelijkheid, die nodig is om als echte ZZP’er opdrachten te kunnen vervullen, zoals voorheen met de VAR. De hand van Staatssecretaris Eric Wiebes is zichtbaar, hij heeft zijn beloften waar gemaakt. Feitelijk is voorlopig de situatie van de VAR terug en wel tot 1 januari 2018, maar dat kan worden verlengd als meer tijd nodig is voor een definitieve regeling. Wij menen dat er nu niet teveel haast meer behoeft te worden gemaakt, de VAR is feitelijk terug ... prima zo, niets meer aan doen!

    De brief geeft aan, dat er niet alleen geen boetes worden opgelegd, maar ook de keuze van opdrachtgever en opdrachtnemer voor het niet willen van een arbeidsverhouding wordt gerespecteerd, dus ook geen loon- en premienaheffing bij opdrachtgevers. Alleen ingeval van kwaadwillende opdrachtgevers, die schijnconstructies opzettelijk zijn aangegaan en waarbij evident buiten het wettelijk kader voor een overeenkomst van opdracht is getreden, blijft er risico op naheffing en boetes. Het gaat dan om fraude of zwendel, waardoor oneigenlijk voordeel wordt behaald, en situaties die leiden tot uitbuiting, ernstige concurrentievervalsing of maatschappelijke ontwrichting. Er hoeft geen gebruik meer te worden gemaakt van goedgekeurde modelovereenkomsten of goedgekeurde eigen overeenkomsten, er mag gewoon een eigen overeenkomst worden gebruikt.

    De normale professionele dienstverlener of vakman en diens opdrachtgever hoeven met deze brief in dezen niet meer te vrezen en hiermee is in feite de situatie van de VAR in ere hersteld. Want de VAR in combinatie met de oude overeenkomsten en dezelfde feitelijke omstandigheden was indertijd tijd goed, dat kan dus nu niet als fraude of uitbuiting te kwalificeren zijn.

    Zoals gezegd is in deze brief de hand van Staatssecretaris Wiebes zichtbaar, gezien zijn uitlatingen eerder op dit dossier. Een beetje laat, dat wel, de schade is er inmiddels en de vraag is of de payroll- en lagere tarieven-geest nog in de fles teruggaat. Niettemin beter laat dan nooit en als er nu nog problemen zijn, bijvoorbeeld te lage tarieven, ligt dat echt aan de opdrachtgever, die er een slaatje uit probeert te slaan.

    Laat de les van dit alles wel zijn, dat voor een definitieve regeling meer aangesloten moet worden bij de oude VAR-regeling dan bij de eerdere DBA die met modelovereenkomstenwerkwijze die meer risico naar de opdrachtgever schuift. Werkgevers en opdrachtgevers de stuipen op het lijf jagen en met zalvende “samen verantwoordelijk” verhalen de opdrachtgever aansprakelijk stellen, is volstrekt contraproductief gebleken. Er kon ook onder de VAR gewoon bestrijding van misbruik plaatsvinden door de Belastingdienst, kennelijk is dat nu doorgedrongen. Dus je zou haast zeggen, “niets meer aan doen” geen nieuwe regeling dus, ook niet in 2018 en latere jaren.

    Het standpunt om ZZP’ers tegen te werken en mensen weer in een vast dienstverband te dwingen, lijkt nu enigszins verlaten te worden. De politieke agenda, die onder meer allerhande verplichte cao- achtige regelingen voor ZZP’ers betekent, zou hetzelfde lot moeten ondergaan.

    Want het veel gebruikte argument dat het “a-sociaal” is dat ZZP’ers geen pensioen opbouwen en niet voor arbeidsongeschiktheid zijn verzekerd en dat dat dus collectief moet worden afgedwongen, omdat “WE dat anders met z’n alluhhh…” betalen is onzin. Vakbonden hebben met ditzelfde argument in het verleden ook gepleit voor verplicht lidmaatschap van alle werknemers van een vakbond, want het zou a-sociaal zijn dat “niet georganiseerden” profiteerden van het werk van de bonden. Het bleek een slecht plan, de meeste werknemers trapten er niet in en wilden helemaal geen lid zijn. De argumenten voor verplichte collectieve pensioenen en verplichte collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zijn niet nieuw en een even slecht idee als het gedwongen collectieve vakbondslidmaatschap indertijd was.

    De meeste Nederlanders, ook die met collectieve regelingen, bouwen in tegenstelling tot het geschetste beeld niet een ruim “ZwitserLeven-gevoel” pensioen op. Niemand zit meer 40 jaar bij één baas en niemand bouwt op final pay-basis 70% inclusief AOW op. Integendeel, op de AOW wordt sterk bezuinigd en pensioenuitkeringen vallen bitter tegen, al was het maar omdat de rente dankzij de banken met hun onverantwoordelijke gedrag in de jaren tot 2008 inmiddels zo goed als negatief is.

    Sparen in een collectief fonds tegen vrijwel 0% rente en dan ook nog moeten betalen om te mogen “mee-sparen” is geen goed verhaal. Verplichte deelname aan een regeling die maar voor een klein aantal deelnemers voordelig is, is ook geen goed verhaal. Duur (geleend) geld aan (jonge) ondernemers en hun ondernemingen onttrekken in ruil voor het storten in fondsen, die een uiterst magere return on investment geven, is slecht voor ondernemend Nederland. Ondernemingsvermogen rendeert beter dan spaargeld, sparen op deze wijze is dus niks voor ondernemers, sparen binnen de onderneming, vermogensvorming dus en daarmee ondernemen is natuurlijk veel beter.

    De gevolgen van arbeidsongeschiktheid kun je zelf regelen via broodfondsen, sparen en vermogensvorming of particulier verzekeren. Dat een collectieve regeling meestal uiteindelijk veel duurder is, blijkt uit de almaar stijgende ziektekosten. Verzekeringspremies en belastingdruk lopen, sedert de facto de oude ziekenfondsen aan de touwtjes trekken, uit de hand en er blijkt geen bereidheid om de kosten te beheersen als de burger eenvoudig gedwongen kan worden om meer premie te betalen. Er is geen reden om aan te nemen dat dit bij een collectief ZZP-fonds anders zou zijn.

    Ruim baan dus voor ondernemers en ZZP'ers en mensen, die zelf hun lot in eigen hand willen nemen en houden. Hopelijk is de brief van de Belastingdienst een herstart met nieuw elan en een breuk met beleid van betutteling en tegenwerking. Wie weet gaat het nog goed komen met Eric Wiebes.

    Lees verder
  • Giftenaftrek voor vrijwilligers die afzien van vergoeding, Belastingdienst geeft uitleg Door Wijnkamp Keulers op 27-01-2017

    De Belastingdienst heeft in een handreiking de regels, die worden toegepast, verduidelijkt. Niet in alle gevallen leidt het afzien van een vrijwilligersvergoeding tot een aftrekbare gift. Volgens de Belastingdienst wordt in de praktijk de giftenaftrek nogal eens onterecht toegepast, bijvoorbeeld omdat de vrijwilliger geen reëel recht had op een vergoeding. Dit kan zich voordoen als de ANBI niet over de intentie of middelen beschikt om aan de vrijwilliger een onbelaste vrijwilligersvergoeding te verstrekken. Is dat het geval, dan heeft de vrijwilliger geen reëel recht op de vergoeding en kan hij deze niet als gift in aanmerking nemen.

    De Belastingdienst geeft voorwaarden voor aftrek:
    • De Belastingdienst heeft de instelling aangewezen als ANBI of culturele ANBI.
    • De instelling heeft een verklaring afgegeven dat u zich hebt ingezet als vrijwilliger.
    • De (culturele) ANBI heeft een regeling getroffen waardoor u in aanmerking komt voor een vergoeding.
    • De financiële situatie van de (culturele) ANBI is zo dat zij de vergoeding ook kan uitbetalen.
    • De (culturele) ANBI heeft de bedoeling om de vergoeding daadwerkelijk uit te betalen.
    • U moet zelf kunnen bepalen dat u de vergoeding niet wilt ontvangen en aan de (culturele) ANBI schenkt.

    Krijgt de belastingplichtige geen vrijwilligersvergoeding, maar maakt hij wel kosten voor de (culturele) ANBI? Dan kan hij de werkelijk gemaakte kosten onder voorwaarden ook aftrekken als gift. Daarbij is van belang of de vrijwilliger wel of geen vergoeding kan krijgen voor de gemaakte kosten.

    Krijgt u de gemaakte kosten niet vergoed door de (culturele) ANBI? Maar maakt u kosten die volgens maatschappelijke opvattingen vergoed horen te worden? Dan mag u deze kosten aftrekken als een gewone gift. Het gaat om
    • Portokosten
    • Reiskosten
    • Kosten voor enveloppen, papier of inkt
    • Auto- en taxikosten
    Voor autokosten telt u een vast bedrag van € 0,19 per kilometer mee. Voor taxikosten tellen de werkelijke kosten mee.

    Ziet de vrijwilliger af van de vrijwilligersvergoeding én maakt hij kosten, die niet door de ANBI worden vergoed? En behoren deze kosten naar maatschappelijke opvattingen wel te worden vergoed? In dit geval telt voor de aftrek van de werkelijke kosten alleen het deel mee dat hoger is dan de vrijwilligersvergoeding.

    Voorbeeld van de Belastingdienst
    Jan heeft recht op een vrijwilligersvergoeding van € 600 van de ANBI. Voor deze ANBI heeft hij daarnaast € 760 aan autokosten gemaakt (4.000 km a € 0,19). Deze autokosten zijn naar maatschappelijke normen aanvaardbaar. Jan ziet af van zijn vrijwilligersvergoeding. Jan mag daarom € 600 als gift in aanmerking nemen. Voor de autokosten mag Jan daarnaast nog € 160 (€ 760 - € 600) in aftrek brengen.

    Lees verder
  • Wat brengt 2017 Door Wijnkamp Keulers op 30-12-2016

    Wat brengt 2017
    De verwachte fiscale ontwikkelingen in 2017 zijn in twee delen te splitsen, voor de verkiezingen en daarna. Het huidige kabinet heeft nadrukkelijk een halt toegeroepen aan de verdere ontwikkeling van flexibilisering van arbeid.

    ZZP'ers

    ZZP'ers hebben veel last van de afschaffing van de VAR en de DBA wetgeving. Wij zien dat nog niet zo snel veranderen na de verkiezingen.

    DGA's

    De nieuwe pensioenwetgeving voor DGA's adresseert een venijnig probleem dat ook nog wat verdere impact heeft. Veel DGA's hebben niet veel omzet en winst behaald de laatste jaren en hebben geleefd door te lenen van hun BV. Daarmee zijn de rekening-courant schulden sterk toegenomen en hebben de BV's geen geld meer om lijfrente-uitkeringen te doen en pensioenen uit te keren. De nieuwe wet (Wet uitfasering pensioen in eigen beheer…) geeft de mogelijkheid om de pensioenrechten tegen fiscale waarde af te kopen met een flinke korting op de inkomstenbelasting. Niettemin dreigt daarna box 3 en niet iedereen heeft voldoende geld of de noodzakelijke toestemming van partners. Het blijft dus zaak om na het van kracht worden van de wetgeving goed op te passen.

    Bedrijfsopvolging

    De BOR (bedrijfsopvolgingsregeling) heeft zijn langste tijd wel gehad en in combinatie met en mogelijke verhoging van het tarief in de erfbelasting dreigt een aanzienlijke verslechtering. Alle reden om nu actie te ondernemen. Ook voor ondernemers, die geen opvolgers hebben, geldt dit. Bij landbouwers en andere ondernemers met fors eigen vermogen is er bijzondere aandacht voor de schulden in de onderneming, worden die mee overgenomen dan is er een hogere grondslag voor de BOR op grond van een wettelijke bepaling, dit in tegenstelling tot leningen die zelf worden aangegaan, die vallen daar niet onder (HR 12 juli 2013).

    Landbouwers

    Voor landbouwers met eigen grond en geen opvolger(s) is te overwegen een verkoop onder voorbehoud van pachtrechten toe te passen. Hiermee kan het vermogen dat belastbaar is voor de IB en de erfbelasting onder omstandigheden tot de helft worden teruggebracht. Geleidelijk schenken tegen 10% tarief kan verdere besparing opleveren. Wel altijd oppassen voor fictief legaat.

    Actualiteiten btw 2017

    De landbouwregeling
    Deze gaat verdwijnen, dus alle landbouwers de btw in per 1 januari 2018.

    Oninbare vorderingen
    Vanaf 2017 wordt het terugvragen van afgedragen btw, die niet (meer) kan worden geïnd, eenvoudiger. De btw kan namelijk in ieder geval worden teruggevraagd indien de betreffende factuur één jaar nadat deze opeisbaar is geworden nog niet is betaald. Het oninbare btw-bedrag kan gewoon in de reguliere aangifte worden opgenomen. De nieuwe termijn van één jaar gaat lopen met ingang van 1 januari 2017.

    Levering bouwterrein in 2017
    Vanaf 1 januari 2017 is er in meer gevallen sprake van de levering van een bouwterrein, dus minder keuzemogelijkheid meer om aan particulieren met laag overdrachtsbelastingtarief te leveren. Het gaat nogal eens mis, dus vaar niet blind op de notaris, vooral de goedkopere Internet notaris is niet altijd goed op de hoogte en let vooral op de overdrachtsbelasting. Als de koopprijs niet exclusief btw is, maar k.k. is verkocht, is de verkoper de pineut.

    Betaal niet te veel btw, pas de KOR toe
    Indien er op jaarbasis maximaal € 1.883 aan btw (na aftrek van voorbelasting) is verschuldigd, dan komt een natuurlijk persoon of combinatie daarvan, zoals maatschap of VOF, in aanmerking voor de kleine ondernemersregeling (KOR). In dat geval hoef je een deel van de btw niet te voldoen. Er geldt zelfs een vermindering van 100%, indien op jaarbasis niet meer dan € 1.345 aan btw is verschuldigd.

    Meld wijzigingen in omstandigheden bij BV's, vraag om verbreking fiscale eenheid btw
    Ondernemers, die zijn opgenomen in een fiscale eenheid voor de btw, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de btw-schulden van de fiscale eenheid. Indien er niet langer aan de voorwaarden van een fiscale eenheid btw wordt voldaan, is het raadzaam om de inspecteur hiervan op de hoogte te stellen en de fiscale eenheid te verbreken of te wijzigen. Hierdoor eindigt de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uittredende ondernemer(s).

    Corrigeer via suppletieaangifte btw
    Onjuistheden of onvolledigheden in eerder ingediende btw-aangiften kunnen worden gecorrigeerd door middel van het indienen van een suppletieaangifte. Als deze onjuistheden of onvolledigheden niet worden gecorrigeerd, riskeer je een boete voor het niet tijdig of niet juist doen van de aangifte. De grens voor het verplicht indienen van een suppletieaangifte ligt bij € 1.000. Als de correctie lager is, is het indienen van een suppletieaangifte niet verplicht. In dat geval kun je de correctie meenemen in de lopende btw-aangifte.

    Vergeet correctie privé gebruik auto niet
    Wanneer een ondernemer zijn auto van de zaak privé gebruikt, dan dient hij aan het einde van het jaar btw voor het privégebruik (op basis van het werkelijk aantal privé gereden kilometers of op basis van een forfaitaire correctie) te betalen. Vergeet deze correctie privégebruik auto niet!

    Herziening
    Het recht op aftrek van btw is afhankelijk van het gebruik van de ingekochte goederen en diensten. Op het moment van inkoop moet een ondernemer op basis van het verwachte gebruik de btw-aftrek bepalen. Wanneer het gebruik achteraf toch anders blijkt te zijn (bijvoorbeeld meer gebruik voor vrijgestelde prestaties dan ingeschat), dan moet de afgetrokken btw worden 'herzien'. Het is belangrijk om deze herzieningsberekening eind 2016 te maken, zodat de eventueel te weinig teruggevraagde btw kan worden teruggevraagd of te weinig afgedragen btw alsnog kan worden voldaan.

    Neem kinderen in dienst of in maatschap

    Werken uw kinderen mee, beloon ze dan, dat is beter dan zakgeld geven. Uiteraard moet het wel realistisch zijn, geknoei of zo maar iets boeken, kan natuurlijk niet. Aan de andere kant hoeven partners en kinderen niet voor niets te werken. De benchmark is altijd, … zou u het bij een niet-familielid ook zo hebben kunnen regelen. Met dergelijk regelingen zal ook eerder zijn voldaan aan de 3-jaars eis voor bedrijfsopvolging.






    Hoewel deze nieuwsbrief met veel zorg is samengesteld kan hetgeen is vermeld niet de plaats innemen van een individueel advies en is alle aansprakelijkheid uitgesloten.

    Lees verder
  • Beleidsnotitie onthult, Belastingdienst werkt ondernemers tegen Door Wijnkamp Keulers op 28-12-2016

    De Belastingdienst zoekt in toenemende mate de confrontatie op met ondernemers, die een beroep doen op bij ondernemerschap horende faciliteiten, althans veel ondernemers hebben dat gevoel. Zo moest de Hoge Raad er deze week aan te pas komen om in een tweetal zaken naheffingsaanslagen BTW vernietigd te krijgen en helemaal spectaculair was een via de WOB afgedwongen openbaarmaking van een interne beleidsnotitie over de behandeling van ondernemers, die onroerende zaken exploiteren. Wat blijkt, de Belastingdienst vindt dit geen “echte” ondernemers en werkt deze ondernemers, natuurlijke personen en BV’s, tegen met als doel, ontmoediging. Wat is er aan de hand, zijn dit incidenten of is er sprake van een anti-ondernemers beleid?

    WOB verzoek

    Twee belastingadviseurs zijn er in geslaagd een notitie, die inspecteurs hoofdlijnen moeten geven voor beleid, openbaar te krijgen. Dat is vrij uitzonderlijk, want meestal blijven dit soort stukken geheim. Het gaat om een notitie van een speciale kennisgroep (een soort taskforce), bestaande uit leden van de kennisgroepen Vastgoed Kenniscentrum, Aanmerkelijk belang en BOR (BedrijfsOpvolgingsRegeling). Hoewel de notitie aangeeft dat men beoogt de inspecteur slechts “handvatten” aan te reiken, is de praktijk anders. De kenniscentra maken de dienst uit.

    Visie Belastingdienst verrast niet

    Men kijkt met gemengde gevoelens naar exploitatie van onroerende zaken, zo blijkt. Verhuur van vastgoed blijkt per definitie nooit een onderneming en dat de Belastingdienst dit standpunt inneemt, is dus geen incident maar vast beleid. Dat het standpunt van de Belastingdienst door de rechter meestal wordt afgeschoten, wordt afgedaan met het argument dat die zaken niet “leidend” zijn. Men lapt dus de uitspraken van de rechter gewoon aan de laars. Ook wordt aangeslagen “op normaal te doen gebruikelijk vermogensbeheer” (box 3 dus en geen toepassing van de BOR). Je moet als ondernemer weliswaar meer doen dan alleen normaal vermogensbeheer, maar onderbelicht blijft dat er meestal door de exploitant veel meer werk wordt besteed aan administratief, technisch en commercieel beheer dan een belegger in box 3 doet. Meestal is er ondernemerschap, precies zoals door de rechter keer op keer is beslist.

    Zet de belastingplichtige aan het werk

    Dat de toepassing van de BOR wordt tegengewerkt, blijkt eveneens geen incident te zijn maar vast beleid. Deze regeling met de ruime werking, die de wetgever bewust heeft beoogd, is kennelijk tegen de zin van enige heren en dames bij de Belastingdienst. Dus is beleid dat, omdat de bewijslast in geval van bedrijfsopvolgingssituaties bij de belastingplichtige ligt, deze flink aan het werk moet worden gezet. Er moet een “omstandighedencatalogus” worden samengesteld. Op basis hiervan moet de inspecteur van belastingplichtigen allerlei informatie eisen, zoals opgave van het aantal panden, de m2, de kosten etc., de organisatie van de vennootschap (o.a. aantal FTE’s, ervaringsjaren), het door de vennootschap nagestreefde en behaalde rendement en de financiering. De gevraagde informatie is grotendeels niet relevant, dat is al lang uitgemaakt door de rechter. Opvallend is dat dit ook wordt erkend in een eerdere notitie van Vastgoed Kenniscentrum, niettemin eist men het hier wel. Het lijkt er dus op dat afmatten en ontmoedigen het devies is en de boodschap is kennelijk “bevalt het je niet, dan ga je maar naar de rechter”.

    De Belastingdienst staat te kijk door de inhoud van deze notitie, het tegenwerken van kennelijk ongewenste wetgeving en bedrijven van politiek ligt dicht bij elkaar. De Belastingdienst bevindt zich op glad ijs, de politiek is aan zet.

    Lees verder
  • Wet DBA opgeschort, feitelijk van tafel … wat nu ZZP'ers? Door Wijnkamp Keulers op 21-11-2016

    Met het opschorten van de controle door de Belastingdienst, zoals vrijdag jl. toegezegd door Staatssecretaris Wiebes, lijkt de Wet DBA feitelijk van tafel. Niettemin is de VAR niet terug, dus de vraag rijst wat nu de aangewezen weg is om het risico op (na)heffen van loonbelasting en premies bij de opdrachtgever te minimaliseren. Ondanks het ontbreken van de VAR kunnen we terugkeren naar de situatie toen de VAR er nog wel was, alleen nu met gebruikmaken van de modelovereenkomsten. Dit omdat de wetgeving zelve, die inhouding en afdracht van loonheffingen regelt, niet is gewijzigd, dus ook niet de termijn van 5 jaar waarbinnen de Belastingdienst kan controleren en naheffen. Wat wel beter is, is dat er geen boetes zullen kunnen worden opgelegd. Gebruik de modelovereenkomsten in uw voordeel, waarmee de opdrachtgever in feite net zoveel zekerheid heeft als voorheen met de VAR.

    De VAR gaf bij oneigenlijk gebruik in feite ook geen zekerheid, dat leek alleen maar zo, omdat er door de Belastingdienst niet of nauwelijks werd gecontroleerd. Ook bij de VAR was er een risico, over een periode van 5 jaar na dato, op alsnog opleggen van loonheffingen en met boetes. Behoudens in gevallen waarin het de spuigaten uitliep, werden er echter geen naheffingen en boetes opgelegd. Nu met het opschorten van de beoordelingen tot januari 2018 keert die situatie terug. Het blijft zaak voor een opdrachtgever om elk geval zelf goed te beoordelen, maar dat was onder de VAR niet anders. Inmiddels is er echter wel veel meer duidelijkheid, in welke gevallen er geen dienstbetrekking is en loonheffing zal worden (na)geheven. Als gebruik wordt gemaakt van de modelovereenkomsten en een beroep wordt gedaan op de inmiddels bekend gemaakte interpretaties van de Staatssecretaris, dan is het risico op een andere beoordeling door de Belastingdienst vrij klein, eigenlijk nog kleiner dan onder de VAR.

    Meer zekerheid voor langduriger relaties kan eventueel nog worden verkregen door aangifte LH te doen als ware er een dienstbetrekking en vervolgens door de opdrachtnemer bezwaar te laten maken tegen de (eigen) aangifte. De inspecteur moet dan in beginsel in 6 weken uitspraak doen en daarmee is er een standpunt verkregen, opdrachtgever en opdrachtnemer weten dan waar zij aan toe zijn.

    Het is nu vooral aan de opdrachtgevers en ZZP'ers om terug te keren naar de situatie van voor de VAR. Het kan weer, maar het combineren van behoorlijke contracten en invulling conform de modelovereenkomsten is wel aan te raden om de risico’s te minimaliseren. Door het drama rondom het afschaffen van de VAR is wel één ding duidelijk geworden. Het is dringend noodzakelijk het arbeidsrecht te hervormen inclusief het mislukte nieuwe ontslagrecht en de regelingen rondom collectieve pensioenen. Misschien toch maar eens kijken naar de oude lijfrenteaftrek, vast minder vast maken en het ondernemerschap niet als aftreksel van het arbeidsrecht behandelen.

    Lees verder
  • Echtscheiding, problemen met de hypotheek? … fiscaal voordeel kan helpen Door Wijnkamp Keulers op 18-11-2016

    Bij een echtscheiding zijn de fiscale gevolgen ingrijpend. Vaak stuit een redelijke regeling op dure fiscale gevolgen. De eigen woning met bijbehorende hypotheek is in het merendeel van de gevallen het grote probleem, dat moet worden opgelost. Zo is de periode vooruitlopend op de inschrijving van de uitspraak tot echtscheiding er een waarin de vraag over welke partner welke hypotheekrenteaftrek heeft niet in alle gevallen duidelijk vast te stellen, met alle frustratie en ruzie van dien.

    Fiscaal partnerschap

    Het fiscaal partnerschap voor de inkomstenbelasting eindigt op het moment dat het verzoek tot echtscheiding (of scheiding van tafel en bed) is ingediend bij de rechtbank en de inschrijving in het GBA van één van de partners is gewijzigd.

    Zit er veel tijd tussen de indiening van het verzoek tot echtscheiding en de wijziging van de inschrijving GBA, dan eindigt het fiscaal partnerschap op de datum van de laatste gebeurtenis. In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding en verdeling van de huwelijksgemeenschap kunt u wel vastleggen dat u voor het jaar van einde fiscaal partnerschap nog voor voljaarpartnerschap kiest en aldus de mogelijkheid van vrije toerekening van onder meer de eigen woning en de bijbehorende hypotheekrenteaftrek behoudt.

    Eigen woning

    Wanneer u beiden gezamenlijk eigenaar bent van de eigen woning, zou de woning feitelijk bij ieder van u voor 50% moeten worden aangegeven, ook de hypotheekrente is bij ieder voor 50% aftrekbaar. Op basis van de regels van vrije toerekening (meest optimale verdeling) gebeurt dat in de regel niet en wordt de woning en de daarbij behorende hypotheekrente-aftrek bij de meest verdienende partner aangegeven. Maar, dit kan alleen zolang u fiscale partners bent. Het kan dus soms interessant zijn in fiscaal opzicht, om bijvoorbeeld de wijziging van de GBA nog niet zo snel door te voeren en zo de vrije toerekenings-mogelijkheden te houden en optimaal te profiteren van de eigen woningregeling. Het aldus te behalen voordeel kan bij de verdeling van het vermogen worden meegenomen en tussen de ex-echtelieden worden verdeeld.

    Duurzaam en bestendig verlaten van de woning

    Let wel, de eigen woningregeling is bij echtscheiding nog twee jaar van toepassing na het duurzaam en bestendig verlaten van de eigen woning. Dat duurzaam en bestendig verlaten van de echtelijke woning - staat, in beginsel los van de wijziging in de GBA omdat niet altijd direct uitschrijving plaats vindt bij het verlaten van de gemeenschappelijke woning - wordt in het algemeen ingevuld aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Hebt u de woning verlaten om een afkoelingsperiode in te lassen, dan is het verdedigbaar te stellen dat er nog geen sprake is van het als bestendig bedoeld verlaten van de echtelijke woning. Pas op het moment dat u besluit niet meer terug te keren naar de echtelijke woning is sprake van het duurzaam en bestendig bedoeld verlaten van de echtelijke woning en gaat de twee jaarstermijn lopen. Let op, het gaat hier niet om een kalenderjaar, maar om een periode van 24 maanden na het verlaten van de woning.

    Onverdeelde gemeenschap

    Is het fiscaal partnerschap geëindigd, dan dient u ieder 50% van de Woz-waarde aan te geven en is er recht op aftrek ter grootte van 50% van de hypotheekrente, ongeacht wie de hypotheekrente aan de bank betaald. Dus ook al betaalt u de volledige hypotheekrente, u kunt slechts 50% in aftrek brengen als hypotheekrente. Bij de afspraken omtrent de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de eventuele bijdragen in het levensonderhoud (partneralimentatie) kunnen nadere regelingen worden vastgelegd omtrent eventueel gebruiksvergoedingen en/of alimentatie in natura, zolang de woning nog gemeenschappelijk eigendom is. Ook als sprake is van alimentatie in natura is deze aftrekbaar bij de alimentatieplichtige en belast bij de alimentatiegerechtigde.

    Tot slot

    Een echtscheiding heeft fiscaal de nodige gevolgen. Met de uitspraak van de Rechtbank dat u gescheiden bent, bent u er nog niet, maar … Beter is het om voorafgaand de eventueel gewenste afspraken door een advocaat/belastingkundige te laten toetsen, om te voorkomen dat reeds vastgelegde afspraken ongewenste en niet meer te wijzigen (nadelige) fiscale gevolgen hebben. Bovendien, fiscaal voordeel kan de stroeve raderen mogelijk wat smeren.

    Lees verder
  • Wiebes steeds meer in het nauw bij ZZP-problematiek Door Wijnkamp Keulers op 16-11-2016

    Staatssecretaris Wiebes blijkt inmiddels de forse problemen voor ZZP'ers en ondernemers na de invoering van de Wet DBA niet langer meer te kunnen bagatelliseren. Hij heeft het nu over “onbedoelde neveneffecten” waar hij op korte termijn “aandacht” aan zal besteden. Het wordt november in plaats van december en hij komt met een brief. De ZZP'ers, die hun inkomen met 25% - 50% hebben zien dalen, moeten het hiermee doen.

    Wet DBA onmogelijk

    Wij hebben het al vanaf het begin gezegd, de Wet DBA maakt het voor opdrachtgevers vrijwel onmogelijk om ZZP'ers in te huren, de risico's op naheffingen met boetes zijn veel te groot en belopen een termijn van 5 jaar na dato. Geen weldenkende ondernemer is zo gek om hier in te stappen. Wij zeggen het nog maar eens, de VAR terug en misbruik onder de oude wetgeving bestrijden, is de enige bruikbare oplossing. Dat betekent vrijwaring van aansprakelijkheid voor goedwillende opdrachtgevers, die zich aan de regels houden, en naheffingen en boetes voor diegenen, die misbruik plegen. Dat kon onder de oude wetgeving en dat kan niet onder de nieuwe DBA-wetgeving. De DBA-wetgeving moet dus van tafel.

    Pappen en nathouden

    CDA Tweede Kamer-lid Pieter Omtzigt heeft terecht aangegeven, dat de DBA-wetgeving (overigens in combinatie met de voor werkgevers mislukte herziening van het ontslagrecht) er niet toe leidt, dat er werknemers in vaste dienst worden genomen. In tegendeel, pay-roll en uitzendwerk is sterk toegenomen, wat ook een verklaring is voor de betere macrocijfers over afnemende werkeloosheid en meer banen. Dat de pay-rollers en uitzendkrachten hun verdiensten met 25% - 50% zien verminderen, blijkt niet uit de CBS-cijfers. Goede ZZP-contracten worden nu door opdrachtgevers geweigerd en de ZZP'ers kunnen als uitzendkracht aan de slag, maar wel voor driekwart of de helft. De arbeidsmarkt zit zo vast als een huis, met dank aan de voorstanders van de afschaffing van de VAR en de herziening van het ontslagrecht.

    Het gaat niet beter worden

    De Staatsecretaris is op reis langs een kansloze route. Zolang het uitgangspunt is dat ZZP'ers “deplorables” zijn, die eigenlijk liever in vaste arbeidscontracten werkzaam zijn en dus het arbeidsrecht bepaalt wat en wie ondernemers zijn, is er geen oplossing mogelijk. Een positieve definitie van ZZP-ondernemerschap is noodzakelijk en een verklaring (VAR), die de status van een ZZP'er eenduidig aangeeft, eveneens. Zo zou voor uurtarieven vanaf € 25 excl. BTW er een positieve keuze voor ondernemerschap moeten kunnen zijn en zo ook voor een opdracht met een beloop van meer dan € 7.500 bij een looptijd van bijvoorbeeld een maand. Sluit voor de definities aan bij de Wet OB, voor de BTW weten we immers al lang wie ondernemer is en wie niet. BTW-nummer betekent ondernemerschap, misbruik en valse voorstelling van zaken is ook in de BTW-wetgeving al lang met sancties omgeven.

    Politieke wil

    Het is dus niet moeilijk oplosbaar, er is maar één vereiste. Ophouden met mijmeren naar de jaren vijftig van de twintigste eeuw en ophouden met streven naar herstel van de collectieve regelingen via geregelde vaste contracten. Het gaat niet gebeuren, ook niet met tegenwerken van ZZP'ers. Dat levert alleen maar verlies van inkomen op bij ZZP'ers en belemmert ondernemerschap en innovatie. Als je vindt dat dat ook niet hoeft, kun je doorgaan op de Wet DBA-weg. Als innovatie en ondernemerschap noodzakelijk is, moet de politieke wil ook concreet gemaakt worden… weg met de Wet DBA dus.

    Lees verder
  • Hypotheekrenteaftrek eigen woning, Rechtbank Gelderland meet met ruime maatstaf Door Wijnkamp Keulers op 16-11-2016

    Voor een in aanbouw zijnde villa op een landgoed heeft de rechter vastgesteld dat 95% van de lening als dienstbaar aan de (eigen) woning moest worden toegerekend, waarmee 95% van de rente en kosten aftrekbaar bleek. De fiscus ging uit van aanzienlijk minder, het scheelde ruim € 70.000 aftrekbare kosten in box 1. De rechter volgde de visie van de belanghebbende, dat de woning het belangrijkste object was en de mee aangekochte gronden daaraan ondergeschikt waren. De rechter volgde dat. Deze uitspraak is niet alleen van belang voor eigenaren van landgoederen, die als zodanig fiscaal zijn gekwalificeerd, maar ook voor ondernemers met een BTW-bedrijfswoning, die als eigen woning in de IB is gekwalificeerd. Ook daar komen geschillen ter zake van de renteaftrek voor, als er bij de woning stukken grond zitten die niet in de onderneming worden gebruikt. Box 1 eigen woning is meestal voordeliger dan box 3. En vergeet de DGA niet, geen TBS, maar box 1.

    Hoge Raad heeft al eerder de kaders geschapen

    De rechtbank geeft in een heldere motivering exact de kaders aan, die voor de beoordeling van aanhorige gronden en gebouwen gelden. Het gaat om artikel 3:11 Wet IB 2001. Voor de uitleg van de vraag of een perceel als aanhorigheid van de eigen woning heeft te gelden, is het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 1993 (BNB 1993/281) van belang. Uit dit arrest volgt dat er sprake is van een aanhorigheid, indien een perceel behoort bij de eigen woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is.

    Feitelijke beoordeling telt

    De rechtbank moest daarna een beoordeling geven wat nu precies dienstbaar is en wat niet, dat was bij het betreffende landgoed met ruim 9,5 ha grond te weten, een perceel grasland (8.060 m²), vijf percelen water (3.510 m²), een perceel grasland, kade en hakhout (32.274 m²), een sloot (185 m²), drie percelen weiland (16.390 m²), een perceel bouwland (650 m²), vier percelen hooiland (32.290 m²) en een perceel kade (1.650 m²), niet zonder meer uit de Hoge Raad-criteria af te leiden.

    Ruim zien

    De rechtbank koos terecht voor een praktische benadering, die aansluit bij de beleving, die de meeste eigenaren/kopers zullen hebben. Niet het landgoed staat voorop en het huis is ondergeschikt, maar het is andersom, het gaat om de woning, die is het belangrijkste. Omdat het hier één niet uitgesplitste koopsom betrof, kon de prijs voor de woning in het economisch verkeer en met een woonbestemming leidend zijn, waardoor 95% van de koopprijs van de grond en stichtingskosten van de woning aan de hypotheeklening kon worden toegerekend, dus 95 % van de rente en kosten aftrekbaar.

    Commentaar

    Toen het aankwam op het bepalen van bestemmingswijzigingswinst bij de ondergrond van bedrijfswoningen in de land- en tuinbouw is in feite dezelfde maatstaf gehanteerd. De waarde in het economisch verkeer werd in feite vastgesteld naar de woonbestemming, veel meer dan de bedrijfsmatige aanwending. In die zin bezien, is deze uitspraak in lijn en naar ons oordeel in overeenstemming met letter en geest van de wet IB, een terechte uitspraak dus.

    Lees verder
  • Wiebes handhaaft beleid DBA, ondernemers en ZZP'ers in de kou Door Wijnkamp Keulers op 30-09-2016

    Staatssecretaris Wiebes heeft in het Kamer-debat van donderdagavond 29 september jl. volgehouden dat zijn wet DBA geen mislukking is. Hij heeft een commissie aangekondigd onder leiding van hoogleraar arbeidsrecht Gerrard Boot om de uitwerking van de wet DBA te evalueren. Tot die tijd handhaaft Wiebes zijn op de wet DBA gebaseerde beleid. Hij heeft wel een toezegging gedaan dat “goedwillenden” geen boete zullen krijgen, voor ZZP'ers lost dit helaas niets op.

    Want over naheffingen loonbelasting en premies en mogelijke naheffingen BTW zwijgt Wiebes en daarmee blijven de risico’s door afschaffing van de VAR voor opdrachtgevers volop bestaan. De Belastingdienst kan immers vijf jaar teruggaan en het aan de ZZP'er betaalde bedrag inclusief BTW als netto loon beschouwen, dus het risico daarover loon- en premieheffing moeten afdragen, is voor elke opdrachtgever een nachtmerrie, boete of niet. Opdrachtgevers en ZZP'ers hebben onoplosbare problemen met als gevolg voor de ZZP'er, geen opdrachten, geen werk, geen inkomen. Aan de slag via een pay-roller of als uitzendkracht met aanzienlijk minder inkomen lijkt de enige optie te zijn.

    Met het toezeggen dat er een evaluatie komt door een commissie onder leiding van hoogleraar Gerrard Boot geeft Wiebes duidelijk richting aan zijn visie op ZZP'ers. Zij moeten worden afgezet tegen arbeiders en werknemers, het centraal geleide Nederlandse arbeidsrecht met collectieve regelingen en heffingen moet het uitgangspunt blijven. Van het willen flexibiliseren van arbeid en stimuleren van ondernemerschap blijft weinig over. De visie dat ondernemers en ZZP'ers belangrijk zijn als flexibele schil en geen onnodige overheidsbemoeienis moeten tegenkomen, is niet te onderkennen in zijn beleid. De PvdA met Lodewijk Asscher is uiteraard enthousiast, de Tweede Kamer-fractie van de VVD pruttelt voor de vorm wat tegen, maar steunt Wiebes’ beleid. De oppositie is wel tegen, maar die heeft geen meerderheid, de ZZP'ers en ondernemers zijn dus definitief de pineut.

    Wat is er van de commissie Boot, door Wiebes ingesteld, te verwachten voor ZZP'ers, zien we het allemaal veel te donker in, of gaat er wel gekeken worden naar de positie van ZZP'ers vanuit de achtergrond dat keuzevrijheid voor het ondernemerschap niet nodeloos moet worden tegengewerkt en begrijpen we Wiebes niet, zoals hij zelf maar blijft roepen.

    Dat lijkt er niet op, de benadering blijft dat de positie van de ZZP'er moet worden afgezet tegen die van een (oudere) werknemer met een contract voor onbepaalde tijd, cao, collectieve regelingen etc. Het arbeidsrecht dat dat alles regelt, is benchmark, vandaar een hoogleraar arbeidsrecht, die dat alles gaat evalueren. Om te weten welke kant het op gaat, is het interessant om te zien wat hoogleraar Gerrard Boot in het verleden heeft gezegd over ZZP'ers in relatie tot het arbeidsrecht.

    Dat is niet moeilijk te traceren en dat valt niet mee. Zijn oratie in 2012 ter gelegenheid van aanvaarding van zijn ambt als hoogleraar arbeidsrecht aan de RUL was klip en klaar. De wettelijke bescherming van werknemers als zwakkere partij in arbeidsverhoudingen wordt uitgehold door ZZP'ers, die zichzelf niet kunnen beschermen tegen uitbuiting, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Kortom regulering en collectivisering is noodzaak. Een voor een arbeidsrecht jurist volkomen logische en heldere visie.

    Met de benoeming van Boot zal dus de bescherming van de arbeider/werknemer via het onderbrengen van de ZZP'er in (collectieve) overeenkomsten en verplichte collectieve sociale verzekeringen en collectieve pensioenregelingen naar verwachting de boventoon gaan voeren. Ondernemerschap, vrijheid van keuze zijn ondergeschikt aan het collectief. Wie had dat met een VVD-staatssecretaris van Financiën aan het roer ooit kunnen denken.

    Lees verder
  • DGA met pensioen in eigen beheer, het gaat veranderen ! Door Wijnkamp Keulers op 16-09-2016

    Er zijn nogal wat directeuren-grootaandeelhouders, die de aftrek van winst voor de vennootschapsbelasting maximaal hebben toegepast en nu opgescheept zitten met een pensioen in eigen beheer, dat niet uitbetaald zal kunnen worden. De waarde in het economisch verkeer van de verplichting is veel hoger dan de fiscale voorziening en bij nogal wat BV’s is zelfs een negatief eigen vermogen aan de orde. Tegenover de verplichting van de BV staat het recht van de DGA, er is in fiscaal opzicht een groot verschil in waarde, het recht is veel meer waard dan dat als verplichting is opgenomen. Bij rechttrekken van de verschillen ligt de fiscus dwars, er dreigt dan een belastingclaim van 72% over de waarde van het recht. Dat kan zo maar vele tonnen aan te betalen belasting betekenen, te betalen door een DGA die nogal eens ridder te voet blijkt te zijn. Er gebeurt dus niets uit angst voor afkoop en 72% IB. Om uit deze vastgeroeste situatie te kunnen komen, zijn er plannen om de regels over het pensioen in eigen beheer (PEB) te gaan aanpassen. De eerste indrukken zijn dat de voorstellen niet ver genoeg gaan om het probleem op te lossen.

    Het pensioen in eigen beheer was een speeltuin voor nogal wat accountants en pensioen- adviseurs, het leek een loterij zonder nieten. Dikke aftrekposten, zelfs over uitgesteld salaris, leeftijdsterugstelling, marktrente versus rekenrente en AOW franchise, het is allemaal aan de rechter voorgelegd maar na overwinningen volgde razendsnel reparatie van de wetgeving. Dat heeft de regelgeving uiterst ingewikkeld en onoverzichtelijk gemaakt, naar nu steeds meer blijkt, in het nadeel van de DGA.

    Bij pensioen in eigen beheer heeft de Belastingdienst een machtig wapen in handen, afwijking van de fiscaal toegelaten weg betekent afkoop, dus ineens belasten van de gehele pensioen verplichting, althans de geconstateerde opgeëiste rechten. Dat wapen, afkoop constateren en in een klap belasten, althans dreigen ermee, is door de Belastingdienst volop ingezet om het pensioen in eigen beheer te ontmoedigen. Zelfs bij zeer geringe overschrijding van de regelgeving wordt al met afkoop gedreigd. Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft steeds meer regelgeving opgesteld en uitvoering naar zich toegetrokken, de facto met als doel om het PEB onmogelijk te maken. De belastingclaims gaan inmiddels ver het genoten fiscale voordeel te boven.

    Met het toeslaan van de crisis en de sedertdien uiterst lage rentestanden zijn veel BV’s met beleggingen en een fiscale pensioenvoorziening in de problemen gekomen. De verplichtingen zijn veel groter dan dat er geld in de BV’s zit of zal komen. Pensioenbrieven, die de maximale aftrek van de winst voor de vennootschapsbelasting regelden, leveren verplichtingen op aan de DGA die nooit meer zijn na te komen. Voor de hand zou liggen dat de DGA afstand doet (van een deel) van zijn rechten, maar dan komt hij de fiscus (CAP) tegen. Die constateert dan “afkoop” met als gevolg heffing ineens over de gehele commerciële waarde van de pensioenrechten voor de DGA. Als het ware dus uitbetaling van het gehele bedrag ineens belast tegen 52% en 20% boete (revisierente). De fiscale reserve wordt in veel gevallen met tonnen verhoogd en over het geheel is dan 72% verschuldigd. De dreiging van het CAP alleen al maakt dat DGA’s wel uitkijken om ook maar iets met die pensioenregeling te doen. En het wordt nog erger. Want als de DGA een hoge rekening-courantschuld heeft, ook zo’n speeltje van veel DGA’s, salaris lekker laag en lenen van de BV, dan is dat op zich al aanleiding om “afkoop” te vrezen.
    Dat zit dus zo vast als een huis bij veel DGA’s, zij hebben een BV, die hen als een molensteen om de nek hangt en erger, vrouw en kinderen kunnen na overlijden van de DGA met fikse belastingclaims worden geconfronteerd en een hoop gedoe met de accountant en de fiscus.

    Staatssecretaris Wiebes heeft nu voorstellen gedaan om hier uit te komen. De verplichting of het recht van de DGA mag fiscaal neutraal worden afgestempeld tot de waarde van de fiscale reserve (voorziening). Let wel, de echtgenoot of partner moet wel akkoord gaan, dus dat kan nog wel even een puntje zijn. Na de afstempeling mag worden afgekocht met een korting. Waardoor in 2017 de te betalen belasting op 34% komt, in 2018 39% en in 2019 en 41,86%. Het afgestempelde bedrag mag ook in de BV blijven, verdere opbouw is dan niet meer mogelijk. Afkoop ook tegen deze korting zal voor velen niet haalbaar zijn en afstempelen en bevriezen stelt het probleem uit, lost het niet op.

    Als eerste aanzet is het een begin, het is echter nog niet zeker of het allemaal doorgaat. Wat wel duidelijk is, is dat de BV van veel DGA’s onderhoud behoeft. De traditionele structuren blijken nadelen te hebben nu veel DGA babyboomers de pensionado fase ingaan. Onderneem tijdig actie, want geld op en belasting moeten betalen, is voor een DGA zelf al heel vervelend, voor erfgenamen is het een drama.

    Lees verder
  • Kosten werkkamer in huurwoning voor ondernemer aftrekbaar, een slag gewonnen … ? Door Wijnkamp Keulers op 14-09-2016

    De kosten, die samenhangen met gebruik van een werkkamer, zijn voor een huurder, die ondernemer is, aftrekbaar. Er moet wel een bijtelling voor het privé-gebruik volgen. Aldus heeft de Hoge Raad in augustus jl. beslist. In de berechte casus ging het om ruim € 9.800 aftrek en ongeveer € 2.700 bijtelling voor privé, dus een aftrekpost van zo’n € 7.000.

    Bij ondernemen vanuit een huurwoning levert dit arrest een bevestiging op van de fiscale mogelijkheden, die het ondernemerschap oplevert. Het voordeel is voor huurders niet afhankelijk van het maken van 1.225 uur, die ook nog eens meer moeten zijn dan uren, die worden gemaakt voor een baan, bij andere Inkomstenbelasting voordelen is dat wel het geval. Zo is ondernemersaftrek en het kunnen reserveren voor de oude dag pas haalbaar als er aantoonbaar meer dan 1.225 uur aan de onderneming wordt besteed en dat moet dan ook nog eens meer zijn dan de uren, die als werknemer worden gemaakt.

    Het ging erom of een huurrecht apart van de woning als ondernemingsvermogen kan worden beschouwd. De Belastingdienst vond van niet, maar bleek dus ongelijk te hebben. Doordat het huurrecht nu als apart bedrijfsmiddel geldt, zijn de kosten die met het huurrecht samenhangen van de winst aftrekbaar, maar met een correctie voor privé gebruik. Dat de Hoge Raad nu lijn brengt in de rechterlijke uitspraken is terecht, eind goed al goed, maar het is wel te betreuren dat de hoogste rechter er weer aan te pas moest komen om dit vast te stellen.

    Er zijn nogal wat ondernemers, die vanuit een huurhuis hun webshop, nagelstudio of boekhoudkantoor runnen. Is er een aparte kamer met bijbehorende inrichting dan is BTW aftrek en aanzienlijke kostenaftrek van de fiscale winst haalbaar. De aftrek en bijtelling zijn relatief eenvoudig vast te stellen, maar eens even goed naar laten kijken dus.

    Het geldt alleen voor de huurder, niet voor de eigen woning-bezitter, daar ligt het allemaal heel wat gecompliceerder. Voor eigenaren geldt een zelfstandigheidseis, een inkomenseis en vervolgens zijn er ingewikkelde regelingen voor correctie van hypotheekrenteaftrek en overbrenging naar box 3 of juist etikettering als ondernemingsvermogen.

    Met ruim 900.000 ZZP'ers en ondernemers is er een behoorlijk nadeel voor de fiscus als de ondernemer/huurders hun kosten gaan aftrekken. Dat zit de fiscus niet lekker en dan weet je het wel … reparatiewetgeving met beperking van het voordeel ligt op de loer. Onlangs nog voegde emeritus hoogleraar Leo Stevens, de architect van de laatste belastingherziening in 2001, zich bij de groep, die meent dat hervormingen van het belastingstelsel dringend nodig zijn. En dan gaat het vooral om afschaffen van voordelen voor ondernemers in ruil voor belastingverlaging voor werknemers en ambtenaren. Dat moet de consumptie aanjagen en de Staat meer geld opleveren. Of de huidige mogelijkheden dus lang stand zullen houden ... we zullen zien!

    Lees verder
  • Rijden in een auto met buitenlands kenteken, riskant! Door Wijnkamp Keulers op 06-09-2016

    Nederlandse ingezetenen, die rijden in een auto met buitenlands kenteken, nemen een risico op naheffingen en boetes. Bij de naheffingen kan het gaan om motorijtuigenbelasting, BTW en BPM. Onlangs heeft de Rechtbank Noord-Nederland de naheffing van motorrijtuigenbelasting met een boete gehandhaafd, ondanks het verweer dat de auto maar voor een “uurtje” was geleend van een buitenlandse kennis. De auto had een Bulgaars kenteken en was eerder uit Nederland geëxporteerd. De Rechtbank vond dat er snel wordt voldaan aan het criterium “ter beschikking stellen”, dus ook even lenen kan al voldoende zijn. Vooral pensionado’s, die bijvoorbeeld vanuit hun tweede huis in Spanje met hun Spaanse auto terugrijden naar Nederland en Nederlands ingezetene zijn, lopen risico. Beter maar niet doen dus voordat u zich goed hebt voorgelicht over de consequenties.

    Lees verder
  • Opdrachtgevers wentelen risico's op ZZP'ers af Door Wijnkamp Keulers op 29-08-2016

    ZZP’ers en opdrachtgevers beginnen de gevolgen van het beleid van staatssecretaris Wiebes in de portemonnee te voelen. Niet alleen prijzen opdrachtgevers de risico’s, die zij lopen, in en ontvangen ZZP’ers minder voor hun diensten, velen moeten zich weer verplicht tot pay-rollers en bemiddelingsbureaus wenden omdat opdrachtgevers dat eisen. 25%-40% minder vergoeding overhouden, is bepaald geen uitzondering, dus dat is geen vooruitgang en met meer vaste dienstverbanden schiet het ook niet op. Mevrouw Mei Li Vos van de PvdA heeft vragen gesteld aan staatssecretaris Wiebes over het in contracten opnemen van aansprakelijkheid voor ZZP'ers. Mevrouw Vos wil ingrijpen van Wiebes, die voelt daar niets voor.

    Inmiddels beginnen de klachten van ZZP’ers over de gevolgen van het afschaffen van de VAR toe te nemen. Zo ook van freelance journalisten en dat is voor de leden van de Tweede Kamer een lastig te tackelen probleem. Want gewone stervelingen kunnen wel rustig gehouden worden met “goed nieuws” berichten, als het journalisten zelf aangaat, zijn die minder volgzaam en wat kritischer dan gewoonlijk.

    Dat nu heeft de PvdA bij monde van mevrouw Mei Li Vos (PvdA) opgepakt. Zij heeft vragen gesteld over het opnemen van verhaalsclausules in contracten van onder meer freelance journalisten. De vragen komen er op neer dat als een opdrachtgever het risico van achteraf blijkende dienstbetrekkingen en verschuldigdheid van loonheffing en premies weer contractueel teruglegt bij een opdrachtnemer, dat het beleid van “samen” verantwoordelijk, zoals de staatssecretaris dat zo mooi omschreef ondergraaft. Of Wiebes maatregelen wil nemen en dat wil verbieden in de modelovereenkomsten, die de Belastingdienst goedkeurt.

    Staatssecretaris Wiebes heeft geantwoord, dat in de modelovereenkomsten, die de Belastingdienst beoordeelt, geen oordeel wordt gegeven over dit soort afspraken tussen partijen onderling. Een op zich logisch antwoord, want de Staat schrijft niet voor wat ondernemers onderling moeten regelen over betaling en risico’s. Dat is bij werknemers anders, dus als je dat voor ondernemers wilt regelen en “eerlijke concurrentie positie” voor werknemers wilt regelen, dan is een soort CAO nodig en meer regelgeving vergelijkbaar met het arbeidsrecht voor ondernemers onderling. Verplicht collectief pensioen, verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekeringen e.d., maar ook opdrachtgevers (particulieren dus ook) die aansprakelijk zijn voor inhouding en afdracht. Dat lijkt allemaal een brug te ver, hoewel … een nieuw sociaal akkoord ligt er natuurlijk zo maar ineens, net zoals het vorige.

    Het probleem, dat boven tafel komt, was voorspeld en onvermijdelijk, het is inert in het systeem van de wet en het beleid dat is gekozen. Loonbelasting en premieheffing zijn voorheffingen, die moeten worden betaald door een werkgever. Die houdt dat in bij een werknemer, dat is het verschil tussen bruto en netto. Doet een (pseudo) werkgever dat niet, dan is hij tot 5 jaar na dato aansprakelijk met forse boetes. Die werkgever gaat dus geen enkel risico lopen en betaalt maar de helft of iets meer op de factuur van de ZZP’er uit of wil garanties, dat de ZZP’er de naheffing en boete voor zijn rekening neemt. Die ZZP’er moet ondertussen wel zijn voorlopige aanslag IB betalen, de volle mep BTW afdragen en moet maar zien hoe hij die ingehouden 40% binnen krijgt of dat risico op terugbetalen vermijdt. Voor de keuze, die de opdrachtgever maakt, is ook wel wat te zeggen, die heeft vaak geen invloed op de status van een ZZP'er, maar is volgens de wet wel verantwoordelijk. Met de VAR kwam daar indertijd een einde aan, we blijken met de nieuwe regels in de tijd terug te zijn gegaan.

    Lees verder
  • Belastingdienst krijgt dwangsom opgelegd bij weigering te beslissen Door Wijnkamp Keulers op 23-08-2016

    Onlangs heeft het Hof Den Haag beslist dat de Belastingdienst € 1.260 aan dwangsom moest betalen, € 166 aan griffierecht en € 1.488 aan kostenvergoeding moest betalen aan een belanghebbende, die klaagde over het maar uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift. De inspecteur was in beroep gegaan tegen een eerdere beslissing van Rechtbank, die hem ook al ongelijk had gegeven.

    Als een inspecteur maar blijft talmen met het doen van uitspraak, is er een mogelijkheid om de Belastingdienst in gebreke te stellen. De inspecteur moet daarna dan binnen zes weken beslissen, doet hij dat niet, dan gaat een dwangsom lopen die kan oplopen tot maximaal € 1.260. Ook is bij het verder voortduren van de weigering het mogelijk om rechtstreeks naar de rechter te gaan.

    Natuurlijk is het in veel gevallen aan te bevelen elkaar wat ruimte te gunnen, een afwijzing van een ingediend bezwaar betekent een gang naar de rechter met alle kosten van dien. Niettemin maakt de Belastingdienst er soms een potje van. Dat kan zijn vanwege personeelsproblemen, verhuizingen en dergelijke. Maar soms ook omdat een inspecteur de zaak boven het hoofd is gegroeid of omdat er “beleid” is vanwege “vergelijkbare” gevallen, al dan niet onder de rechter. Men rekt dan liever om geen precedent te scheppen.

    Een belanghebbende hoeft zich dit allemaal niet te laten welgevallen, het is goed dat ook de Belastingdienst zich niet kan onttrekken aan normale verhoudingen en normale termijnen. Het moeten betalen van een dwangsom en kosten, zo heb ik begrepen, komt ten laste van de begroting van de betreffende inspectie, men vindt dat dus niet zo leuk. Met enige mate en met gevoel toegepast kan een ingebrekestelling helpen om een wat snellere beslissing te krijgen en dat blijkt soms helaas nodig te zijn. Het komt zelfs voor de dat de behandelend inspecteur er niet zo mee zit, het lost dan ook voor hem het probleem op dat hij beleid moet uitvoeren waar hij het niet mee eens is. Hebt u het gevoel dat er maar niet wordt beslist, dan is het forceren van een beslissing en een versnelde gang aar de rechter soms beter dan maar te blijven wachten, ingebrekestellingen en aanzeggen van dwangsommen hebben dus wel degelijk nut.

    Lees verder
  • Navorderingsaanslagen en boetes, betwisten loont! Door Wijnkamp Keulers op 21-07-2016

    Boetes voor niet aangegeven inkomsten kunnen aardig oplopen. Bij niet opgegeven buitenlands vermogen is het zelfs maximaal 300%, wordt vrijwillig verbeterd dan kan het 120% zijn. De door de Belastingdienst opgelegde boetes zijn lang niet altijd terecht, dat komt omdat de Belastingdienst zich aan strikte voorwaarden moet houden en dat blijkt nogal eens niet gelukt te zijn.

    Er moet sprake zijn van opzet, voorwaardelijke opzet of aan opzet gelijk te stellen grove schuld van een belastingplichtige. In het kort komt het erop neer dat lang niet elke fout leidt tot opzet e.d., daarvoor is vereist dat niet betalen van belasting het doel was en dat de belastingplichtige wist dat hij onjuist aangifte deed. De inspecteur moet de opzet e.d. bewijzen en hij moet bovendien als hij gaat voor “opzet” ook die vereisten bewijzen, grove schuld bewijzen is dan niet voldoende, de hele boete vervalt in zo’n geval.

    Vooral bij echtelieden, waarbij de bankrekeningen op naam van de man staan, hij de administratie voert en de vrouw wel “iets wist maar niet precies” is het lastig om bij beiden “opzet e.d.” te kunnen constateren. Het is in dit soort gevallen zelfs lastig voor de inspecteur om bij de vrouw 12 jaar te kunnen navorderen. In veel gevallen is bij de vrouw geen boete aan de orde en maar over 6 jaar navordering mogelijk. Als iemand de regels niet heeft begrepen en onjuist aangifte heeft gedaan, is het opleggen van een boete ook lastiger voor de inspecteur. Niet te snel toegeven dus, dat u wel wist hoe het zat. En er speelt nog iets.

    Onlangs heeft de Hoge Raad beslist (voor IB 2011!) dat box 3 belasting heffen op basis van fictief inkomen (4% rente, geniet u feitelijk immers niet) mag, maar dat als blijkt dat deze rendementen op langere termijn niet kunnen worden gehaald, dat anders kan komen te liggen. Nu leven we inmiddels in 2016, de rente is nog steeds helemaal niks, dus is de vraag of voor 2016 de Hoge Raad anders zou beslissen. Wij denken van wel, dus bezwaar maken bij IB 2015 en 2016. Voor fictieve 4% inkomsten uit niet opgegeven (buitenlands) vermogen begint nu echter wel een probleem voor de inspecteur te ontstaan. Kan een vergrijpboete (maximaal 300%) op basis van deze feitelijk niet genoten inkomsten eigenlijk wel worden opgelegd. Wij denken van niet, het lijkt in strijd met de verdragen, die eigendom van burgers beschermen. Maak bezwaar dus, ook bij vrijwillige verbeteringen!

    Een tip is wel om in dit soort gevallen niet uw eigen boekhouder of accountant in te schakelen. Punt is dat zij in hun maag (moeten) zitten met de omstandigheid, dat u inkomsten hebt verzwegen, vaak geven ze teveel informatie aan de inspecteur, dat is niet goed. Het is beter om u van meet af aan door een fiscaal advocaat te laten begeleiden, wel op tijd komen want hebt u al van alles bekend en toegegeven en dat doet u dan alsnog de das om.

    Lees verder
  • Hoge Raad beslist: winst bij verkoop overtollig ex-bedrijfspand belast, vorming herinvesteringsreserve (HIR) niet toegestaan Door Wijnkamp Keulers op 27-06-2016

    De Hoge Raad staat vorming HIR niet toe bij verkoop van leegstaand bedrijfspand. De eis dat sprake moet zijn van vervreemding van een bedrijfsmiddel en herinvesteringsvoornemen in een pand met dezelfde economische functie blijft volstrekt overeind. Ga dus niet te makkelijk om met overtollige panden en herinvestering als herinvestering de bedoeling is. Actieve ondernemingen worden steeds meer onderscheiden van beleggingsactiviteiten, houd daar rekening mee en wijzig tijdig de functie binnen de onderneming.

    Bedrijfsmiddel waarop niet of gewoonlijk in meer dan 10 jaar wordt afgeschreven

    Het ging hier om een pand, afschrijving gewoonlijk in meer dan 10 jaar, dus vervanging moet plaats vinden door een bedrijfsmiddel met eenzelfde economische functie. In dit geval had een ondernemer oorspronkelijk een apotheek in de vorm van een eenmanszaak en in een pand dat tot het ondernemingsvermogen van die eenmanszaak behoorde. Later verhuisde de apotheek naar een gehuurd pand. Het oorspronkelijke bedrijfspand bleef vanaf het moment van de verhuizing leeg staan.

    Toen de apotheker in 2007 haar eenmanszaak omzette in een BV werden het leegstaande bedrijfspand en de ondernemingsactiviteiten in twee aparte BV's ingebracht. Het bedrijfspand bleef leegstaan en werd alleen nog aangehouden met het oog op de verkoop. Vanaf 1 januari 2009 vormden beide BV's een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Toen het bedrijfspand snel daarna werd verkocht, vormde de BV waarin het pand zat een HIR voor de behaalde boekwinst.

    De inspecteur vond echter dat het leegstaande pand geen bedrijfsmiddel was, maar voorraad en ging daarom niet akkoord met het vormen van een HIR. Hof Arnhem-Leeuwarden was het eens met de inspecteur en voegde hieraan toe, dat het feit dat per 1 januari 2009 een fiscale eenheid was ontstaan, niet betekende dat het leegstaande pand opeens weer als bedrijfsmiddel kwalificeerde.

    Niet vergelijkbaar, pand had geen functie meer in de onderneming

    Het bedrijfspand had na de inbreng van de apothekersonderneming in de BV geen functie meer, want het werd niet mee ingebracht in de "actieve BV" en stond leeg met het oog op verkoop. Er was feitelijk een onttrekking in afwachting van verkoop en daar zat hem de kneep. De boekwinst behaald bij de verkoop van het pand kan daarom niet worden ingezet voor een bedrijfsmiddel dat 'eenzelfde economische functie' zal vervullen als de functie die het verkochte pand vervulde. Dat de fiscale eenheid voor de VpB de boel niet repareerde is terecht, een fiscale eenheid verandert niets aan de juridische scheiding tussen de BV's die de eenheid vormen, bovendien was de fiscale eenheid pas later gevormd toen het pand de status van bedrijfsmiddel al niet meer had. Omdat het pand dus eerder als "overtollig" was aangehouden met het oog op verkoop was er geen sprake van bedrijfsmiddel, dus geen vorming van HIR mogelijk volgens de Hoge Raad.

    Lees verder
  • Vanaf 1 september 2016 betere bescherming erfgenamen Door Wijnkamp Keulers op 10-06-2016

    De Eerste Kamer heeft deze week ingestemd met het wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat erfgenamen hun privévermogen beter kunnen afschermen voor eventuele schulden uit een nalatenschap. Onder de huidige regeling kunnen erfgenamen door bepaalde gedragingen, zoals het meenemen van spullen of het betalen van een openstaande rekening van de erflater, een nalatenschap zuiver aanvaarden en zo ook de schulden van de erflater op zich nemen. De schuldeiser van de erfgenaam kan zijn of haar vordering dan ook verhalen op het privévermogen van de erfgenaam, wanneer de nalatenschap ontoereikend is om de schuld te voldoen.

    In de praktijk is gebleken dat erfgenamen vaak ongemerkt de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, er is dan geen mogelijkheid meer om alsnog beneficiair (onder voorrecht van boedelbeschrijving) te aanvaarden. Eens gekozen, blijft gekozen.

    Rapport Erven

    Naar aanleiding van het Rapport Erven (Radboud Universiteit en Netwerk Notarissen, oktober 2012) is, naast betere voorlichting, er voor gekozen om via een wetswijziging de erfgenamen beter te beschermen tegen onverwachte schulden en ook gedragingen, die een zuivere aanvaarding tot gevolg kunnen hebben nader te duiden. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft niet gekozen voor het standaard beneficiair aanvaarden van een nalatenschap, mede vanwege het feit dat nalatenschap dan altijd volgens de wettelijke vereffeningsregels moeten worden afgewikkeld.

    Gedragingen die een zuivere aanvaarding tot gevolg hebben

    In de regeling, die vanaf 1 september 2016 in werking treedt, is opgenomen dat alleen die gedragingen, die leiden tot benadeling van schuldeisers van de nalatenschap, zuivere aanvaarding tot gevolg hebben. Dit zal dus bijvoorbeeld aan de orde zijn, wanneer een erfgenaam goederen van de nalatenschap verkoopt of op andere wijze onttrekt aan de eventuele schuldeisers. Te denken valt hierbij aan de verkoop van de woning van de erflater of het verdelen van een waardevolle collectie uit de nalatenschap onder de erfgenamen. Het meenemen van een familiefotoalbum is niet aan te merken als een benadeling van de mogelijke schuldeisers.

    Uitzondering voor onverwachte schulden

    Verder is er een uitzondering opgenomen voor die situaties, waarin een erfgenaam na zuivere aanvaarding van de nalatenschap, onverwachts wordt geconfronteerd met een schuld van de nalatenschap en waarvoor de nalatenschap niet toereikend is. In dat geval kan de erfgenaam binnen drie maanden na het ontdekken van deze schuld verzoeken om door de kantonrechter te worden gemachtigd alsnog beneficiair te aanvaarden.

    Wanneer pas na vereffening of verdeling de erfgenaam met een onverwachte schuld bekend wordt, kan de erfgenaam aan de kantonrechter, ook weer binnen drie maanden, verzoeken om te worden ontheven van zijn plicht de schuld uit zijn privévermogen te voldoen, voor zover deze niet uit het erfdeel kan worden voldaan.

    Het moet wel gaan om onverwachte schulden, die de erfgenaam niet kende of behoorde te kennen op het moment dat de erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaardde. Het wel bekend zijn met een schuld, maar niet met de hoogte daarvan, is geen onverwachte schuld.
    Als onverwachte schuld kan ook worden aangemerkt een vordering uit onrechtmatige daad, gepleegd door de erflater tijdens zijn of haar leven, waarvoor deze schadeplichtig is.

    Lees verder
  • Per 1 mei afgeschafte VAR wordt nu al node gemist Door Wijnkamp Keulers op 02-05-2016

    Sinds 1 mei is een opdrachtgever van ZZP’ers en andere ondernemers weer volledig aansprakelijk voor de afdracht van loonbelasting en premies voor werknemersverzekeringen. De VAR is afgeschaft en de DBA is ervoor in de plaats gekomen. De VAR is indertijd ingevoerd om de bureaucratische belemmeringen voor kleine zelfstandigen weg te nemen en te voorkomen dat opdrachtgevers (volledige) betaling van facturen uitstelde, omdat ze zekerheid wilde hebben dat de Belastingdienst en UWV niet achteraf alsnog (na)heffingen zouden opleggen. In sommige gevallen werd tot 60% ingehouden, terwijl tenminste 30% het meeste voorkwam. Inmiddels zijn kleine ondernemers terug bij af, er dreigt weer onvolledige betaling of moeten zij minimaal 30% betalen aan tussenpersonen, zoals pay-roll bedrijven. De fiscale regelgeving belemmert start-ups en creatieve bedrijven, ook vaklui met een eigen bedrijf hebben er nu al veel last van. De hoop, dat het de facto belemmeren van ZZP arbeid cao-vaste dienstverbanden in ere zal herstellen, lijkt de bovenhand te voeren. Het beeld ontstaat dat, na het voor ondernemers mislukte nieuwe arbeidsrecht, wederom stappen terug zijn gezet waar stappen vooruit nodig zijn om werkgelegenheid te behouden. Staatssecretaris Wiebes komt nu met een adviescommissie om de problemen te adresseren, het zal niet gaan meevallen naar ons idee.

    Het is niet, dat hij niet probeert de scherpe kantjes en de schadelijke gevolgen van het afschaffen van de VAR te verminderen. Wiebes ziet kennelijk ook wel, dat het aannemen van werkenden in vaste dienstverbanden niet gebeurt. Als nu ook ZZP werk wordt belemmerd en onder dreiging komt van boetes en ander ongerief, dan zal dat vooral bij vaklui in de bouw en de industrie en in de creatieve en IT sector negatieve gevolgen hebben. Je kunt start-ups en innovatie stimuleren wat je wilt, maar relatief hoge vaste lonen, CAO's en 2 jaar moeten doorbetalen bij ziekte en bijkomende werkgeverslasten gaat niet werken in deze sector. Buitenlandse start ups en innovators zitten met dit soort verplichtingen al snel in Finland, Oost Europa of de VS. Dat bleek deze week al toen Spotify aankondigde de Europese bureaucratie te gaan ontlopen door naar de VS te verkassen. Als de buitenlanders Nederland links zullen laten liggen, zullen de Nederlanders niet achterblijven, dus tel uit je winst.

    In een poging wat meer ruimte te creëren en de onvrede weg te nemen, had Wiebes al bij de wetsbehandeling in de Eerste Kamer toegezegd dat de Belastingdienst vooraf modelovereenkomsten zou publiceren en desgevraagd binnen zes weken een oordeel zou geven over de aanwezigheid van een dienstbetrekking. Bovendien kon iedereen een specifieke overeenkomst voorleggen, die zou dan binnen zes weken tot een standpunt van de Belastingdienst leiden. Ook gaf hij te kennen dat échte ZZP professionals niet als werknemer aangemerkt zouden worden, het ging om misbruik en schijnconstructies aan de onderkant te bestrijden.

    Materie-deskundigen constateerden tijdens de behandeling in de Eerste Kamer al, dat de toezegging van Wiebes onuitvoerbaar was voor de Belastingdienst en inderdaad, de door hem voorgestelde aanpak levert fikse problemen op in de uitvoering. Want zoals verwacht, komt de Belastingdienst er niet uit, althans niet uit de visie die de Staatssecretaris heeft geuit. De Belastingdienst heeft een andere, heel wat strengere, beoordeling voor ogen en dat begint nu in brede kring bekend te worden. Niet alleen de onderkant wordt bestreden, alle ZZP’ers en hun opdrachtgevers hebben flink last van de afschaffing van de VAR.

    De Staatssecretaris heeft nu te elfder ure een commissie ingesteld om te beoordelen of de voorlichting van de Belastingdienst wel adequaat is en gevraagd om advies. Dat advies zal naar ons idee niet meevallen als de huidige regelgeving blijft zoals hij is. Kern van de problemen is ketenaansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor de opdrachtgever ook als die weinig te verwijten valt. Als Wiebes dat in tact laat, kan en is er geen oplossing denkbaar. De VAR was en is noodzakelijk, de DBA is onuitvoerbaar.

    Wij geven Staatssecretaris Erik Wiebes en de commissie dan ook maar alvast een voorzet en geven het volgende in overweging. De VAR afschaffing en invoering van de DBA leidt tot onduidelijkheid en risico’s op naheffing en boetes met een hoop gezeur en zelfs vervolgingsrisico, daar zit geen ondernemer en ZZP’er op te wachten. Het stagneert en belemmert het (M)KB en lost het probleem van verdringing op de arbeidsmarkt niet op. Wat dan wel de werkgelegenheid duurzaam zal verbeteren, is moeilijk aan te geven, maar een begin kan zijn, dat je regelt dat vraag en aanbod van en naar de diensten van vaklui, IT'ers, creatievelingen, innovators, interim managers, consultants en wat dies meer zij en de professionals op elkaar kunnen worden aangesloten. Laat hen zelf de keuze maken om al of niet in dienstbetrekking te werken, als zij geen cao, verplichte verzekeringen en werknemerschap willen, dring dat dan niet op. Afdracht van belastingen regel je met voorlopige aanslagen IB en een beter toezicht op BTW aangifte en afdracht.

    Als je vervolgens vindt dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt kwetsbare werknemers moeten worden beschermd, doe dat dan en kijk vanuit die bril eens naar het arbeidsrecht en de oude VAR regeling in combinatie met de huidige (niet gewijzigde) Wet op de Loonbelasting.

    En wat blijkt dan, met de VAR en de bestaande regelgeving kunnen schijnconstructies uitbuiting en misbruik prima worden bestreden, ook bij misbruik van een VAR was een opdrachtgever immers aansprakelijk. Geef de Belastingdienst behoorlijke en uitvoerbare opdrachten in plaats van hen op te zadelen met een opdracht om modelovereenkomsten op te stellen, waar ze niet toe in staat zijn. Er zijn 900.000 ZZP'ers en 350.000 (M)KB ondernemers, die meerdere verschillende opdrachten per jaar uitvoeren, er was een tijd dat politici en overheid die werkgelegenheid een warm hart toedroegen en stimuleerden in plaats van tegenwerkte. Dat is nog niet eens zo lang geleden…

    Lees verder
  • Ondernemers en zonnepanelen, in 2016 een goede combinatie Door Wijnkamp Keulers op 21-04-2016

    U heeft als maatschappelijk doel om “duurzaam” te ondernemen, of u bent geïnspireerd door het klimaat en u zoekt een investering waarmee u zowel milieubewust als fiscaal verantwoord bezig bent; Wellicht is het aanschaffen van zonnepanelen een interessante optie voor u.


    BTW-aftrek

    Alle kosten die u maakt zijn als btw-plichtig ondernemer aftrekbaar. Zowel de advies-, aanschaf- als installatiekosten zijn aftrekbaar in uw onderneming en zo is de eerste 21% bespaart ten opzichte van de particulier, die er niet voor kiest om aangemerkt te worden als ondernemer. Dit is wel mogelijk, ook speciaal voor het aanschaffen van zonnepanelen.

    Investeringsregelingen
    Energie-investeringsaftrek (EIA)
    Deze EIA kan oplopen tot 58% van de totale waarde van uw aanschaf. Per 1 januari 2016 is deze aftrek verhoogt van 41,5% naar 58%. Deze aftrek is beschikbaar omdat zonnepanelen op de zogenaamde ‘Energielijst’ staan en dus kan hiervoor een verklaring worden aangevraagd om gebruik te maken van deze investeringsregeling.

    Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)
    Met de KIA kan uw voordeel oplopen tot wel 86%. De maximale hoogte van deze aftrek is 28%. De KIA mag in combinatie met de EIA en dat betekent dus een flink extra voordeel. Aan deze aftrek zit wel een minimum aan investeringen in een jaar van € 2.300, tevens zit er een maximale aftrek op wat afhankelijk is van de hoogte van de totale investering.

    Wat betekent dit voor u als ondernemer?

    Uw voordeel is gemakkelijk uit te rekenen. Aan de hand van het volgende voorbeeld maken we u duidelijk hoe.
    Stel, u heeft een investering van € 10.000, exclusief de al afgetrokken BTW. Met zowel de EIA als de KIA kunt u maar liefst 86%! aftrekken van uw fiscale winst (BV) of uw belastbaar inkomen (IB ondernemers), oftewel € 8.600. Hiermee bespaart u in een klap, als BV, een bedrag van € 1.720 aan vennootschapsbelasting en, als IB ondernemer (ligt aan de hoogte van uw belastbaar inkomen) wanneer we van 42% uitgaan, € 3.612 aan belasting. Tevens is de investering van € 10.000 in 5 jaar af te schrijven tot 0 euro, waardoor u ook nog eens € 2.000 per jaar in aftrek kunt brengen. En dan hebben we het minder betalen aan uw energierekening nog niet eens meegenomen.

    Oftewel, het is een hele zinvolle overweging. Daarnaast heeft de overheid ook nog een mooi subsidiebudget voor 2016.

    Subsidieregelingen

    Voor 2016 heeft de overheid het budget voor de “stimulering duurzame energieproductie” verhoogd naar 8 miljard. Per gemeente en provincie is het verschillend of hieraan meegedaan wordt. Dit kunt u checken via de website www.energiesubsidiewijzer.nl

    Bent u al overtuigd?

    Lees verder
  • Ontwikkelingswerk start up en klusbedrijf tezamen goed voor (verhoogde) zelfstandigenaftrek Door Wijnkamp Keulers op 31-03-2016

    Start up'ers hebben, in weerwil van campagnes, die moeten doen geloven dat de overheid hen als troetelkinderen ziet, nogal eens te maken met de Belastingdienst, die heel wat minder gelooft in hun onderneming. Een duidelijk geval van twee overheidsgezichten als het ware.

    Zo ook in het geval van een starter, die naast een bescheiden klusbedrijf een insectenvanger aan het ontwikkelen was. In de ontwikkeling zaten veel uren, uiteindelijk werd een octrooi verkregen. Met het klusbedrijf werd het geld verdiend, panden, waaruit huurders waren vertrokken, werden opgeknapt.

    De inspecteur vond het allemaal maar geklungel in de marge. Het klusbedrijf was geen echte onderneming, de inkomsten uit de werkzaamheden met betrekking tot het klusbedrijf in 2011 merkte hij aan als resultaat uit overige werkzaamheden. Ten aanzien van de werkzaamheden met betrekking tot de productontwikkeling was volgens de inspecteur (nog) geen sprake van een bron van inkomen. Het gevolg was dat de inkomsten uit het klusbedrijf werden belast, kosten aftrek mondjesmaat mogelijk was en geen zelfstandigen- en startersaftrek.

    Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde anders. Weliswaar vond het Hof dat de activiteiten gezamenlijk niet één onderneming vormden, maar de klusser/uitvinder heeft wel twee aparte ondernemingen voor zijn rekening en risico gedreven. Eén op het gebied van kluswerkzaamheden en één met betrekking tot ontwikkeling van de insectenvanger. De klusser/uitvinder genoot dus winst uit onderneming uit twee ondernemingen en kwam op grond van in totaal aan de twee ondernemingen bestede uren (meer dan 1.225 uur) in in aanmerking voor de (verhoogde) zelfstandigenaftrek.

    Hof Arnhem-Leeuwarden 15-03-2016 nr. 15/00245
    ECLI:NL:GHARL:2016:2137

    Lees verder
  • Wiebes worstelt met pensioen in eigen beheer en fiscale oudedagsreserve Door Wijnkamp Keulers op 24-03-2016

    De komende belastingherziening gaat over meer en eerder belasting heffen bij ondernemers en een tweetal op te lossen punten daarbij is het aanpakken van de fiscale aftrek voor pensioen- en oudedagsvoorzieningen in eigen beheer. Inmiddels laten de meeste ondernemers fiscale aftrek (dotatie genaamd) wel uit hun hoofd. Dat betekent dat het probleem zich toespitst op de bestaande reserves (FOR) en pensioenvoorzieningen in de eigen BV. In veel BV’s ontbreekt het geld om de pensioenen te kunnen betalen, eigenlijk heeft handhaven van de voorziening dan geen zin. Ook in veel eenmanszaken is er geen geld over voor afstorten bij een verzekeraar of uitkeren na bedrijfsopvolging. Wat rest is een fiscale claim, die nimmer tot betaling zal leiden.

    Afstand doen van pensioen door een DGA betekent een torenhoge belastingclaim en het einde van een eenmanszaak betekent een belaste vrijval van de reserve, dus ook een flinke belastingclaim. In beide gevallen: belasting betalen, terwijl er geen geld meer is. Het Ministerie van Financiën wil wel een oplossing, maar men vindt dat ondernemers niet het fiscale voordeel van belastingaftrek in het verleden mogen behouden. Werknemers kunnen immers hun pensioen ook niet onbelast uitgekeerd krijgen, zo meent men. Het streven om tot een oplossing te komen wordt, vermoedelijk, vooral ingegeven door de omstandigheid dat de Belastingdienst de uitvoering inmiddels zo ingewikkeld heeft gemaakt, dat de Belastingdienst nu zelf heel veel manuren kwijt is om het allemaal te managen en te controleren. Het kost dus veel en levert niks op, dat is niet bedoeling uiteraard, dus men wil naar een oplossing. Naast afschaffen en verplicht afrekenen, wat natuurlijk niet haalbaar is, wordt voor het pensioen in eigen beheer (PEB) in een BV door Staatssecretaris Wiebes aan twee mogelijke maatregelen gedacht.

    De eerste is “uitfaseren”, anders gezegd, laat de natuur zijn gang maar gaan. Er mag niet meer in eigen beheer worden opgebouwd, dat moet maar bij een verzekeraar, en bestaande voorzieningen en reserves laat men doodbloeden. De BV zal pensioen moeten uitkeren, is er geen geld meer, dan zal de BV failliet gaan of worden ontbonden, daarmee is het probleem opgelost. Is er wel geld, dan zal de uitkering ten laste van de voorziening worden gebracht en belast worden als “loon”. Doet de aandeelhouder verboden dingen, dan is er direct heffing met boete etc. Er is ook nog gedacht aan afkoop met korting, dat is in een keer alles uitkeren en dan 20% onbelast laten, dit is echter zo nadelig dat hiervoor naar verwachting geen enkele belangstelling zal zijn.

    De tweede mogelijkheid is OSEB of wel Oudedag Sparen in Eigen Beheer. Deze vorm lijkt op de PEB, maar met minder regels en dus eenvoudiger. Op te lossen punt is nog dat de OSEB uiteindelijk tot een afstorting bij een verzekeraar zou moeten leiden, wat in veel gevallen niet haalbaar is. Dus een OSEB, die lijkt op de huidige FOR en pensioenregeling in eigen beheer, maar eenvoudiger en dus minder handling door de fiscus, komt dan weer in zicht.

    Onder invloed van CDA en VVD lijkt Wiebes de OSEB te overwegen, niettemin lijkt het erop dat hij eigenlijk helemaal van het pensioen in eigen beheer af wil.

    Het zonder meer afschaffen heeft echter twee belangrijke nadelen. Het ondernemingsvermogen in het MKB wordt uitgehold, er zal dus meer geleend moeten worden of er wordt minder geïnvesteerd, omdat er meer belasting moet worden betaald. Het tweede nadeel is dat tot in lengte van jaren een ondernemer en diens opvolger met het huidige rigide afkoop en boete systeem blijft zitten met navenante fiscale controle en een administratieve schuld, die de mogelijkheid om extra krediet te krijgen negatief beïnvloedt. Afschaffen betekent dus geenszins het einde van de overlast voor de fiscus.

    Als Wiebes kiest voor afschaffen zonder meer ,dan schiet hij (niet voor het eerst) in eigen voet. De problemen, die hij onderkent, worden mede veroorzaakt doordat de Belastingdienst afboeken van de voorzieningen heeft voorzien van veel hogere hoge belastingclaims dan dat er ooit als aftrek is genoten. Als Wiebes nu eenvoudigweg zou toestaan dat de voorziening gewoon kan vrijvallen en dus alleen met VpB wordt belast, dan is het probleem oplosbaar voor velen en is het nadeel voor de fiscus te overzien. Of dit de ondernemers wordt “gegund” in een tijd dat velen vinden, dat zij juist zwaarder moeten worden belast is zeer de vraag. OSEB of afschaffen en langzaam laten “uitzieken”, wij zijn benieuwd wat de uitslag zal zijn.

    Zie FD 23 maart 2016; overleg in de Tweede Kamer “Kamer verdeeld”

    Lees verder
  • Tweede Kamer neemt DGA en ondernemer op de korrel, …“sitting ducks”? Door Wijnkamp Keulers op 24-03-2016

    De SP, bij monde van de heer Bashir, heeft vragen gesteld over de zogenaamde fiscale arbitrage door vermogenden via hun onderneming of hun BV. Met fiscale arbitrage wordt bedoeld dat met de ondernemingen fiscale trucs worden uitgehaald om te ontlopen aan box 3-heffing en inkomsten te verlagen. Portee van de vragen was tevens of het mogelijk was om de inkomsten en het vermogen voor box 3 zo te verlagen, dat er onterecht gebruik kan worden gemaakt van toeslagen. Staatssecretaris Wiebes heeft geantwoord, dat hij niet de indruk heeft dat alleen fiscale motieven aan de orde zijn bij het onderbrengen van vermogen in de ondernemingssfeer of in de BV, maar dat naast het fiscale voordeel ook andere motieven aan de orde zijn. Oneigenlijk gebruik van ondernemersfaciliteiten moet worden afgezet tegen het niet belemmeren van economische ontwikkelingen, waaronder bedrijfsopvolging. Wiebes antwoordde tevens dat alles in een later stadium in het kader van de plannen voor belastingherziening worden meegenomen.


    Ons commentaar:

    De vragen hadden betrekking op het aanhouden van spaargeld in de BV, of de Belastingdienst zicht heeft op het aantal BV’s met duurzaam overtollige liquide middelen, toeslagen die moeten worden uitgekeerd aan zeer vermogenden met vermogen buiten box 3 en lage inkomsten, de bedrijfsopvolgingsregelingen en verliesverrekening binnen box 2.

    De vragen en de antwoorden geven aan dat de positie van ondernemers en de rol van eigen vermogen in de onderneming een fundamentele heroriëntatie wacht. Fiscale faciliteiten, die het eigen vermogen versterken, kosten in de ogen van de overheid teveel. Diezelfde overheid groeit 3-5% per jaar, althans de collectieve lasten groeien met dat percentage. Werknemers en ambtenaren consumeren te weinig, daar kun je de belastingopbrengsten dus niet vergroten. Het gaat dus gehaald worden daar waar het geld zit en daar waar het minste electorale tegengas wordt verwacht. Bij het midden- en kleinbedrijf en de vermogende(n) ouderen dus.

    Of de genuanceerde afweging, die Wiebes nu geeft, te weten niet teveel wegbelasten van eigen vermogen om de ontwikkeling van het MKB en de bedrijfsopvolging niet te belemmeren, de politieke belangenbehartiging door partijen als de SP zal overleven, is zeer de vraag. Als Wiebes de belastingherziening doorzet volgens eerder geuite beleidsvoornemens, dan heeft de bedrijfsopvolging met fiscale faciliteiten in de huidige vorm de langste tijd gehad, zal er meer verplicht loon moeten worden uitgekeerd en zal het vermogen in BV’s eerder en meer worden belast. Oudedagsvoorziening opbouwen via de onderneming of BV, vergeet het maar… verplichte deelname aan collectieve regelingen ligt meer voor de hand. De BV en eigen onderneming dreigt een fuik te worden, waaruit ontsnappen lastig zal zijn. Uw BV en onderneming zijn geen rustig bezit meer. Neem maatregelen nu het nog kan.

    Lees verder
  • Commissarissen niet meer hoe dan ook verplicht onder de loonheffingen Door Wijnkamp Keulers op 24-03-2016

    Commissarissen waren tot nog toe aangewezen als werknemer. Er was sprake van een fictieve dienstbetrekking, dus ongeacht de werkelijke situatie, ondernemer of vrije beroepsbeoefenaar, er moest hoe dan ook loonheffing worden ingehouden en afgedragen over de beloning. Dat leidde er in sommige situaties toe, dat naast loonheffing ook nog eens BTW verschuldigd was, overigens in beginsel over het bruto loon. Bij de aangifte IB leidde het er soms toe dat de beloning als winst uit onderneming werd aangegeven en de ingehouden loonbelasting werd verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.

    Met het afschaffen van de VAR heeft staatssecretaris Wiebes nu ook besloten de fictieve dienstbetrekking voor de commissaris af te schaffen, en wel feitelijk per 1 mei 2016. Dat is op zich een goede ontwikkeling, niettemin is er wel werk aan de winkel, want het wordt nu niet ineens eenvoudig.

    Vanaf 1 mei 2016 moet voor elke commissaris worden beoordeeld of er sprake is van een dienstbetrekking op inhoudelijke gronden, dat kan ook een fictieve dienstbetrekking zijn. Voor sommige commissarissen zal er niet veel veranderen, voor ander commissarissen in het bijzonder degenen, die nu al BTW in rekening brachten, zal er wel het nodige veranderen. Een gezagsverhouding zal niet zonder meer aanwezig zijn, hoewel het ook niet is uit te sluiten als de AVA feitelijk gezag uitoefent. Er kan ook sprake zijn van een dienstbetrekking en dus loon, als een AB-houder of partner daarvan werkzaamheden verricht in zijn “eigen” BV. Net zoals bij iedere ZZP’er annex vrije beroepsbeoefenaar zal nu moeten worden beoordeeld of sprake is van inhoudingsplicht of niet. Modelovereenkomsten van de Belastingdienst volgen hopelijk snel.

    Besluit 14 maart 2016 Staatscourant 14756 23 maart 2016 BLKB2016/265m

    Lees verder
  • Lunch door werkgever niet altijd belast loon Door Wijnkamp Keulers op 04-03-2016

    Vanaf 2016 is loonbegrip zo uitgebreid, dat vrijwel alles dat aan een werknemer wordt verstrekt tot het loon behoort en, voor zover het niet onder de WerkKosten Regeling (WKR) is vrijgesteld, in de eindloonheffing wordt meegenomen. Toch zijn er nog wel enige gaatjes. Als de werkgever een lunch organiseert tijdens een bijeenkomst, waar het zakelijk karakter meer dan “bijkomstig” is, dan is het voordeel uit de lunch niet belast. Een gewone lunch met alleen werknemers is niet genoeg, het moet echt gaan om een vergadering of bijeenkomst waarbij een lunch wordt geserveerd. Het lijkt erop dat een agenda en een verslag aan te raden is.

    Lees verder
  • Geërfde vordering op nihil gewaardeerd Door Wijnkamp Keulers op 04-03-2016

    Onlangs (16 februari 2016) heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden voor de bepaling van de verschuldigde erfbelasting een schuld, die één van de erfgenamen had op de erflater op nihil gesteld. Het Hof stelde vast dat sprake was van een oninbare vordering van de erflater, die waardeloos was. Volgens de wettekst van artikel 21, lid 1 van de Successiewet 1956, wordt het verkregene in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend, dat was in dit geval dus nihil. Taxatie van hetgeen wordt verkregen, is dus belangrijk. Vaak is de waarde veel minder dan wordt gedacht en kan dus met minder erfbelasting worden volstaan.

    Lees verder
  • Niet meer bestaande BV kan geen beroep in stellen Door Wijnkamp Keulers op 04-03-2016

    Als een BV is opgehouden te bestaan, bijvoorbeeld door een ontbindingsbesluit van de aandeelhouders, dan kan er niet meer namens de BV worden gehandeld, deze bestaat namelijk niet meer. Zolang de vereffening duurt, moet bij elke uiting door de vereffenaar (BV in liquidatie) worden toegevoegd, de BV bestaat dan voort zolang de vereffening niet is afgerond. In dit geval was de vereffening afgerond. De BV kon daarom ook niet meer in beroep gaan, zo besliste de Rechtbank Den Haag. Een terechte uitspraak, degene die het beroep had ingesteld, heeft naar het zich laat aanzien, de verkeerde weg gekozen. Het beroep zou meer kans hebben gehad, indien tevens een verzoek tot heropening van de vereffening zou zijn gedaan. Het Hof Den Bosch heeft dit eerder beslist en bepaalde:
    /De rechtspersoon herleeft als de vereffening op de voet van artikel 2:23c, lid 1, BW wordt heropend en dat brengt mee dat de termijn voor het indienen van bezwaar tegen een aanslag die wordt vastgesteld nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, eerst een aanvang neemt zodra, nadat die vereffening is heropend, die aanslag aan de vereffenaar is bekend gemaakt. Indien voordat de vereffening is heropend door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven, op naam van de ontbonden rechtspersoon tegen die aanslag een bezwaarschrift is ingediend, dient niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar met overeenkomstige toepassing van artikel 6:10 Awb achterwege te blijven. /

    De Rechtbank besloot in dit geval ook niet op grond van bijzondere omstandigheden het beroep te behandelen. De formele aspecten van een aanslag, bezwaar en beroep zijn vaak van doorslaggevend belang. Al te zeer op de inhoud focussen, kan tot dit soort zeperds leiden. De handleiding “Procederen voor dummies” biedt geen soelaas, zoals ook een zielig verhaal de rechter er niet toe zal brengen het beroep toch in behandeling te nemen. Het enige voordeel hier is dat er mogelijk een tweede kans is, het hof heeft die weg keurig aangegeven.
    *(Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 april 2011, 10/00486 ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9911) *

    Lees verder
  • Eerste Kamer akkoord met afschaffing VAR na toezeggingen Wiebes Door Wijnkamp Keulers op 30-01-2016

    Staatssecretaris Wiebes is er in geslaagd zijn wetsvoorstel Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie door de Eerste Kamer te loodsen, althans het verzet is gebroken. Alleen D'66, bij monde van senator Alexander Rinnooy Kan, blijft tegen. Overleg met polderaars VNO-NCW, MKB Nederland en aantal ZZP-organisaties, die nog geen 10% van de ZZP'ers als achterban hebben, heeft een brief van Wiebes opgeleverd, die kennelijk voldoende duidelijkheid opleverde voor SP en CDA, die aanvankelijk tegen waren. Daarmee is een meerderheid een feit en wordt de VAR afgeschaft. De brief geeft aan dat de Belastingdienst voor 5 jaar gemuilkorfd wordt, mits partijen zich houden aan wat in een gezamenlijk opgesteld en door de ZZP'er en de opdrachtgever te tekenen modelcontract staat. Geen controle dus bij ZZP'ers en opdrachtgevers. De brief lijkt de opdrachtgever en ZZP'er vrij te stellen, dus geen risico voor de opdrachtgever. De nieuwe wet wordt al bij voorbaat ontdaan van de angel … of toch niet. Wederom een kritische noot.

    Inmiddels staat de brief op internet, aan Wiebes’ intenties moeten we niet twijfelen, zo schrijft hij. Er mag geen “door onzekerheid gedreven terughoudendheid in de markt bestaan”. Hij vervolgt dat er een “gezamenlijk uitgewerkte aanpak” is, die uitgaat van een beperkt aantal modelovereenkomsten en als opdrachtgevers en ZZP'ers die sluiten, dan hebben zij zekerheid vooraf voor 5 jaar. Je moet je wel houden aan de overeenkomst, maar als je dit model volgt en je houdt je eraan, dan weet je zeker dat sprake is van een ZZP’er en niet van een werknemer. “Het probleem van schijnzelfstandigheid is hiermee structureel aangepakt. Onduidelijkheid bij contractering verdwijnt en handhaving verbetert.“

    Bij goed lezen van de modelovereenkomsten en de toelichting in samenhang met de inhoud van de brief doemen er wat problemen op. Er is een algemene overeenkomst en enkele voor specifieke sectoren en situaties. Het overgrote deel van de relaties moet dus via maatwerk overeenkomsten worden geregeld. Dat zal wel gaan gebeuren, met name voor kwetsbare sectoren als de zorg, postbezorgers etc., maar dat gaat een stevige werklast opleveren bij de Belastingdienst. Een reactie binnen 6 weken zal wel niet haalbaar zijn. Verder is er in de brief niet zoveel geregeld en helaas biedt de brief geen duidelijkheid, die de opdrachtgever vrijwaart van risico, zoals de VAR dat bij behoorlijke uitvoering wel deed. Het enige dat deze brief oplevert, is dat simpele modelovereenkomsten kunnen worden gebruikt, die voor 5 jaar zekerheid zouden moeten opleveren, mits opdrachtgever en opdrachtnemer niet meer of anders zijn overeengekomen.

    In de “mits” zit hem de kneep, dit is vragen om geduvel. De gezamenlijk opgestelde overeenkomsten zijn namelijk simpel en compact, maar daarmee ook hopeloos inadequaat. Dat blijkt al uit de toelichting, die nogal wat voorbehouden bevat. Het is onvermijdelijk dat er andere en aanvullende aanspraken zullen worden gemaakt. Dat gaat natuurlijk bij side-letter of mondeling, want je moet je immers aan de voorgeschreven tekst houden. Je krijgt dus de situatie dat partijen willens en wetens een overeenkomst opstellen en tekenen, die geen (volledige) weergave is van wat tussen hen werkelijk is afgesproken.

    De brief geeft dus aanleiding om schijnconstructies aan te gaan en dat moet dan een situatie opleveren, die veronderstelde schijnzelfstandigheid “structureel aanpakt”. Wonderlijk dat in de Eerste Kamer alleen senator Alexander Rinnooy Kan lijkt te begrijpen, wat hier gebeurt. Marnix van Rij (CDA) was overigens wel zo bijdehand om een ruimere overgangstijd te vragen en te informeren bij Staatssecretaris Wiebes hoe hij zich de “handhaving” door de Belastingdienst precies voorstelt.

    En dat is touché, want het is ondenkbaar dat de Belastingdienst zich met deze wetgeving door een brief van Wiebes voor 5 jaar zal laten muilkorven. Controle op de realiteit is natuurlijk volstrekt noodzakelijk en met een dikke miljoen ZZP'ers en meerdere contracten gedurende 5 jaar wordt dat nog wat. Wiebes snapt dat natuurlijk ook wel “Wij hebben besproken dat de positie van ondernemer en het ondernemerschap een gerechtvaardigde plek moet hebben in de handhavingsstrategie (…). Ik heb aangegeven dat ik er naar streef om deze aspecten in samenspraak met uw organisaties, op een werkbare manier mee te nemen in de verdere implementatie.“

    De structurele aanpak door de Staatssecretaris van schijnconstructies leidt dus niet tot meer zekerheid en ook niet tot minder terughoudendheid bij controle en handhaving. En dan zijn we waar men wezen wil, strenge achteraf controle bij veronderstelde werkgevers, aansprakelijkheid en boetes bij opdrachtgevers, dat gaat het (M)KB merken, er is geen sprake van verminderd risico voor de opdrachtgever. Met een naheffingstermijn van 5 jaar, anoniementarief en boetes van 50% - 100% is het risico groot, risicomijdend gedrag is dus alleszins te verwachten.

    Dat gedrag is al zichtbaar. Pay-rolling, bemiddelingsbureaus en de semi- en geheel illegale markt floreren, de freelancers bij de publieke omroep merken al, dat ze alleen nog maar via bemiddelingsbureaus worden ingehuurd, met veel lagere vergoedingen als gevolg.

    De brief van de Staatssecretaris is een garantie voor 5 jaar, die niets voorstelt, niets oplost. En dat is vermoedelijk ook niet de bedoeling. De kern is dat de nieuwe wetgeving, die de VAR afschaft, inert tot meer lasten en meer risico en aansprakelijkheid moet leiden voor ondernemers en ZZP'ers. Zij waren te goedkoop, betalen te weinig belasting en dragen niet bij aan de sociale zekerheid. De goedkope ZZP'er holt de sociale zekerheid uit en is slecht voor de belastinginkomsten, die ZZP'ers moeten dus duurder worden. Zo moet de duurdere werknemer en de afdracht van belasting en premies worden beschermd. De bedoeling is niet om het makkelijker te maken voor ondernemers, men wil gewoon de VAR-bescherming voor ondernemers niet meer. Met het opzetten van een cao-achtig systeem inclusief vakbonden, als FNV zelfstandigen, die centraal arbeidsvoorwaardenoverleg voeren, kunnen aanvullende eisen worden opgenomen in de modelovereenkomsten. Die worden vervolgens de facto “algemeen verbindend” want opdrachtgevers laten het natuurlijk wel uit hun hoofd om daarvan af te wijken en dan de Belastingdienst op bezoek te krijgen voor intensieve loonbelastingcontroles van henzelf en de keten. Zo heeft dat gewerkt bij de WKR-regeling, die de onkostenvergoedingen heeft afgeschaft, zo werkt dat hier en zo krijgen we de ZZP'ers weer in collectief gareel. In de modelovereenkomsten voor de bouw is dat al te zien, daar is al een regeling voor ongevallenverzekering opgenomen en is de aansprakelijkheid dwingend geregeld, de volgende stap is minimumvergoeding en verplichte bijdragen aan collectieve voorzieningen.

    Deze wetgeving is een stap op weg naar meer contribuanten aan collectieve voorzieningen, meer deelnemers moeten de lage rendementen door de lage rente en toegenomen verplichtingen financieren. Dit alles is in lijn met de plannen 2013 van de Commissie Van Dijkhuizen voor belastingherziening. Er was volgens die commissie geen reden om fiscale voordelen voor ondernemers te handhaven, werknemers, ambtenaren en ondernemers moeten evenveel belasting gaan betalen, wat dan wel tot verlaging van lasten voor iedereen zou hebben moeten leiden. Dat was echter in een andere tijd, toen kregen we nog rente op spaargeld en pensioenkapitaal en verkochten we nog voor 15 mld per jaar aardgas, hoe anders is het nu. Het gaat er nu om een duur collectief systeem te restaureren, dat gaan ondernemers en ZZP'ers merken. Die brief van Wiebes en 5 jaar niet controleren, past helemaal niet, daar komt dus ook geen klap van terecht.

    Lees verder
  • 2016 nadert, check nog even … Door Wijnkamp Keulers op 18-11-2015

    Uw voorlopige aanslagen
    Een te lage voorlopige aanslag is duur geld. Voor de vennootschapsbelasting brengt de Belastingdienst 8,05% rente in rekening. Voor de IB is dit 4%, ook te hoog dus om daar voordeel uit te halen. Wijkt uw inkomen of winst af van de verwachtingen, die u eerder had, neem dan contact op met ons om een hogere voorlopige aanslag te laten regelen. Een te hoge voorlopige aanslag is niet voordelig, daarover vergoedt de Belastingdienst geen rente. Zorg dus dat de voorlopige aanslag ongeveer in lijn ligt met de definitieve aanslag.

    Schenken kan voordelig zijn
    De erfbelasting ouders onderling en kinderen kent na vrijstellingen een tarief van 10% tot ruim € 121.000, daarboven 20%. Er is een vrijstelling van ruim € 20.000 voor kinderen en ruim € 633.000 voor echtelieden. Dat betekent dat kinderen tot ruim € 140.000 met 10% wegkomen, daarboven is het 20%. Boven de jaarlijkse vrijstelling van € 5.277, is er dus de mogelijkheid om tot ruim € 121.000 tegen 10% heffing te schenken. Bij grotere vermogens en ouders op leeftijd kan eerder schenken dus voordeel opleveren. Ook gebruik maken van de eenmalige verhoogde vrijstellingen kan voordelig zijn. Wees voorzichtig met ingewikkelde testamenten, het komt nogal eens voor dat de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën op grote schaal toegepaste trucs alsnog repareert en dat dit soort testamenten dan vervolgens zeer nadelig uitpakken. Bent u ondernemer, dan zijn er heel andere maatregelen nodig en mogelijk. Vermogen actief in de ondernemingssfeer aanwenden blijft vooralsnog het beste planningsinstrument.

    Open fonds voor gemene rekening
    Is het wat voor u, is het een alternatief voor box 3 en de dreigende zwaardere vermogensbelasting? Als u een groot vermogen in box 3 hebt en geen mogelijkheid of zin hebt om via een onderneming te investeren, dan kan een dergelijk fonds een mogelijkheid zijn. U gaat dan in plaats van 1,2% of meer in de toekomst, over de gerealiseerde winst van het fonds 25% betalen. Er zitten haken en ogen aan, het is de vraag of deze weg lang zal kunnen voortbestaan, maar als alternatief voor box 3 is het een overweging waard.

    Uw opdrachtnemers, VAR nadert zijn einde
    De aansprakelijkheid voor niet afgedragen loonbelasting en premies neemt toe. De ketenaansprakelijkheid is nu in alle sectoren van toepassing en de VAR, die de opdrachtgevers vrijwaart voor claims achteraf van fiscus en UWV, gaat verdwijnen. Volgens Staatssecretaris Wiebes worden opdrachtgever en opdrachtnemer "samen" verantwoordelijk, werkgevers en opdrachtgevers trappen er niet in en weten wel beter. Het zalvende "samen" betekent niet anders dan dat de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk is en zal moeten betalen als de ZZP'er toch werknemer blijkt te zijn of dat er gebruik is gemaakt ergens in diens toeleveringsketen van inhoudingsplichtige en premieplichtige arbeid. Er zijn voorbeeldovereenkomsten, die geen arbeidsverhouding tot gevolg zouden moeten hebben, die gelden alleen fiscaal en niet als er ook aanvullende afspraken zijn. Inmiddels is duidelijk dat er zeer veel soorten en maten ZZP'ers zijn en dat de nu gepresenteerde voorbeeldovereenkomsten aanvullende afspraken zullen opleveren. Weinig praktische betekenis dus. Ook zijn sommige overeenkomsten ronduit als arbeidsovereenkomsten aan te merken met alle juridische gevolgen van dien. Het gepruts door de politiek met de ZZP'er is nog lang niet over. We zullen zien of de afschaffing van VAR niet gewoon tot doel had om het groeiende aantal ZZP'ers af te stoppen. De huidige VAR blijft bij ongewijzigde omstandigheden van de ZZP'er in 2016 (vooralsnog tot 1 april 2016) geldig. Hoe een opdrachtgever dat moet controleren, heeft Wiebes er niet bij gezegd… Vermoedelijk "samen" met de ZZP'er, zal hij voor ogen hebben. Onze tip, zoek de voor uw sector toepasselijke modelovereenkomst, laat deze beoordelen door een arbeidsrecht jurist en kijk of u er mee uit de voeten kunt. Bij twijfel zorg ervoor dat loonbelasting en premies worden aangegeven, houd het bedrag in en maak bezwaar tegen uw eigen aangifte. Als u dat een keer doet in samenspraak met de ZZP'er dwingt u de inspecteur tot een standpunt.

    G-rekening verdwijnt
    Niet alleen de G-rekening verdwijnt per 1 januari 2016, ook rechtstreeks storten bij de fiscus zal niet meer mogelijk zijn. Houdt dus voldoende in en overweeg een eigen stichting met bankrekening om het geld in afspraak met de onderaannemers op een derdengeldrekening te storten, zodat het enigszins buiten de risicosfeer blijft.

    Uw werknemers’ loon of beloningscomponenten
    Onkostenvergoedingen en declaraties moesten al beoordeeld worden, er kan niet zoveel meer, bij twijfel loon met eindheffing aangeven in de werkkostenregeling. Per 1 januari 2016 komt daarbij dat rentevoordeel op personeelsleningen tot het loon moet worden gerekend. Uiteraard blijft de aftrek in de LB voor de werknemer in stand en om extra loon(afdracht) te voorkomen, is het wellicht haalbaar om de rente naar een zakelijk niveau te brengen. Netto zou er dan niet zoveel achteruitgang bij de werknemer zijn, terwijl uw loonkosten binnen de perken blijven. Het rentevoordeel mag overigens niet worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel in de werkkostenregeling.

    Lees verder
  • Verhuur van multifunctionele garageboxen toch vrijgesteld van BTW Door Wijnkamp Keulers op 29-09-2015

    Schreven wij een jaar geleden nog dat de Rechtbank Zeeland-West-Brabant had geoordeeld dat, ook al is er sprake van een multifunctionele ruimte, de verhuur van een garagebox met BTW belast is. Inmiddels heeft het Hof Den Bosch geoordeeld dat de verhuur van garageboxen wel vrijgesteld is van BTW, als er sprake is van een ruimte die niet als zodanig wordt gebruikt.

    De Rechtbank vond nog dat een garagebox een garagebox is en het gebruik niet uitmaakt, dus belast met BTW.

    Het Hof daarentegen oordeelt, dat de garageboxen onroerende zaken zijn, die naar hun aard en inrichting gebruikt kunnen worden voor meerdere doeleinden en derhalve multifunctioneel zijn. Ter zake van multifunctionele ruimte is in een besluit van het Ministerie van Financiën bepaald dat, wanneer deze multifunctionele ruimte primair voor andere doeleinden dan het parkeren van auto's kunnen worden gebruikt, er in beginsel geen sprake is van de verhuur van parkeerruimte, maar van verhuur van een onroerende zaak, welke verhuur is vrijgesteld van BTW.

    Vaak is in de huurovereenkomst garagebox opgenomen dat deze bestemd is voor garage/bergruimte. Hiermee staat vast dat zowel het stallen van een auto, als een andere benutting, namelijk als bergruimte, door partijen contractueel niet is uitgesloten. Naar de mening van het Hof kan op grond hiervan het vertrouwen worden ontleend dat de verhuur van garageboxen is vrijgesteld van omzetbelasting, aangezien deze in de praktijk primair voor andere doeleinden worden gebruikt dan het stallen van een auto.

    Lees verder
  • Landbouwvrijstelling afgeschaft of beperkt? Door Wijnkamp Keulers op 25-09-2015

    Wederom gaan er geruchten dat de werking van de landbouwvrijstelling wordt ingeperkt. Deze keer lijkt het te gaan om de opmerkingen, die de redactie van een vaktijdschrift heeft geplaatst als commentaar bij het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015, waarin jaarlijkse herwaardering werd afgewezen. Het aangaan van een (man-vrouw) maatschap zou niet meer een oorzaak voor herwaardering kunnen zijn, althans de Belastingdienst zou studeren op bestrijding van deze methode, zo zeggen de geruchten. Er zou op korte termijn nog met een maatschap moeten worden gewerkt om deze met terugwerkende kracht per 1 januari jl. te laten ingaan.

    Op het eerste gezicht lijkt het wat ver gezocht en er zijn in de vakliteratuur ook andersluidende visies te vinden. Niettemin is er ten aanzien van landbouwgrond met een lage boekwaarde wel zorg op zijn plaats. Er is op dit moment geen directe aanleiding tot vrees voor verdere inperking, niettemin blijft de landbouwvrijstelling voor velen een vreemde en onterechte "eend in de bijt'. Voor zover de portee van de geruchten is, dat er actie moet worden overwogen, staan wij daarachter. Wij hebben nooit veel gezien in de proefprocedure die, zo is inmiddels duidelijk, niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Zelf actie ondernemen blijft aan te raden, wij hebben dat al eerder aangegeven.

    Nu de proefprocedure voor nog meer onduidelijkheid heeft gezorgd en dus in dat opzicht als volkomen mislukt moet worden beschouwd, is de vraag hoe nu verder. Moet je je iets aantrekken van deze geruchten. Wij vrezen van wel, al was het maar omdat door dit soort gedoe de landbouwvrijstelling weer volop in de schijnwerpers staat. Wat moet je dan doen… nog snel een maatschap of voorovereenkomst tekenen? Is dat dan voldoende?

    Het is nu de vraag, of het aangaan van een maatschap op zich voldoende is, nog daargelaten of de terugwerkende kracht wel werkt in dit kader. Als de Belastingdienst gemaakte afspraken herziet en het standpunt van de redactie van het vakblad tot beleid zou maken, is er een probleem. Niet, omdat nu al vaststaat dat het niet gaat werken, maar er is een probleem, omdat het mogelijk niet genoeg is en niet zeker is, dat er nog gelegenheid is tot herstel.

    Er zijn alternatieven voor de maatschappen denkbaar. Het gaat er daarbij om dat er sprake is van winstrealisatie op het gewenste moment en dat die winst is vrijgesteld. Het zou kunnen, dat daarover bij het aangaan van een willekeurige maatschap vraagtekens bij te plaatsen zijn. Vooral in situaties, waar feitelijk niets verandert en de inbrenger na het einde van de maatschap de gronden weer terugkrijgt, zitten in de discussie zone. Het realiseren van winst, die vervolgens is vrijgesteld, is niet geheel op één lijn te stellen met herwaarderen of verhogen van de boekwaarde, het zou kunnen zijn dat daarop meer dan nu de focus komt te liggen. Wilt u de huidige vrijstelling benutten, dan is maatwerk noodzakelijk. Standaard regelingen of volgen van collectieve acties zien wij minder in, voorlopig met recht, zo lijkt ons.

    Lees verder
  • Fiscus plaatst hek om Nederland om DGA’s binnen te houden Door Wijnkamp Keulers op 18-09-2015

    Met de dreigende lastenverzwaringen voor ouderen en DGA’s in het vooruitzicht zijn er inmiddels maatregelen genomen, vooruitlopend op het belastingplan 2016, om fiscale emigratie en verplaatsing van ondernemingen te ontmoedigen. Men heeft een emigratie-lek geconstateerd en dat moet worden gedicht, zo is de gedachte. Kennelijk is de situatie zo acuut dat per 15 september jl. de maatregel al is ingegaan. Als het om geld binnenhalen gaat, is wetgeving met terugwerkende kracht geen enkel probleem in Nederland. Vrees voor kapitaalvlucht staat weer bovenaan de agenda in Den Haag.

    Wat is er aan de hand

    Als mensen met een aanmerkelijk belang (meer dan 5% aandelen in een BV) emigreren, krijgen ze van de Belastingdienst een zogenoemde conserverende aanslag over de waardegroei van hun bezit in de periode, dat zij in Nederland woonden. Op dit moment hoeft een emigrant deze aanslag alleen te voldoen als (nagenoeg) alle winstreserves in de vennootschap worden uitgekeerd of bij verkoop van de aandelen. Zolang dit niet gebeurt, hoeft de aanslag niet te worden betaald. De conserverende aanslag wordt kwijtgescholden na 10 jaar verblijf in het buitenland, er wordt geen invorderingsrente gerekend.

    Die kwijtschelding wordt geschrapt, De conserverende aanslag blijft voortaan voor onbepaalde tijd openstaan. Daarnaast verdwijnt de bepaling, dat emigranten met een aanmerkelijk belang de conserverende aanslag slechts hoeven te voldoen bij een winstuitkering van 90% of meer. Voortaan moet bij iedere winstuitkering naar rato belasting worden betaald. Dit zou moeten voorkomen dat mensen met een aanmerkelijk belang na emigratie een aanzienlijk deel van de winst incasseren zonder dat de Nederlandse fiscus dit (volledig) in de heffing kan betrekken. Volgens het kabinet betalen geëmigreerde aanmerkelijk belang-houders straks evenveel en op hetzelfde moment belasting als niet-geëmigreerde aanmerkelijk belanghouders.

    Nu is er inderdaad wel wat aan de hand. Emigratie naar Malta en dat soort staten van een DGA en daarna 85% van de winst uitkeren, dat kwam veelvuldig voor. Dus de fiscus heeft inderdaad wel een punt. Niettemin is bij emigratie er juist geen sprake van gelijke behandeling tussen binnenlanders en buitenlanders. Immers, Nederlandse AB winst wordt pas belast, als die wordt behaald en niet op een moment van verhuizing van de DGA. Een conserverende aanslag is een momentopname, die belastbare fiscale reserves vaststelt op één moment. Er moet een fictieve koopsom voor de aandelen worden geschat met alle geduvel van dien bij actieve BV’s, want bepaal maar eens de waarde van een lopend bedrijf.

    Bij verkoop of winstuitkering gaat Nederland heffen, niet alleen binnen 10 jaar maar ook daarna. De belastingverdragen ter voorkoming van dubbele belasting kennen veelal een regeling dat Nederland gerechtigd is de AB-winst te belasten binnen 5 jaar, na 5 jaar moet Nederland het woonland voor laten en zal de aldaar geheven belasting moeten worden verrekend. Nederland moet, volgens internationaal belastingrecht, ook rekening houden met waardedaling van de aandelen. Dat was ook al zo bij de huidige regeling, nu wordt dat door de onbepaalde tijd een nog grotere puzzel.

    Lees verder
  • BTW ten onrechte terugvragen of niet afdragen, is geen goed idee Door Wijnkamp Keulers op 30-07-2015

    Het is een verboden vrucht, die iedere ondernemer kan verleiden. Als je even krap zit .,. sjoemelen met de BTW-aangifte en meer terugvragen of minder afdragen in de hoop dat het een maand of een kwartaal later wel weer kan worden ingelopen. Dat kan een dure grap worden, naheffing met boete is wel het minste dat tegemoet gezien kan worden en soms wordt het de Officier van Justitie en vervolging wegens fraude. Niet doen ... is het enige bruikbare advies.

    De Rechtbank Den Haag kreeg onlangs een zaak te behandelen van een vrouw, die als bestuurder van een BV in oprichting (i.o.), op aangifte omzetbelasting had teruggevraagd voor in totaal € 7.500. Tijdens een hoorgesprek had ze aangevoerd, dat ze geen geld meer had om van te leven en dat het daarvoor was gebruikt. Er waren geen ondernemersactiviteiten geweest en geen facturen. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd van € 7.500 en een boete opgelegd van 50% van de nageheven belasting, ofwel € 3.750. Omdat het over 2008 ging, werd ook nog eens € 1.051 heffingsrente in rekening gebracht. De vrouw ging in beroep bij de Rechtbank, maar ze kreeg geen poot aan de grond. De Rechtbank vond dat de vrouw niet aannemelijk had gemaakt, dat omzetbelasting in rekening was gebracht, die als voorbelasting voor aftrek in aanmerking komt. Ook de boete van 50% was terecht, omdat het aan opzet is te wijten dat ten onrechte teruggaven omzetbelasting zijn verleend.

    Ondernemers zijn onbetaalde incasseerders voor de Staat, zij moeten inhouden en afdragen of in rekening brengen en afdragen. Op niet naleven van de regels staan zware boetes, en in steeds meer gevallen wordt de strafrechter in geschakeld als de inspectie of de FIOD fraude vermoedt. Als u als ondernemer met de FIOD of de recherche te maken krijgt, dan leert u dit land op een hele nare en zeer ingrijpende manier nader kennen. Er is weinig begrip voor ondernemers, die sjoemelen met de regels en te weinig afdragen. Het begint vaak met "even" wat lucht happen door BTW een maandje later af te dragen en de aangifte daarop aan te passen. Vooral mei, juni en juli zijn beruchte tijdvakken. Dat weet de fiscus ook, controles worden strakker. Niet doen dus ... verzin iets anders en verzin het op tijd. Sjoemelen met aangiftes kan echt niet !

    Lees verder

Laatste nieuws

Nieuws

  • Geld geleend van de eigen BV, in 2019 maatregelen nemen Door Wijnkamp Keulers op 02-11-2018

    In de belastingplannen 2019 wordt aangekondigd dat DGA’s, die meer dan € 500.000 lenen van hun BV’s worden aangepakt. Het meerdere boven € 500.000 zal in de toekomst met 25% en mogelijk 28% inkomstenbelasting worden getroffen. Aanvankelijk wilde men zelfs de eigen woning-hypotheken aanpakken maar kennelijk is, na het dividendbelasting-fiasco, ruimte gevonden om dat achterwege te laten.

    In combinatie met verhoging van het box 2 tarief naar 28% dreigt het nu al geldende beleid van de fiscus om lenen van de BV eerder en in meer gevallen als dividend uitkering te belasten voor nogal wat DGA’s een flinke rekening op te leveren. Dat geldt niet alleen voor diegenen, die meer dan € 500.000 hebben geleend.

    Nu is het lenen van de BV geen ondernemersfaciliteit, er moet gewoon een normale rente (minimaal 3%) aan de BV worden betaald. De ontvangen rente is bij de BV belast tegen 20-25% en bij de DGA niet aftrekbaar (tenzij het een eigen-woning lening is). Bij de DGA valt de schuld aan de BV in box 3. Als de lening niet wordt afgelost, er geen zekerheid tegenover staat, er geen schriftelijke overeenkomst is of de rente alleen maar wordt "bijgeschreven", dan wordt de lening van de BV al snel als een "uitkering" gezien. Deze uitkering is in box 2 bij de DGA belast met 25% inkomstenbelasting (de komende jaren stijgt dit tarief naar mogelijk 28% … of meer, wie zal het zeggen).

    Niet zoveel aan de hand dus voor de fiscus, zo lijkt het. Bovendien zijn de vorderingen op de DGA onderdeel van het eigen vermogen van een BV. Komt de BV in de problemen dan zal de DGA er niet aan ontkomen bij te springen. Is de winst daarentegen uitgekeerd aan de DGA en belast geweest met IB bij de DGA, dan is dat geen eigen vermogen meer van de BV. De BV wordt dus door uitkeringen in feite uitgehold.

    Niettemin, veel DGA’s zijn de afgelopen jaren slordig om gesprongen met schulden aan hun BV’s. Boekhouders en accountants speelden het spel mee. Niet zelden werd het advies gegeven, dat "lenen van de BV" veel goedkoper was dan meer salaris uitkeren. Dividend uitkeren was al helemaal taboe of kon niet, omdat de BV niet voldoende vermogen had. In zo’n BV, met soms alleen maar vorderingen op een DGA en een DGA, die een "kale kip" blijkt te zijn, moet de fiscus maar zien de belastingclaims ooit nog geïnd te krijgen.

    De fiscus poogt al langer om via strikte voorwaarden, zoals zekerheid stellen, rente daadwerkelijk betalen en realistische aflossingen, het kaf van het koren te scheiden. Slordige DGA’s worden geconfronteerd met een standpunt van de Inspecteur dat de lening "onzakelijk" is, dus als "uitkering" moet worden beschouwd. Daarbij rees echter een probleem voor de fiscus bij de rechter. De fiscus is namelijk nogal eens te laat met het opleggen van de (navorderings)aanslagen. De rechter heeft geconstateerd, dat, als op het moment van verstrekken van de lening deze al "onzakelijk" was, er een belastbare uitkering was op het moment van uitlenen en niet in latere jaren. De fiscus, die toen niet heeft belast, vist nu achter het net.

    Uiteraard is er nogal eens discussie tussen DGA’s en de Belastingdienst over het karakter van leningen aan een DGA en diens familie. In de nieuwe kabinetsmaatregelen wordt nu aan die discussie voor leningen boven de € 500.000 aan de DGA (en diens familieleden) een einde gemaakt. Bij een lening van meer dan € 500.000 wordt hoe dan ook het meerdere als uitkering beschouwd. Eigen woning leningen blijven, zoals gezegd, buiten schot, maar natuurlijk alleen als ook die leningen niet ongebruikelijk zijn. Een te grote lening, weinig inkomen en een woning met een waarde, die onvoldoende dekking geeft, blijft dus in beeld als uitkering.

    Ingangsdatum is 1 januari 2022. Volgens het kabinet is er dan voldoende tijd om in 2019 nog tegen 25% te kunnen afrekenen. In de jaren daarna gaat het tarief omhoog voor alle winstuitkeringen naar 28%, dus volgens het kabinet is het beter om in 2019 dividend uit te keren en de leningen aldus af te lossen. Voor leningen beneden de € 500.000 blijven de huidige voorwaarden overigens gewoon gelden, dus ook die kunnen, onder omstandigheden, als belaste uitkeringen blijven gelden.

    Zorg dat u voor alle leningen, ook die van minder dan € 500.000, aan de voorwaarden voldoet. Schriftelijke overeenkomst, rente en aflossing daadwerkelijk betalen, niet bijschrijven dus, en niet meer uitlenen dan verantwoord zou zijn als het een vreemde zou zijn geweest in plaats van de DGA zelf.

    Tijd om uw knopen te tellen dus, als u hebt geleend van de BV. Tot slot, let op het volgende. Als u besluit om "af te rekenen" en 25% te betalen om de lening "af te lossen", dan moet u in 2019 rekening houden met een "bruto" dividend van ruim 33% om 25% Inkomstenbelasting te kunnen betalen. In de komende jaren loopt het bruto percentage op naar bijna 36%.

    Lees verder
  • Erfgenaam, fiscale claims niet onderschatten Door Wijnkamp Keulers op 11-10-2018

    Een notaris meldt zich bij u omdat u bij testament als erfgenaam bent benoemd. Leuk, denkt u, dat is mooi meegenomen. Niettemin kunt u van een heel koude kermis thuis komen als er flinke schulden blijken te zijn. Als u aansprakelijk daarvoor bent omdat u een erfenis hebt aanvaard, dat kan bijvoorbeeld omdat u spullen uit het huis hebt verkocht, dan kan het u uit uw eigen vermogen geld gaan kosten. Belastingschulden komen steeds meer, en helaas vaak achteraf in beeld als onaangename verrassing. De nieuwste maatregelen bij door een overledene niet opgegeven buitenlands vermogen kunnen forse claims en zelfs boetes voor erfgenamen tot gevolg hebben. Eigenlijk is het steeds minder aan te raden om een erfenis van een ondernemer of een vermogend familielid zonder uitgebreid nader fiscaal onderzoek te aanvaarden. Let wel, het onderzoek dat de notaris doet voor successierecht is meestal onvoldoende. Bovendien vindt dat onderzoek meestal pas na zo'n acht maanden plaats en dat is te laat. Eigenlijk moet er een gedegen onderzoek plaatsvinden, voordat een erfenis anders dan benificiair is aanvaard. Voor executeurs geldt, hoed u voor aansprakelijkheidsclaims.

    Een erfenis van ongetrouwde oom

    Stel, u hoort dat u erfgenaam bent van uw oom en u doet niets, u verwerpt niet en u gaat niet naar de notaris voor een beneficiaire aanvaarding, dan hebt u de erfenis zonder voorbehoud aanvaard. Na een jaar getouwtrek met andere erfgenamen wordt het huis geleegd en vindt u in een schoenendoos redelijk recente bankafschriften van verschillende rekeningen in Liechtenstein en Luxemburg met een totaal saldo van € 750.000 op naam van uw oom. Na lang zoeken vind u enige aangiften inkomstenbelasting van uw oom. U controleert deze en kan in de aangiften niets vinden omtrent deze rekeningen. In eerste instantie gaat u ervanuit dat deze rekeningen inmiddels zijn opgeheven en uw oom alles heeft opgemaakt. Tot dat u zich herinnert dat uw oom tot vlak voor zijn overlijden regelmatig naar Liechtenstein ging en u daarna altijd via de bank een bedrag geschonken kreeg. U was er blij mee, want de studies van de kinderen werden ermee betaald.

    Hoofdelijk aansprakelijk voor belastingschulden overledene

    Wanneer u de erfenis hebt geaccepteerd, bent u hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de overledene. Hoofdelijk aansprakelijkheid heeft tot gevolg dat de schuldeiser u kan aanspreken voor het geheel en u zelf bij de overige erfgenamen hun deel van de schuld moet zien terug te halen.

    Acceptatie hoeft niet bij de notaris plaats te vinden. Door uw gedragingen - huis leeggehaald en inboedel verkocht of huis verkocht - hebt u de nalatenschap aanvaard en bent u ook met uw eigen vermogen (hoofdelijk) aansprakelijk voor in dit geval ook de gevolgen van het verzwegen vermogen in het buitenland. Maar ook wanneer u onder druk van de verhuurder het huis leeg hebt gehaald en de inboedel hebt verkocht en bijvoorbeeld het Breitling-horloge, dat nog in het doosje zat, zelf hebt gehouden. Ook dit kan zuivere aanvaarding van de nalatenschap zijn met alle gevolgen van dien.

    Verzwegen vermogen in het buitenland

    In dit voorbeeld heeft de erflater vermogen in het buitenland, dat nooit is aangegeven in de belastingaangifte en is dit in een later stadium door u ontdekt. Dit betekent dat u een aanzienlijke belastingclaim te wachten staat en dat terwijl u niet eens wist dat het er was.

    De Belastingdienst zal bij verzwegen vermogen een boete van 300% van het te betalen bedrag aan inkomstenbelasting opleggen. Naast de inkomstenbelasting-gevolgen zal dit ook gevolgen voor de erfbelasting hebben, zeker wanneer de aangifte al is gedaan op het moment dat het vermogen ontdekt wordt. Er geldt een vergrijpboete van 100% op het ten onrechte niet corrigeren van een onjuiste aangifte erfbelasting wegens vermogen in het buitenland.

    Let dus op bij het handelen na het overlijden, er is al snel sprake van het aanvaarden van een erfenis. Het is verstandig, zeker wanneer de erfenis verkregen wordt van een ondernemend of vermogend familielid, om beneficiair te aanvaarden, zodat het risico op aansprakelijkheid voor (belasting)schulden zo veel mogelijk wordt beperkt. Op basis van de huidige wetgeving zou u immers tot twaalf jaar na het overlijden van uw oom, geconfronteerd kunnen worden met de fiscale gevolgen van het handelen van uw oom.

    Komt alsnog (verzwegen) buitenlands vermogen boven water, dan is aansprakelijkheid moeilijk te voorkomen. Zo spoedig mogelijk melding maken bij de Belastingdienst van dit vermogen, voordat de Belastingdienst het zelf ontdekt, dan kunnen boetes mogelijk worden voorkomen of beperkt, maar die navorderingsaanslag vermeerderd met belastingrente op grond van € 750.000 vermogen in het buitenland komt. Houd daar rekening mee.

    Lees verder

Agro nieuws

  • Erfgenaam, fiscale claims niet onderschatten Door Wijnkamp Keulers op 11-10-2018

    Een notaris meldt zich bij u omdat u bij testament als erfgenaam bent benoemd. Leuk, denkt u, dat is mooi meegenomen. Niettemin kunt u van een heel koude kermis thuis komen als er flinke schulden blijken te zijn. Als u aansprakelijk daarvoor bent omdat u een erfenis hebt aanvaard, dat kan bijvoorbeeld omdat u spullen uit het huis hebt verkocht, dan kan het u uit uw eigen vermogen geld gaan kosten. Belastingschulden komen steeds meer, en helaas vaak achteraf in beeld als onaangename verrassing. De nieuwste maatregelen bij door een overledene niet opgegeven buitenlands vermogen kunnen forse claims en zelfs boetes voor erfgenamen tot gevolg hebben. Eigenlijk is het steeds minder aan te raden om een erfenis van een ondernemer of een vermogend familielid zonder uitgebreid nader fiscaal onderzoek te aanvaarden. Let wel, het onderzoek dat de notaris doet voor successierecht is meestal onvoldoende. Bovendien vindt dat onderzoek meestal pas na zo'n acht maanden plaats en dat is te laat. Eigenlijk moet er een gedegen onderzoek plaatsvinden, voordat een erfenis anders dan benificiair is aanvaard. Voor executeurs geldt, hoed u voor aansprakelijkheidsclaims.

    Een erfenis van ongetrouwde oom

    Stel, u hoort dat u erfgenaam bent van uw oom en u doet niets, u verwerpt niet en u gaat niet naar de notaris voor een beneficiaire aanvaarding, dan hebt u de erfenis zonder voorbehoud aanvaard. Na een jaar getouwtrek met andere erfgenamen wordt het huis geleegd en vindt u in een schoenendoos redelijk recente bankafschriften van verschillende rekeningen in Liechtenstein en Luxemburg met een totaal saldo van € 750.000 op naam van uw oom. Na lang zoeken vind u enige aangiften inkomstenbelasting van uw oom. U controleert deze en kan in de aangiften niets vinden omtrent deze rekeningen. In eerste instantie gaat u ervanuit dat deze rekeningen inmiddels zijn opgeheven en uw oom alles heeft opgemaakt. Tot dat u zich herinnert dat uw oom tot vlak voor zijn overlijden regelmatig naar Liechtenstein ging en u daarna altijd via de bank een bedrag geschonken kreeg. U was er blij mee, want de studies van de kinderen werden ermee betaald.

    Hoofdelijk aansprakelijk voor belastingschulden overledene

    Wanneer u de erfenis hebt geaccepteerd, bent u hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de overledene. Hoofdelijk aansprakelijkheid heeft tot gevolg dat de schuldeiser u kan aanspreken voor het geheel en u zelf bij de overige erfgenamen hun deel van de schuld moet zien terug te halen.

    Acceptatie hoeft niet bij de notaris plaats te vinden. Door uw gedragingen - huis leeggehaald en inboedel verkocht of huis verkocht - hebt u de nalatenschap aanvaard en bent u ook met uw eigen vermogen (hoofdelijk) aansprakelijk voor in dit geval ook de gevolgen van het verzwegen vermogen in het buitenland. Maar ook wanneer u onder druk van de verhuurder het huis leeg hebt gehaald en de inboedel hebt verkocht en bijvoorbeeld het Breitling-horloge, dat nog in het doosje zat, zelf hebt gehouden. Ook dit kan zuivere aanvaarding van de nalatenschap zijn met alle gevolgen van dien.

    Verzwegen vermogen in het buitenland

    In dit voorbeeld heeft de erflater vermogen in het buitenland, dat nooit is aangegeven in de belastingaangifte en is dit in een later stadium door u ontdekt. Dit betekent dat u een aanzienlijke belastingclaim te wachten staat en dat terwijl u niet eens wist dat het er was.

    De Belastingdienst zal bij verzwegen vermogen een boete van 300% van het te betalen bedrag aan inkomstenbelasting opleggen. Naast de inkomstenbelasting-gevolgen zal dit ook gevolgen voor de erfbelasting hebben, zeker wanneer de aangifte al is gedaan op het moment dat het vermogen ontdekt wordt. Er geldt een vergrijpboete van 100% op het ten onrechte niet corrigeren van een onjuiste aangifte erfbelasting wegens vermogen in het buitenland.

    Let dus op bij het handelen na het overlijden, er is al snel sprake van het aanvaarden van een erfenis. Het is verstandig, zeker wanneer de erfenis verkregen wordt van een ondernemend of vermogend familielid, om beneficiair te aanvaarden, zodat het risico op aansprakelijkheid voor (belasting)schulden zo veel mogelijk wordt beperkt. Op basis van de huidige wetgeving zou u immers tot twaalf jaar na het overlijden van uw oom, geconfronteerd kunnen worden met de fiscale gevolgen van het handelen van uw oom.

    Komt alsnog (verzwegen) buitenlands vermogen boven water, dan is aansprakelijkheid moeilijk te voorkomen. Zo spoedig mogelijk melding maken bij de Belastingdienst van dit vermogen, voordat de Belastingdienst het zelf ontdekt, dan kunnen boetes mogelijk worden voorkomen of beperkt, maar die navorderingsaanslag vermeerderd met belastingrente op grond van € 750.000 vermogen in het buitenland komt. Houd daar rekening mee.

    Lees verder
  • Windpark Zeewolde, Raad van State aan zet Door Wijnkamp Keulers op 23-04-2018

    Op 23 en 30 augustus 2017 heeft de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State een uitspraak gedaan inzake beroep over het (kennelijk voor de tweede keer) onder overgangsrecht brengen van windturbines, die vallen in het bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde 2016. In de uitspraak heeft de Afdeling aangegeven dat in de betreffende procedure het Rijksinpassingsplan (RIP) en de bijbehorende besluiten niet ter beoordeling stonden. De beoordeling was dus beperkt tot de vraag of de windturbines onder het overgangsrecht geplaatst mochten worden. Dat mocht, omdat binnen de planperiode (10 jaar) concreet zicht was op verwijdering. Indien dit niet het geval was, moet de turbine positief in bestemd worden. De gemeenteraad wees voor het standpunt dat de windturbines binnen de planperiode zullen worden verwijderd op Partiële herziening, de Beleidsregel windmolens, de Noodverordening, het RIP en Regioplan. De Afdeling verwierp de stelling van een van de eigenaren, dat er geen draagvlak was en dat er niet onteigend kon worden, dus de plannen onuitvoerbaar zouden zijn. De Afdeling twijfelde niet aan het standpunt van de gemeenteraad dat alle kosten op de Ontwikkelvereniging zouden worden verhaald.
    ABRvS 23 augustus 2017 NL:RVS:2017:2392; ABRvS 30 augustus 2017 ECLI:NL:RVS:2017:2333

    Tot zover het bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde, inmiddels zijn we een stadium verder. De Ontwikkelvereniging is opgevolgd door Windpark Zeewolde BV, een BV met een klein aandelenkapitaal (minder dan € 5.000), waarbij de participerende "boeren, burgers en buitenlui" betalen via contracten en SDE+ subsidies voor de economische haalbaarheid moeten zorgen.

    Op dit moment is een zogenaamd Rijksinpassingsplan (RIP) in procedure met bijbehorende besluiten. Dit plan volgt als het ware op een eerder Provinciaal Regioplan en onder meer het hiervoor genoemde bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde van oktober 2016. Bestaande turbines zijn in feite weg bestemd door het bestemmingsplan Buitengebied en RIP en zullen uiteindelijk kunnen worden onteigend.

    Bijzonder is dat dit (RIP) plan een plangebied kent waarbinnen nieuwe, grotere windturbines worden vergund, aan één vergunninghouder (Windpark Zeewolde BV), onder de verplichting om bestaande windturbines buiten het plangebied te saneren.

    Stand van zaken 9 april 2018:

    De Raad van State heeft aan de Advocaat-Generaal een conclusie gevraagd of eigenaren van windturbines buiten het plangebied (en overige belangstellenden voor exploitatie) een relevant belang hebben bij beroep tegen het RIP. Aan deze relativiteitseis moet eerst worden voldaan, voordat hun beroep verder inhoudelijk kan worden behandeld (artikel 8:69a AWB).

    Zijn de eigenaren ontvankelijk, dan zal alsnog hun beroep moeten worden beoordeeld door de Afdeling. Op 9 april jl. hebben belanghebbenden hun visie kenbaar kunnen maken in een zitting van de Afdeling. De windturbine eigenaren ageren niet alleen tegen de gedwongen sloop van hun turbines, die nog vele jaren meekunnen en niemand in de weg staan, zij menen ook dat zij nimmer een eerlijke kans hebben gehad om (een deel van) het nieuwe plan te realiseren. En omdat sprake is naar hun visie van "schaarse rechten" had hen die kans niet bij voorbaat mogen worden ontnomen, gedwongen voortgezet collectief ondernemerschap via Windpark Zeewolde BV voldoet naar hun visie niet aan de eisen.

    De AG is nu aan zet, de vraag is of het RIP verdeling van schaarse rechten betekent en of de belanghebbenden een relevant belang hebben bij een beroep dat zij wilden "meedoen" en dus niet van maar één vergunninghouder bij voorbaat had mogen worden uitgegaan. Ook speelt een rol of het feit dat er een "breed gedragen" burgerinitiatief is; in feite maakt dat, dat er geen schaarse rechten zijn, want je kunt immers meedoen. Hier speelt ook de vraag of de initiatiefnemende "boeren, burgers en buitenlui" wel te vereenzelvigen zijn met uiteindelijk certificaathouders en contractspartijen en Windpark Zeewolde BV.

    Sanering door onteigening:

    Min of meer los van deze problematiek speelt de vraag op welke wijze uiteindelijk de weg bestemde windmolens zouden moeten gaan verdwijnen.

    Het lijkt erop dat de ondergrond van de "overbodige turbines" een agrarische bestemming krijgt en dat het terugbrengen van deze bestemming de grondslag voor onteigening zal moeten zijn. Feitelijk is het doel natuurlijk anders, de verwijdering van de turbines. Er zijn wat complicaties denkbaar, die een onteigening nog geen gelopen koers doen zijn. Zo is er in één rij van windmolens er één niet wegbestemd en die ene maakt wel gebruik van een infrastructuur, die gemeenschappelijk eigendom is. Vooral bij de windturbines buiten het plangebied loopt de onteigenende overheid aan tegen het verweer dat alleen binnen een plangebied kan worden onteigend. Een verweer van zelfrealisatie zou trouwens ook nog wel eens kansrijk kunnen zijn.

    Tot nog toe is Windpark Zeewolde BV kennelijk niet in staat of bereid geweest op basis van de beginselen van de Onteigeningswet besprekingen tot een minnelijke regeling aan te gaan. Kennelijk is vanaf september 2017 de Provincie ter zake aan zet, aldus een van de raadslieden op de zitting van 9 april jl. van de Raad van State.

    Omdat bij een onteigening volgens de Onteigeningswet en de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure (16 januari 2016) voorgeschreven wordt dat bij een onteigening documenten moeten worden overgelegd over de planuitvoering, waaronder een projectplanning, zal niet met een al te vage grondslag voor onteigening kunnen worden volstaan. De grondslag zal vermoedelijk moeten zijn "verwezenlijking van de agrarische bestemming". Wij zijn benieuwd hoe men dat gaat invullen.

    Kortom, de beroepsprocedure tegen het RIP en bijbehorende besluiten is de opmaat voor verdere juridische schermutselingen. Ondertussen blijft het gek dat om meer minder CO2-uitstoot door meer windenergie te bereiken, windturbines moeten worden gesloopt.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook