Header achtergrond
Header achtergrond

Steeds meer duidelijkheid over belastingheffing na 2018, nieuw kabinet licht tipje van de sluier op

16-10-2017

Het zekerstellen van inkomsten voor de groeiende collectieve sector heeft nog steeds prioriteit. Kosten voor klimaatbeheersing en zorgkosten blijken verder door te stijgen. De kiezer is niet bereid bezuinigingen, die hemzelf aangaan, te accepteren of milieuvervuiling voor lief te nemen. Er is brede consensus over nut en noodzaak van meer overheidsingrijpen en centrale sturing. Vooral in de zorg, innovatie en op het gebied van klimaat wordt van de overheid een actieve rol gevraagd.

Daarvoor heeft de overheid meer en meer geld en dus belastinginkomsten nodig. Want ook op andere terreinen, zoals onderwijs en defensie, wordt door lobbyisten, die handig de media bespelen, om "investeringen" gevraagd. De belastinginkomsten zullen dus gewaarborgd moeten zijn en verder moeten stijgen, het is niet anders. Tegenover de behoefte aan meer belastinginkomsten staat namelijk ook dat traditionele inkomstenbronnen voor de overheid, zoals verkoop van aardgas, accijnzen op brandstof, BPM en BTW op nieuwe auto’s opdrogen. Windenergie kost veel geld, want er zijn voorlopig nog aanzienlijke subsidies nodig, dus in plaats van dat accijnzen uit fossiele brandstoffen voor inkomsten zorgen, moet er subsidie worden betaald, dubbel nadeel dus. Ook de vergrijzing levert meer betalingsverplichtingen op door AOW en zorgkosten. Kortom de financierbaarheid van de overheidsuitgaven op langere termijn maakt dat er van echte lastenverlaging voor de burger geen sprake kan zijn.

Het nieuwe kabinet maakt tegen deze achtergrond keuzes, die voortvloeien uit plannen van een commissie voor een grote belastingherziening. Deze commissie Van Dijkhuizen zag in 2012 al de problemen aankomen en heeft lange termijnmaatregelen voorgesteld. Een grote belastingherziening was nodig, deze had door VVD en PvdA moeten worden doorgevoerd. Dit bleek door het grote verschil in inzicht niet haalbaar, men heeft dat doorgeschoven naar het nieuwe kabinet. Nu is duidelijk dat CDA, CU, D66 en VVD een nieuwe poging gaan wagen, kennelijk op basis van de bekende blauwdruk uit 2012. We leggen de maatregelen naast de meetlat van de bekende plannen en wat blijkt, het past in een breder en verdergaand perspectief.

De in het regeringsakkoord aangekondigde maatregelen zijn eerste stappen en zullen dan ook vermoedelijk worden gevolgd door veel meer en ingrijpender maatregelen binnen deze kabinetsperiode. In het kort komt het erop neer dat Nederland moet innoveren in verband met klimaatregels en tech-revolutie, men denkt daarin economisch een leidende rol te kunnen spelen en daarin past dat Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats moet zijn voor innovatieve (fin) tech-bedrijven. Dat zijn in de visie van VNO-NCW, zich commercieel opstellende (subsidie genietende) universiteiten en in de visie van Haagse politici vooral multinationals en grote bedrijven. Die zijn met hun lobby's nadrukkelijk gesprekspartner en in het kader van concurrentie tussen de lidstaten van de EU moeten zij worden verleid met lage Vennootschapsbelasting (VpB) tarieven om zich in Nederland "te vestigen". Daar staat wel een beperking van hun aftrekposten van de winst tegenover, vooral renteaftrek wordt beperkt.

Aan de kleinere ondernemingen wordt geen of een geringe rol toebedacht. Zij blijken niet goed te hebben gelobbyd, hun belastingdruk wordt aanzienlijk verhoogd. Dit is in lijn met de plannen uit 2012, de commissie vond dat fiscale aftrekposten van ondernemers geen (meetbaar) effect hadden op werkgelegenheid en innovatie, dus moeten ondernemers in het (M)KB gelijk worden behandeld in vergelijking tot ambtenaren en werknemers.

Tekenend is de plotselinge omslag in het beleid voor vrije beroepsbeoefenaren en vooral ZZP'ers. Vooral ZZP'ers zijn van innovatieve flexibele ondernemers verworden tot te bestrijden uitwas. Dat hangt samen met de groei van het aantal ZZP'ers, ruim een miljoen, die, naar het oordeel van de ambtenaren op het Ministerie van Financiën, te weinig belasting betalen. Het beleid om ZZP'ers te belemmeren heeft een nadrukkelijk fiscaal budgettaire oorzaak. De Zelfstandigen met personeel worden daarin meegezogen.

Dit alles maakt dat het niet verbaast dat in de inkomstenbelasting (IB) gekozen wordt voor "grondslagverbreding" met lagere tarieven. Dat betekent schrappen van aftrekposten en meer en eerder inkomsten belasten, waardoor over meer inkomen tegen lagere tarieven dezelfde opbrengst of meer staat. Ook wordt gekozen om via belastingheffing gedrag te beïnvloeden van grote groepen burgers, dus centrale sturing met alle uitvoerings- en vooral controlelasten voor de overheid van dien, meer kosten voordat er inkomsten zijn voor de overheid, de burger moet de rekening betalen. Milieuheffingen zullen toenemen en de BTW gaat structureel omhoog.

Omdat ondernemers, werknemers en ambtenaren worden gelijkgesteld, hebben ondernemers geen fiscaal voordeel meer in de vorm van ondernemersaftrek. Die aftrek was een beloning voor het risico dat ondernemers (in toenemende mate) lopen, doordat zij met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn. Zo moesten spaarders verleid worden tot ondernemen. Dat is voorbij, nu worden niet de ondernemers verleid, maar de spaarders belast, sparen wordt dus als het ware ontmoedigd. In die zin past het, dat vermogen, dat niet in een actieve onderneming wordt aangewend, als het ware als "overbodig" wordt aangemerkt en veel zwaarder zal worden belast. Dit alles treft vermogende ouderen, mensen met eigen woningen en weinig schuld, alsmede ondernemers in de eindfase van hun ondernemingsleven. Het is dus of overdragen aan een opvolger of anders (zwaar) belasten.

Het is wachten op verhoging van de erfbelasting en afschaffen of beperken van het lage bejaardentarief in de IB. Ouderen zullen premies volksverzekeringen gaan betalen, de vrijstelling daarvan is de oorzaak van het lage bejaardentarief. We geven wat voorbeelden.

Het beeld is dus dat grootbedrijf, lagere inkomensgenieters, jongeren, ambtenaren en werknemers enig voordeel hebben. Ouderen, ondernemers in het kleinbedrijf, middenstanders en mensen, die met eigen vermogen willen voorzien in hun oude dag, hebben nadeel. De ouderen met een behoorlijk inkomen of vermogen blijken bij nader berekenen niet al te best af te zijn. Door het verder uitstellen van de ingangsdatum AOW en het daarmee uitstellen van het lagere bejaarden IB-tarief (geen premies) is er niet alleen voor een AOW'er ca € 45.000 minder AOW beschikbaar, maar heeft deze AOW'er van zijn 65e tot zijn 70e straks ook nog eens ca € 25.000 meer IB betaald dan dat voorheen betaald werd. Dat scheelt dus nogal wat in vergelijking tot de met 65 jaar ingaande AOW en lagere tarieven.

Maatregelen, die ook passen in het "Van Dijkhuizen" kader, zij het hier en daar aarzelend ingevoerd nu ("... het wordt in 30 jaar afgebouwd dus men merkt er niets van …”, aldus premier Rutte), zijn afschaffing hypotheekrenteaftrek en "normaal" belasten van de eigen woning. Dat betekent eigen woning in box 3 met wat lagere tarieven wellicht voor de meesten en uiteraard aftrek van de schulden van de waarde van het te belasten bezit, maar niettemin heel wat anders dan aftrek tegen 52% van de hypotheekrente. Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat alle betaalde rente, dus ook die op consumptief krediet, aftrekbaar was tegen 72%, maar dat terzijde.

Naar verwachting zal na 2018 versneld het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek in box 1 worden doorgevoerd. Diegene, die nu een huis hebben met een WOZ waarde van € 500.000 en een hypothecaire lening van € 400.000, hadden in 2012 bij een rente van pakweg 4% een eigen woningforfait van € 3.500 en € 16.000 aftrek tegen 42% of 52%, dus belastingvoordeel € 5.250 of zelfs € 6.500. Bij het nieuwe systeem zal dat zijn 0,6% over € 500.000 en aftrek in de toekomst tegen pakweg 37%, dat zou dus bij 4% zomaar 5% minus € 500 of 15% minus € 500 kunnen schelen. Als de rente stijgt naar pakweg 4% dan is er dus nog maar € 4.810 voordeel, dat scheelt dus nogal. Gaat de woning naar box 3, dan is er geen aftrek van rente, dus voordeel € 0 en is er bovendien € 100.000 belast, dus € 50.000 per echtgenoot. Dat kan als er meer vermogen is met 1,41% of zelfs met 1,61% worden belast. In ons voorbeeld gaat men van aftrek naar € 1.410 tot € 1.610 betalen.

Natuurlijk is de rente erg laag op dit moment, de burger gaat het niet zo merken (daarin heeft premier Rutte gelijk), maar aan de andere kant geeft dat ook aan, dat het nu of nooit is om de beperking van de aftrek versneld door te voeren. Want algemeen wordt verwacht dat, wanneer de ECB het ruime kredietbeleid zal gaan afbouwen, de rente zal gaan stijgen. Wanneer en hoeveel, dat weet niemand, maar die 30 jaar van premier Rutte is boterzacht. Men gaat natuurlijk niet het risico lopen dat de aftrek moet worden beperkt als de bancaire rente 4% of hoger is, reken dus maar dat men deze termijn zeer sterk zal willen bekorten.

De toezegging dat de beperking van de renteaftrek wordt gecompenseerd door minder bijtelling (forfait wordt verlaagd van 0,75% naar 0,6 %) is voor de meeste woningen niet houdbaar op langere termijn. Immers, het argument voor afschaffing van de renteaftrek is dat het de overheid teveel geld kost. Het forfait leverde geld op, renteaftrek kostte geld. Als je dus volledig compenseert, zou er een negatief forfait moeten komen en dat gaat natuurlijk niet gebeuren. Deze toezegging is dus bij voorbaat niet houdbaar en zo zijn er wel meer van dit soort korte termijnbespiegelingen door de coalitiepartijen. Dat heeft vooral betrekking op het vertrekpunt dat je neemt om "voordeel" te constateren.

De coalitiepartijen laten buiten beschouwing, dat het vorige kabinet 18 miljard euro aan lastenverzwaringen heeft doorgevoerd, met als argument dat het tijdelijk zou zijn om de crisis te bezweren. 18 miljard meer per jaar extra lasten als gegeven beschouwen, levert al snel "voordeel" op als daar dan wat vanaf gaat. Zo wordt er vanuit die 18 miljard "plus positie" tientallen miljoenen "voordeel" geconstateerd. Als iemand € 100 euro leent, deze niet terugbetaalt, je dan € 5 euro geeft en dat als een "voordeel" presenteert, omdat hij ook "niets" had kunnen teruggeven, dan zullen weinigen daarin trappen, dat is echter wel wat er in essentie nu gebeurt.

Want de effecten van de tariefsverlagingen in de IB zijn beperkt, voor de meesten ca 4% tot ca € 68.000, dus maximaal ca € 2.700. Dat wordt met veel tamtam als groot voordeel gepresenteerd. Maar we zetten nog maar even wat maatregelen uit het recente verleden voor u op een rij. Geen aftrek van werkkosten meer, OZB stijgt, zorgpremie eigen risico omhoog, milieuheffingen, "groene belastingen", accijnsverhogingen en voor ondernemers: geen pensioen in eigen beheer opbouw, ondernemersaftrek afgeschaft, BTW-verhogingen, dus minder marge voor de middenstanders, DBA gezeur voor ZZP'ers en in de toekomst voor DGA's 85% van de omzet van de BV verplicht verlonen etc etc.

Gegeven de staat van de natie is het allemaal wel te begrijpen wat deze coalitie doet, we willen van alles en de rekening moet nu eenmaal betaald worden. De keuzes, die worden gemaakt, zijn vooral gebaseerd op pappen en nathouden van de eigen achterban en dat is te begrijpen.

Niettemin, de IB-ondernemers, DGA's, vermogenden en ouderen zijn kennelijk niet in staat gebleken op dezelfde wijze als politiemensen, onderwijzers en verpleegkundigen de media te bespelen. Want zij lijken toch het kind van de rekening te zijn. Voor ondernemers is dat extra zuur, ook is het schadelijk voor "echte" werkgelegenheid. Het verbaast ons niet dat er geen vaste arbeidscontracten meer worden gesloten, het vorige kabinet heeft met de Wet werk en zekerheid en het geduvel met de ZZP'ers, de ondernemers tegen zich in het harnas gejaagd, die problemen worden wel geadresseerd, maar niet opgelost. Hopelijk vinden de coalitiepartijen een weg om vertrouwen te herstellen. Dat zal met deze plannen niet gaan lukken, zo vrezen wij, er moet voor de (M)KB ondernemers een fors tandje bijgeschakeld worden.

Hoe dan ook, voorlopig lijkt er voor belastingadviseurs eerder meer dan minder werk aan te komen, want over één ding twijfelen wij sowieso niet, "makkelijker" gaat het niet worden.

Laatste nieuws

  • Verzwegen (buitenlands) vermogen, erfgenamen let op ... inkeren is noodzakelijk! Door Wijnkamp Keulers op 24-01-2020

    Vrijwillig aangeven van verzwegen inkomsten en box 3 vermogen is nog steeds de betere optie ten opzichte van onjuist aangifte (blijven) doen. Niet alleen omdat het doen van een onjuiste aangifte een misdrijf is, dat zich herhaalt bij iedere volgende onjuiste aangifte, maar ook omdat verzwegen vermogen anderen met problemen kan opzadelen. Zo kunnen erfgenamen en executeurs behoorlijk in de nesten raken en de relatie met banken, boekhouders, notaris en dergelijken kunnen flink en soms onherstelbaar worden belast, met alle gevolgen van dien. Het net sluit zich steeds verder, de informatie-uitwisseling tussen de belastingdiensten is inmiddels zo volwassen dat hopen de dans te ontspringen niet erg realistisch is. Plotseling opduikende bedragen in contanten leveren fikse problemen op, al was het maar omdat met stukken onderbouwd verklaard moet worden wat de herkomst van dat geld is, ook al is dit door rechtsvoorgangers in een zeer ver verleden vergaard. Let op, een erfenis moet u in de vorm van vermogen na verkrijging voor de IB opgeven in uw eigen aangifte. Vaak moet ook voor de overledene na diens overlijden een aangifte IB over het overlijdensjaar worden opgesteld. Geeft u vermogen niet op, onjuist op, dan bent u zelf strafbaar.

    Wordt u dus als erfgenaam of executeur met niet aangegeven vermogen geconfronteerd, ga dan niet zelf aan de gang, maar laat u door een advocaat-belastingadviseur bijstaan. Het laatste dat u moet willen, is zelf verantwoordelijk en aansprakelijk worden voor een onjuiste aangifte erfbelasting of inkomstenbelasting.

    Inkeerregeling, bestaat nog steeds maar wordt per 1 januari 2020 wederom beperkt

    Per 2018 was de vrijwillige regeling voor verzwegen buitenlands inkomen uit sparen en beleggen (box 3-inkomen) al afgeschaft, althans voor zover het betreft dat zonder boete werd nagevorderd. Voor overige inkomsten is de regeling blijven bestaan. Het gaat om vrijwillige verbeteringen, uiterlijk binnen twee jaar nadat opzettelijk of met aan opzet grenzende verwijtbaarheid een onjuiste aangifte is gedaan of aangifte had moeten worden gedaan. Er is een overgangsregeling, een belastingplichtige kan voor aangiften, die vóór 1 januari 2018 zijn ingediend, of ingediend hadden moeten worden, alsnog een beroep doen op de oude inkeerregeling.

    Vrijwillig houdt in dat de belastingplichtige alsnog aangeeft, voordat hij of zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid bekend was of bekend zou worden. Bij vrijwillige inkeer voor inkomen in box 3 sparen wordt nu wel een boete verschuldigd, echter door de vrijwilligheid zal er wel worden gematigd. Geen 300%, maar soms 50% of minder.

    Let op, als er geen sprake is van opzet of aan opzet of grove schuld gelijk te stellen ernstige verwijtbaarheid, dan is er geen boete verschuldigd. Het gaat niet alleen om opzet, maar ook om het willens en wetens de kans aanvaarden dat er te weinig belasting zal worden betaald.
    Aan overledenen kan in beginsel geen boete worden opgelegd. Uiteraard moet er wel belasting met rente worden betaald, de erfgenamen zijn daarvoor aansprakelijk. Frauderende erfgenamen worden wel beboet.

    Nieuwe wijzigingen per 1 januari 2020

    Naar aanleiding van de Panama Papers richt regering de zich niet alleen meer op buitenlandse bankrekeningen, maar ook op "ander" buitenlands inkomen, zoals uit aanmerkelijk belang of inkomens via "trust-achtige" vehikels. Het boetevrij inkeren zal worden uitgesloten voor buitenlands inkomen uit aanmerkelijk belang. Ook zal het onderscheid tussen inkomen uit sparen en beleggen, dat in het binnenland is opgekomen en inkomen uit sparen en beleggen, dat in het buitenland is opgekomen, worden weggenomen. Het wordt 'gebruikers' van verhullende constructies, die in de risicosfeer zitten, steeds lastiger gemaakt, niet in de laatste plaats omdat dienstverleners, zoals adviseurs en banken in het kader van anti-witwas regelgeving steeds voorzichtiger worden. Zondaars staan er dus niet zelden, alleen voor, althans hun toenmalige adviseurs zijn veel meer het probleem dan een oplossing.

    Medeplichtigen, medeplegers, aan de schandpaal

    Beroepsbeoefenaars aan wie boetes zijn opgelegd op grond van medeplegen worden bekendgemaakt. Het doel van deze maatregel is dat belastingplichtigen het kaf van het koren kunnen scheiden. Het gaat niet alleen om belastingadviseurs, maar ook dienstverleners, zoals notarissen, accountants en advocaten. Een beetje adviseur zal dus screenen en fraudeurs weren.

    Welke vragen krijgt u zoal, als u alsnog niet opgegeven vermogen en inkomen meldt

    Voor bankrekeningen komen volgende vragen aan de orde:

    Welke rekeningen, dus naast effectenrekeningen ook rekening courant, spaarrekeningen etc
    Wie heeft op welke datum de rekening geopend en wie hadden toegang tot de rekening
    Waar komt het geld op de rekening vandaan en op welke wijze is er gestort
    Alle opnamen en stortingen ook die in de 90'er jaren, wat hebt u met het geld gedaan
    Is er in de 90'er jaren en later aangegeven in Nederland.
    Als middelen uit erfenis afkomstig zijn en niet zijn aangegeven geldt een onbepaalde termijn

    Alles moet met stukken worden onderbouwd. De Hoge Raad heeft in 2018 beslist dat bewijslast in beginsel op erfgenamen overgaat.

    Tot slot, witwassen

    Naast de fiscale problematiek speelt ook nog witwas problematiek. Bij verzwijgen of maskeren, al was het maar als erfgenaam of executeur, kunt u tezamen met adviseurs, die u behulpzaam zijn, in de problemen komen. Zelfs het doen van een belastingaangifte kan witwassen opleveren, zelfs al zou de aangifte op zich juist zijn. Hoe dan ook, niet- of onjuist doen van aangifte is geen aan te raden keuze. Verzwijgen en blijven verhullen is meer dan ooit ... geen optie!

    Lees verder
  • BTW en ondernemers in het kleinbedrijf, makkelijker kunnen we het niet maken … Door Wijnkamp Keulers op 16-12-2019

    Het Ministerie van Financiën lijkt in te zetten op een kritischer benadering van het fiscale ondernemerschap. De stimulering van ondernemerschap door generieke fiscale faciliteiten wordt steeds meer vervangen door sturing via subsidies of fiscale kortingen voor nauwkeurig bepaalde activiteiten.

    Voor ondernemers is er sprake van sluipende lastenverzwaringen op tal van terreinen. Weliswaar is de IB druk aan het zakken en leidt dat tot voordeel voor de laagste en de hoogste inkomens, niettemin zijn de middengroepen en vooral de gepensioneerden en ondernemers in het kleinbedrijf degenen die hun inkomen en koopkracht niet zien stijgen. Dat komt vooral door sluipende lastenverhogingen, die op zichzelf bezien gering lijken, maar tezamen flink drukken.

    Fiscale transitie

    Een voorbeeld van dit beleid, het afschaffen van een faciliteit die voor alle ondernemers geldt en niet gedrag beïnvloedt, is het afschaffen van de KOR (klein ondernemersregeling) en het invoeren van een BTW-vrijstelling. De facto betekent dit voor sommige ondernemers € 1.345 meer BTW betalen. Dat is natuurlijk niet zoveel, niettemin voor kleine ondernemers/ZZP'ers met een laag inkomens telt het allemaal wel op.

    Achtergrond

    In het algemeen geldt dat BTW-ondernemerschap al gauw aan de orde is, ook al ben je geen ondernemer voor IB of VpB (vennootschapsbelasting). In beginsel ben je al ondernemer voor de BTW als je een goed exploiteert met het oogmerk daar duurzaam opbrengst uit te krijgen. Niet alle "ondernemers" krijgen echter met BTW aangifte- en afdrachtplicht te maken. Sommige prestaties zijn vrijgesteld, zoals de verhuur van onroerende zaken, waardoor veel van dit soort ondernemers feitelijk niet met de BTW te maken krijgen. Ze hoeven geen BTW in rekening te brengen, maar kunnen ook niet BTW terugvorderen. In veel gevallen is het aantrekkelijker "in de BTW te zitten", dan geen BTW-verplichtingen te hebben. Bij grote investeringen kan de in rekening gebrachte BTW worden afgetrokken en leiden tot BTW-teruggave van de fiscus, dat scheelt behoorlijk in de financiering.

    KOR (oud)

    Omdat de te betalen BTW het saldo is van terug te vorderen BTW, die in rekening gebracht is en te betalen BTW, die de ondernemer zelf in rekening brengt, kan met name bij weinig winst de per saldo te betalen BTW een laag bedrag zijn. Is per saldo minder dan € 1.345 (per jaar) te betalen, dan hoef je geen BTW af te dragen, bij minder dan € 1.843 was er een flinke korting. Wel BTW aftrek dus, niet betalen, dat was voor velen aantrekkelijk. De KOR wordt niettemin per 1 januari 2020 gewijzigd.

    Nieuwe kleine ondernemersregeling (KOR)

    Niet langer is er een korting op de verschuldigde omzetbelasting, maar er kan een vrijstelling voor de omzetbelasting worden aangevraagd, waardoor er niet langer een aangifte voor de omzetbelasting hoeft te worden gedaan. Voorwaarde om van deze vrijstelling gebruik te kunnen maken, is dat de omzet op jaarbasis niet hoger mag zijn dan € 20.000. Een dergelijk verzoek om vrijstelling geldt voor minimaal drie jaar.

    Niet zonder meer voordelig

    Deze vrijstelling heeft meer nadelen dan voordelen. Weliswaar hoeft er niet langer aangifte omzetbelasting te worden gedaan, de aan u in rekening gebrachte BTW kunt u niet meer terug claimen bij de Belastingdienst. Dat betekent dat producten inclusief BTW in uw voorraad terecht komen. U kunt de producten niet meer exclusief BTW leveren. Er is één bedrag, geen BTW, dus ook geen aftrekbare BTW voor de koper. Kleinere toeleveranciers worden dus duurder voor een BTW-ondernemer-inkoper, die moet vervolgens bij verkoop over de duurdere inkoop 21% in rekening brengen.

    Dat gaat natuurlijk niet werken, de BTW stapelt zich op, BTW over BTW dus. En dus een veel duurder product. De uiteindelijke afnemer, consument gaat dat niet betalen, althans kan goedkoper terecht en zal dat dus doen. Het resultaat laat zich raden, de vrijgestelde ondernemer zal hetzij in de BTW moeten blijven (zonder KOR), hetzij lagere verkoopprijzen aan zijn afnemers moeten dulden. Die zal dus wel in de BTW moeten blijven, resultaat, geen KOR meer, dus meer lasten.

    Voor verenigingen en stichtingen, die BTW-ondernemer waren, kan er wel een voordeel zijn, de administratieve last is minder. Niettemin, dit lijkt toch niet meer dan een fopspeen. De boekhouding zal ook zonder BTW-aangiften op orde moeten zijn en de administratieve lasten zijn door "poortwachtende banken" en andere toezichthouders al toegenomen, dus of het niet hoeven doen van BTW-aangifte nu zoveel voordeel oplevert, is maar de vraag. Bovendien was voor verenigingen en stichtingen de combinatie wel BTW aftrekken en geen BTW betalen door de KOR voordelig, dat voordeel is nu weg.

    Doen of niet?

    U moet zelf maar zien of het voordelig is om het verzoek te doen. Hebt u € 20.000 of minder omzet en schat u in dat dat 3 jaar zo blijft dan kunt u om vrijstelling verzoeken. Per 1 januari uit de BTW kan niet meer, nu is de eerste ingangsdatum in de meeste gevallen 1 april a.s.

    Lees verder
  • Wijzigingen in box 3 vanaf 2022 vooral gunstig voor spaarders, beleggers gaan meer betalen Door Wijnkamp Keulers op 16-10-2019

    De huidige box 3 belastingheffing is met de huidige rentestanden op spaarsaldi niet te handhaven, dat heeft inmiddels ook de hoogste belastingrechter aangegeven. Hoewel de minister van Financiën weigert generiek belastingverlagingen te overwegen en teveel geïnd belastinggeld ("meevallers") naar de burgers terug te sluizen, komt er nu toch enige beweging. Mondjesmaat en overduidelijk "met lange tanden" gaan spaarders worden ontzien. Beleggers en particuliere huizenverhuurders moeten de Staat compenseren, zo zijn de plannen. Niet meteen, er is een aantal jaren "kieskauwen" nodig om het allemaal te kunnen regelen. Men hoopt overduidelijk dat treuzelen en aankondigen dat het allemaal beter gaat worden de rechter terughoudend zal laten zijn de huidige box 3-regeling onverbindend te doen zijn. In 2022 moet het allemaal geregeld zijn.

    Spaarders, ruime vrijstelling

    Degenen, die sparen op de bank en niet (willen) beleggen, zullen geen belasting meer betalen over de eerste € 440.000. Weliswaar is er nog wel sprake van een vastgesteld inkomen van 0,09% bij de huidige lage rentestand, echter er is een belastingvrijstelling voorzien van € 400 per fiscaal partner, dus dat betekent dat voor beide partners tezamen ca € 880.000 buiten de heffing kan blijven. Daarmee is beter aangesloten bij het aanhoudend zeer lage en mogelijk toekomstig negatief rendement op spaargeld.

    Beter aansluiten bij mogelijk rendement

    Ook bij andere beleggingen wordt meer aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. In het wetsvoorstel wordt het vastgestelde (forfaitaire) rendement op de 'overige bezittingen' gesteld op 5,3% van de waarde. Het gaat om verschillende vermogensbestanddelen, zoals aandelen, obligaties, een tweede woning, een vakantiehuisje, beleggingspanden etc. Het werkelijke behaalde rendement op deze overige beleggingen doet niet ter zake, er wordt een vastgesteld gemiddelde in aanmerking genomen. Dit betekent dat beleggers, die hogere rendementen dan 5,3% denken te kunnen behalen, in box 3 nog steeds beter af zullen zijn. Degenen, die dat niet denken te zullen halen, moeten uitzien naar alternatieven.

    Het is duidelijk dat dit nieuwe voorgestelde systeem gedoe met zich mee zal brengen. Slimmerikken zullen proberen op 1 januari spaargeld te hebben en op 2 januari weer te gaan beleggen. Niettemin, omdat bij overige beleggingen leningen niet meer integraal in aftrek komen, zal moeten worden bezien of "omzetten" niet lastig zal zijn. Aandelenkoersdalingen tegen het einde van het jaar en kosten zullen de pret wel wat drukken. Er wordt gestudeerd op wetgeving om dit soort handelen te ontmoedigen, zo wordt gedacht aan een mix, die in aanmerking moet worden genomen en aan verschillende peildata, dat heeft uiteraard als nadeel dat er een heel controlesysteem moet worden opgezet. Niettemin, wellicht dat dit met data-analyse is op te lossen, we zullen zien.

    Beleggen met geleend geld

    Beleggingen in aandelen en vastgoed met geleend geld, bijvoorbeeld van de eigen BV, is met de huidige lage rente financieel gunstig. De rendementen zijn nogal eens hoger dan het thans geldende fictieve rendement. Beleggen met geleend geld wil de wetgever zwaarder gaan belasten en wellicht zelfs tegengaan. Dat is gek, want de ECB beoogt met onderhand negatieve rente, lenen te stimuleren. Zo wordt de belegger fraai in de bankschroef genomen, lage en negatieve rente door de ECB en toch belasting heffen door de Nederlandse Staat. Beleggingen met leningen moeten tegen een afzonderlijk forfaitair rendement in aanmerking worden genomen, zo is het plan.

    Niet meer aftrek van schulden, maar aftrek van (vastgestelde) kosten

    Het forfaitaire rendement zal zijn gebaseerd op de gemiddelde hypotheekrente van het voorgaande jaar en bedraagt 3,03%. De aftrek van schulden gaat dus tegen 3,03%, er is sprake van een beperking in de aftrek van schulden en een verhoging van het in aanmerking te nemen forfaitaire rendement. Voor ‘overige bezittingen’ bedraagt dit 5,33%. Waar dus in het huidige systeem bij een belegging van € 500.000 met geleend geld € 0 werd belast, wordt dit nu € 11.500 tegen 33%, dus € 3.795 te betalen IB.

    Formule:

    Box 3 belasting = (0,09% x spaarvermogen) + (5,33% x overige bezittingen) – (3,03% x schulden) x 33%

    Rekenen

    Alternatieven voor box 3 zijn inbrengen in een BV, een fonds voor gemene rekening of ondernemen in plaats van beleggen. Te verwachten valt dat voor deze uitwijk de eisen voor regelingen, die het ondernemen moeten stimuleren, worden aangescherpt. Zo is voor afschrijvingen van onroerende zaken in een BV al geen ruimte meer en zullen MKB-winstvrijstelling en bedrijfsopvolgingsregelingen wel aan zwaardere eisen worden onderworpen. De Staat wil heffen, vooral over vermogens die bij ouderen aanwezig zijn. Het uithollen van vermogens door de combinatie, inflatie en vermogensbelasting is met deze maatregelen noch doel noch het resultaat.

    Het is maar dat u het weet.

    Lees verder
  • Hoge Raad opent deur voor vrijstelling van box 3 heffing, maak bezwaar! Door Wijnkamp Keulers op 10-07-2019

    De Hoge Raad heeft op 14 juni 2019 beslist dat een belastingplichtige, die een buitensporig zware last ondervindt van box 3 (vermogensrendements) heffingen op spaargeld en beleggingen, met succes een beroep kan doen op de verdragsbescherming in het EVRM van eigendom. Dit kan betekenen dat de aanslag met box 3 heffing wordt vernietigd. Er moet wel worden aangetoond dat de belasting een "buitensporig zware last" is voor een belastingplichtige. Dat zal niet zo snel aan de orde zijn, niettemin gaat deze beoordeling verder dan alleen het in aanmerking nemen van de jaarlijkse inkomsten uit box 2 en box 1. Naar onze visie zouden diegenen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van opgespaard vermogen bij uitholling van het vermogen door belastingheffing wel eens een buitensporige last kunnen ondervinden. Daarbij speelt een rol dat box 3 niet een vermogensbelasting is, maar een vermogensrendementsheffing. Het loont de moeite om die discussie met de fiscus nog maar eens aan te gaan, dat kan in de vorm van bezwaar tegen de aanslag IB, ook al zou die volgens de eigen aangifte worden of zijn opgelegd. Ook diegene die in het collectief bezwaar zijn opgenomen moeten opletten, daar blijft ruimte voor een individuele beoordeling, vul indien nodig het bezwaar IB 2013 en 2014 aan op dit punt.

    Wet an sich kan niet worden getoetst door de Hoge Raad

    Hoewel de Hoge Raad (HR) de box 3 bepalingen in de wet IB om formele redenen niet terzijde kan stellen (de HR kan de wetgever niet corrigeren) en dus de procedures door de appellanten zijn verloren, is de boodschap van de HR onmiskenbaar. De toepassing van de wet op de belastingplichtige kan desgevraagd wel worden getoetst door de rechter.

    Rendement spaarrekening kan uitgangspunt zijn

    Van een belastingplichtige kan niet worden verlangd, dat hij risicovol belegt in aandelen e.d. op straffe van uitholling van zijn vermogen door de fiscus. Met andere woorden het argument van de minister dat iedereen gemakkelijk 4% rendement kan halen, mits je maar zo slim was en bent om met meer risico te lopen door in aandelen en dergelijke te beleggen, vindt geen steun bij de Hoge Raad. Spaargeld kan best de benchmark zijn en is wel degelijk het uitgangspunt bij de bepaling of de vastgestelde rendementen haalbaar zijn. Dat blijkt in 2013 en 2014 niet het geval geweest te zijn, aldus de HR.

    Veeg uit de pan

    Het oordeel van de HR is een veeg uit de pan voor de Tweede Kamer, Regering en vooral het Ministerie van Financiën. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad ondanks het afwijzen van het beroep toch zijn overwegingen kenbaar maakt. Dat is uitzonderlijk want in de meeste gevallen worden cassatieberoepen vrijwel ongemotiveerd afgewezen. Het oordeel van de Hoge Raad geeft aan dat de overheid de burgerrechten inzake bescherming van eigendom bij belasting heffen serieus moet gaan nemen. Belasting heffen op basis van ficties heeft zijn grenzen, als het op onteigening gaat lijken, is dat een brug te ver. Bij nader bestuderen van het arrest blijkt dat de Hoge Raad aldus de Belastingdienst een huiswerkopdracht meegeeft, die een fikse werklast voor de fiscus kan gaan opleveren.

    Pyrrusoverwinning fiscus

    De Hoge Raad zet dus, hoewel de procedures door de belastingplichtigen zijn verloren, in zijn motivering de deur wijd open voor iedere belastingplichtige om met kans op succes bezwaar te maken en zijn individuele positie ter beoordeling voor te leggen. Dat geldt dus ook voor de bezwaren, die nu lopen over 2013 en 2014, deze arresten (er waren zes proefprocedures in het kader van massaal bezwaar) betekenen dus niet "einde verhaal", ga dus niet akkoord met een afwijzing van de inspecteur op basis van deze arresten. De al gemaakte bezwaren zullen wel moeten worden aangevuld en ook nieuwe bezwaren zullen inhoudelijk goed gemotiveerd moeten zijn. Dat moet op basis van feiten en omstandigheden, die een belastingplichtige zelve aangaan. Het gaat er dus om dat ieder voor zich in zijn geval aantoont dat sprake is van een buitensporig zware last. De vraag is wat onder een "buitensporig zware last" moet worden verstaan, hoe dan ook is dat voor iedereen verschillend. Je zou denken dat dit bij vermogende, dus "rijke" mensen niet zo snel aan de orde is. De Hoge Raad lijkt aan de hand van de inkomsten uit andere bronnen in een bepaald jaar te willen beoordelen.

    Niettemin gaat het mogelijk toch verder dan de jaarlijkse inkomsten. Houd in de gaten dat box 3 geen vermogensbelasting is, maar een rendementsheffing, we belasten dus niet de bron van inkomen maar genormeerd rendement op vermogen. Waar in de Wet IB 1964 alleen inkomen uit vermogen werd belast wordt nu, wet IB 2001, vermogensrendement belast, dus inkomen en waardevermeerdering tezamen. Die tezamen worden op 4% van de waarde van het vermogen op 1 januari van het jaar bepaald.

    Vermogen met een doel, buitensporige last

    Als sprake is van vermogen met een doel, bijvoorbeeld pensioen of lijfrenteuitkeringen of om in levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld na het toegebracht zijn van letsel, dan zou de instandhouding van dit vermogen mede worden bepaald door sterftekansen, (reken)rente en eventuele kostenopslagen om van indexeringen nog maar te zwijgen. Er gloort dan een bekende discussie, …, juist ja ..., de discussie over werknemerspensioenen.

    Vermogensrendement
    Als rendement zou bestaan uit rente en vermogenswinst, dan is de vraag wat er moet gebeuren bij negatief rendement. Zou niet sprake kunnen zijn van een "buitensporig zware last" als het vermogen niet (meer) voldoende is, om het doel te kunnen vervullen waarvoor het vermogen in stand gehouden moet worden.

    Stel nu, dat iemand die geen of onvoldoende pensioen heeft en na zijn werkzaam leven zal moeten leven van zijn vermogen en pakweg 48 jaar is, en hij heeft € 500.000 gespaard o.i.d. Wat zou daar dan van over zijn als hij op 68-jarige leeftijd AOW krijgt. Alsdan zou de combinatie geen rente, inflatie en 1,34 % - 1,68% bij vermogens boven pakweg € 160.000 tot een uitholling leiden van ca 1% per jaar. Bij een vermogen van € 500.000 bedraagt de uitholling € 140.000 door het inmiddels progressieve tarief in box 3, dit alles bij ca 2% inflatie per jaar gedurende de 20 jaar.

    Om deze uitholling op te vangen moet dus 1% van € 500.000 dus € 5.000 extra worden gespaard van het netto-inkomen om de vermogensachteruitgang te stoppen. Let wel, voor die € 5.000 extra sparen moet eerst bruto-inkomen worden verdiend en voorts wordt de besparing ook nog weer extra belast in box 3. Dit alles zou bij een vermogen op 48-jarige leeftijd een cumulatieve "rekenrente" opleveren van 3,34% - 3,68% per jaar en wel het eerste jaar bij € 500.000 ca 3,5% ofwel € 17.500 van het netto- inkomen.

    Dit is maar een ruw rekenvoorbeeld, er zijn complexere denkbaar. Niettemin is duidelijk dat sparen met als doel het vormen of in standhouden van vermogen als appel voor de dorst erg duur is geworden. Het was al duidelijk dat het kapitaaldekking-stelsel van onze werknemerspensioenen achterhaald is, en daar is bovendien nog sprake van uitgestelde belastingheffing. Niet het vermogen (aanspraak) wordt belast, maar de uitkering en voorts is er beperkte heffing van VpB op de rendementen. In vergelijking tot particulier box 3-vermogen rendeert pensioenkapitaal nagenoeg bruto, terwijl bij particulier vermogen de rendementsgrondslag jaarlijks vermindert.

    Hoge Raad … buitensporige last kan betekenen dat box 3 heffing moet worden verminderd

    Als inflatie en box 3 vermogen uithollen, zoals nu al jaren het geval is, dan zou de instandhouding van vermogen met 0% rente na cumulatieve jaarlijkse belastingheffing en inflatie mede de benchmark moeten kunnen zijn voor "buitensporige last".

    Als de Hoge Raad dan ook nog zou meegaan met de afweging dat vermogensopbouw met een vergelijkbare systematiek als bij opbouw van pensioen en lijfrente, noodzakelijk is voor diegenen die niet via arbeid in dienstbetrekking via de werkgever pensioen kunnen opbouwen, dan zijn de rapen voor het Ministerie van Financiën gaar. Het gevaar voor de schatkist dreigt dat de pensioendiscussie en uitstel van AOW en lage bejaardentarieven in de IB, via de toets "buitensporig zware last" ertoe kunnen leiden dat vermogen met als doel "levensonderhoud" voor de oude dag pas kan worden belast als er een normaal noodzakelijk rendement is gehaald met inachtneming van sterftekansen, positie partner en rekenrente. Kortom het vermogen wordt dan tegenover behoefte (te vergelijken met de verplichting van een pensioenuitvoerder of lijfrenteverzekeraar) geplaatst.

    Daarmee zou het Ministerie van Financiën het eigen argument dat verlaging van AOW en uitstel van het bejaardentarief in de IB noodzakelijk is om de vergrijzing betaalbaar te houden als een boomerang terug zien komen.

    * Overigens kennen we nu al voor bepaalde vermogensbestanddelen lagere rendementsgrondslagen. Zo wordt voor regulier verpachte landbouwgrond slechts 50% (recent verhoogd naar 60%) van de waarde in onverpachte staat aangehouden als grondslag, dit omdat bij verpachting sprake is van onder rendement doordat maximale pacht op basis van normen met een wettelijke grondslag is vastgesteld. Deze regeling is in feite in strijd met doel en strekking van de wet IB 2001, omdat niet alleen naar de inkomsten moet worden gekeken maar ook naar de waardestijging van de (verpachte) grond. Anders dan bij vermogen dat liquide wordt gehouden is landbouwgrond sterk in waarde gestegen sinds 2001.

    Teleurstelling niet terecht

    In de media en vooral de kranten overheerst de teleurstelling over de uitkomst van de arresten van de Hoge Raad, dat lijkt mij niet terecht. Voor de creatieve fiscalist valt er bij de aangifte IB heel wat te winnen als het vinkje wordt aangekruist dat over box 3 een expliciet standpunt wordt gevraagd en/of er bezwaar wordt gemaakt en wordt gesteld dat de vermogensuitholling te veel lasten met zich meebrengt. Als de inspecteur negatief oordeelt of zich al te makkelijk vanaf maakt, dan zijn er kansen bij de rechter. Goed motiveren en goed duidelijk maken dat het in dit geval toch "echt" een buitensporige zware last oplevert, is nodig, weliswaar niet makkelijk, maar geenszins een kansloze exercitie. Kortom, wij verwachten veel discussie met de inspecteurs over box 3, dat worden dus flinke vertragingen voor de fiscus bij de aanslagregeling, die zal daar niet blij mee zijn.

    Tot slot

    Enig leedvermaak ten opzichte van het Ministerie van Financiën is niet te onderdrukken, boontje komt om zijn loontje. Slechte onrechtvaardige wetgeving leidt tot weerstand. Dit is het enige verzet dat ouderen, zelfstandigen en diegenen die moeten leven van vermogen kunnen bieden tegen te hoge belastingdruk. De tariefverandering, die onlangs door verandering in de wet IB tot stand is gebracht, was halfhartig en is onvoldoende. Ik heb geen medelijden met de forse werklast die voor de fiscus ontstaat, het Ministerie van Financiën had al lang met iets anders moeten komen.
    "Frappez … frappez" lijkt de enige mogelijkheid te zijn om Den Haag tot verandering van inzicht te brengen. Het is jammer dat het niet anders blijkt te kunnen, deze Hoge Raad uitspraken helpen niettemin.~~

    Lees verder
  • De fiscus aast op afbouwende boeren Door Wijnkamp Keulers op 06-06-2019

    De fiscus meent dat boeren, die structureel verlies lijden, geen ondernemer meer kunnen zijn. Het gevolg daarvan is verplicht staken van de onderneming, het vermogen overbrengen naar box 3 en afrekenen over stille reserves. Dat kan flinke belastingclaims tot gevolgen hebben. Vooral de FOR, stille reserves op woning en ondergrond en soms ook op gebouwen leveren fiscale risico's op.

    Het is de fiscus een doorn in het oog dat velen niet in box 3 belast kunnen worden voor vermogen, terwijl in box 1 of bij BV's er vaak geen winst of inkomen is dat belast kan worden. Het vizier van de fiscus is niet alleen gericht op boeren, maar bijvoorbeeld ook op beleggers die onder de ondernemersvlag opereren of hun beleggingen in een BV of fonds voor gemene rekening hebben ondergebracht.

    Voor boeren met een bedrijfswoning met ondergrond in eigendom en wat eigendomsland of pachtland dreigt een vervelende situatie. Want hoewel de pachtwetgeving een eigen beoordelingskader heeft met betrekking tot "bedrijfsmatig landbouwkundig gebruik" als eis voor de aanwezigheid van pacht, is een verplichte staking en overbrengen naar box 3 een gebeurtenis, die van invloed kan zijn en het einde van de pacht kan betekenen.

    De fiscus is in sommige gevallen wel erg voortvarend met het oordeel dat er geen onderneming meer is. Voor door de fiscus gestelde "box 3 beleggingen" in BV's was de rechter aanzienlijk minder voortvarend. Zolang de BV meer deed dan wat te doen gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer, had de BV nog een onderneming. Zicht op winst moet er wel enigszins zijn maar bleek op zichzelf niet van beslissende betekenis. Werkzaamheden, investeringen en enig zicht op rendement waren voldoende. Wat voor BV's in aanmerking is genomen, kan ook bij gewone ondernemers gelden. Ook daar is de grens dat zodra er meer is dan gewoon vermogensbeheer of alleen maar werkzaamheden zonder vermogen er al snel sprake is van een onderneming.

    Voor diegenen, die vooral land (onder)verpachten en eigenlijk weinig activiteiten meer ontplooien, is het niettemin oppassen geblazen. Enige eigen werkzaamheden, het hebben van nog wat eigen machines en andere activa, zoals enig eigen vee en eigen registratie helpt wel. Soms kan ook het naar voren halen van winst helpen. Kijk eens naar de FOR of wellicht kan het nemen van winst op een woning of ondergrond helpen. Verkoop van land onder voorbehoud van pacht kan ook helpen. De portee is, de fiscus wil inactieve ondernemers laten afrekenen en naar box 3 hebben, ook al om meer erf- en schenkbelasting te kunnen heffen. Wacht niet af tot het te laat is, blijf het voor.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook