Header achtergrond
Header achtergrond

Steeds meer duidelijkheid over belastingheffing na 2018, nieuw kabinet licht tipje van de sluier op

16-10-2017

Het zekerstellen van inkomsten voor de groeiende collectieve sector heeft nog steeds prioriteit. Kosten voor klimaatbeheersing en zorgkosten blijken verder door te stijgen. De kiezer is niet bereid bezuinigingen, die hemzelf aangaan, te accepteren of milieuvervuiling voor lief te nemen. Er is brede consensus over nut en noodzaak van meer overheidsingrijpen en centrale sturing. Vooral in de zorg, innovatie en op het gebied van klimaat wordt van de overheid een actieve rol gevraagd.

Daarvoor heeft de overheid meer en meer geld en dus belastinginkomsten nodig. Want ook op andere terreinen, zoals onderwijs en defensie, wordt door lobbyisten, die handig de media bespelen, om "investeringen" gevraagd. De belastinginkomsten zullen dus gewaarborgd moeten zijn en verder moeten stijgen, het is niet anders. Tegenover de behoefte aan meer belastinginkomsten staat namelijk ook dat traditionele inkomstenbronnen voor de overheid, zoals verkoop van aardgas, accijnzen op brandstof, BPM en BTW op nieuwe auto’s opdrogen. Windenergie kost veel geld, want er zijn voorlopig nog aanzienlijke subsidies nodig, dus in plaats van dat accijnzen uit fossiele brandstoffen voor inkomsten zorgen, moet er subsidie worden betaald, dubbel nadeel dus. Ook de vergrijzing levert meer betalingsverplichtingen op door AOW en zorgkosten. Kortom de financierbaarheid van de overheidsuitgaven op langere termijn maakt dat er van echte lastenverlaging voor de burger geen sprake kan zijn.

Het nieuwe kabinet maakt tegen deze achtergrond keuzes, die voortvloeien uit plannen van een commissie voor een grote belastingherziening. Deze commissie Van Dijkhuizen zag in 2012 al de problemen aankomen en heeft lange termijnmaatregelen voorgesteld. Een grote belastingherziening was nodig, deze had door VVD en PvdA moeten worden doorgevoerd. Dit bleek door het grote verschil in inzicht niet haalbaar, men heeft dat doorgeschoven naar het nieuwe kabinet. Nu is duidelijk dat CDA, CU, D66 en VVD een nieuwe poging gaan wagen, kennelijk op basis van de bekende blauwdruk uit 2012. We leggen de maatregelen naast de meetlat van de bekende plannen en wat blijkt, het past in een breder en verdergaand perspectief.

De in het regeringsakkoord aangekondigde maatregelen zijn eerste stappen en zullen dan ook vermoedelijk worden gevolgd door veel meer en ingrijpender maatregelen binnen deze kabinetsperiode. In het kort komt het erop neer dat Nederland moet innoveren in verband met klimaatregels en tech-revolutie, men denkt daarin economisch een leidende rol te kunnen spelen en daarin past dat Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats moet zijn voor innovatieve (fin) tech-bedrijven. Dat zijn in de visie van VNO-NCW, zich commercieel opstellende (subsidie genietende) universiteiten en in de visie van Haagse politici vooral multinationals en grote bedrijven. Die zijn met hun lobby's nadrukkelijk gesprekspartner en in het kader van concurrentie tussen de lidstaten van de EU moeten zij worden verleid met lage Vennootschapsbelasting (VpB) tarieven om zich in Nederland "te vestigen". Daar staat wel een beperking van hun aftrekposten van de winst tegenover, vooral renteaftrek wordt beperkt.

Aan de kleinere ondernemingen wordt geen of een geringe rol toebedacht. Zij blijken niet goed te hebben gelobbyd, hun belastingdruk wordt aanzienlijk verhoogd. Dit is in lijn met de plannen uit 2012, de commissie vond dat fiscale aftrekposten van ondernemers geen (meetbaar) effect hadden op werkgelegenheid en innovatie, dus moeten ondernemers in het (M)KB gelijk worden behandeld in vergelijking tot ambtenaren en werknemers.

Tekenend is de plotselinge omslag in het beleid voor vrije beroepsbeoefenaren en vooral ZZP'ers. Vooral ZZP'ers zijn van innovatieve flexibele ondernemers verworden tot te bestrijden uitwas. Dat hangt samen met de groei van het aantal ZZP'ers, ruim een miljoen, die, naar het oordeel van de ambtenaren op het Ministerie van Financiën, te weinig belasting betalen. Het beleid om ZZP'ers te belemmeren heeft een nadrukkelijk fiscaal budgettaire oorzaak. De Zelfstandigen met personeel worden daarin meegezogen.

Dit alles maakt dat het niet verbaast dat in de inkomstenbelasting (IB) gekozen wordt voor "grondslagverbreding" met lagere tarieven. Dat betekent schrappen van aftrekposten en meer en eerder inkomsten belasten, waardoor over meer inkomen tegen lagere tarieven dezelfde opbrengst of meer staat. Ook wordt gekozen om via belastingheffing gedrag te beïnvloeden van grote groepen burgers, dus centrale sturing met alle uitvoerings- en vooral controlelasten voor de overheid van dien, meer kosten voordat er inkomsten zijn voor de overheid, de burger moet de rekening betalen. Milieuheffingen zullen toenemen en de BTW gaat structureel omhoog.

Omdat ondernemers, werknemers en ambtenaren worden gelijkgesteld, hebben ondernemers geen fiscaal voordeel meer in de vorm van ondernemersaftrek. Die aftrek was een beloning voor het risico dat ondernemers (in toenemende mate) lopen, doordat zij met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn. Zo moesten spaarders verleid worden tot ondernemen. Dat is voorbij, nu worden niet de ondernemers verleid, maar de spaarders belast, sparen wordt dus als het ware ontmoedigd. In die zin past het, dat vermogen, dat niet in een actieve onderneming wordt aangewend, als het ware als "overbodig" wordt aangemerkt en veel zwaarder zal worden belast. Dit alles treft vermogende ouderen, mensen met eigen woningen en weinig schuld, alsmede ondernemers in de eindfase van hun ondernemingsleven. Het is dus of overdragen aan een opvolger of anders (zwaar) belasten.

Het is wachten op verhoging van de erfbelasting en afschaffen of beperken van het lage bejaardentarief in de IB. Ouderen zullen premies volksverzekeringen gaan betalen, de vrijstelling daarvan is de oorzaak van het lage bejaardentarief. We geven wat voorbeelden.

Het beeld is dus dat grootbedrijf, lagere inkomensgenieters, jongeren, ambtenaren en werknemers enig voordeel hebben. Ouderen, ondernemers in het kleinbedrijf, middenstanders en mensen, die met eigen vermogen willen voorzien in hun oude dag, hebben nadeel. De ouderen met een behoorlijk inkomen of vermogen blijken bij nader berekenen niet al te best af te zijn. Door het verder uitstellen van de ingangsdatum AOW en het daarmee uitstellen van het lagere bejaarden IB-tarief (geen premies) is er niet alleen voor een AOW'er ca € 45.000 minder AOW beschikbaar, maar heeft deze AOW'er van zijn 65e tot zijn 70e straks ook nog eens ca € 25.000 meer IB betaald dan dat voorheen betaald werd. Dat scheelt dus nogal wat in vergelijking tot de met 65 jaar ingaande AOW en lagere tarieven.

Maatregelen, die ook passen in het "Van Dijkhuizen" kader, zij het hier en daar aarzelend ingevoerd nu ("... het wordt in 30 jaar afgebouwd dus men merkt er niets van …”, aldus premier Rutte), zijn afschaffing hypotheekrenteaftrek en "normaal" belasten van de eigen woning. Dat betekent eigen woning in box 3 met wat lagere tarieven wellicht voor de meesten en uiteraard aftrek van de schulden van de waarde van het te belasten bezit, maar niettemin heel wat anders dan aftrek tegen 52% van de hypotheekrente. Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat alle betaalde rente, dus ook die op consumptief krediet, aftrekbaar was tegen 72%, maar dat terzijde.

Naar verwachting zal na 2018 versneld het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek in box 1 worden doorgevoerd. Diegene, die nu een huis hebben met een WOZ waarde van € 500.000 en een hypothecaire lening van € 400.000, hadden in 2012 bij een rente van pakweg 4% een eigen woningforfait van € 3.500 en € 16.000 aftrek tegen 42% of 52%, dus belastingvoordeel € 5.250 of zelfs € 6.500. Bij het nieuwe systeem zal dat zijn 0,6% over € 500.000 en aftrek in de toekomst tegen pakweg 37%, dat zou dus bij 4% zomaar 5% minus € 500 of 15% minus € 500 kunnen schelen. Als de rente stijgt naar pakweg 4% dan is er dus nog maar € 4.810 voordeel, dat scheelt dus nogal. Gaat de woning naar box 3, dan is er geen aftrek van rente, dus voordeel € 0 en is er bovendien € 100.000 belast, dus € 50.000 per echtgenoot. Dat kan als er meer vermogen is met 1,41% of zelfs met 1,61% worden belast. In ons voorbeeld gaat men van aftrek naar € 1.410 tot € 1.610 betalen.

Natuurlijk is de rente erg laag op dit moment, de burger gaat het niet zo merken (daarin heeft premier Rutte gelijk), maar aan de andere kant geeft dat ook aan, dat het nu of nooit is om de beperking van de aftrek versneld door te voeren. Want algemeen wordt verwacht dat, wanneer de ECB het ruime kredietbeleid zal gaan afbouwen, de rente zal gaan stijgen. Wanneer en hoeveel, dat weet niemand, maar die 30 jaar van premier Rutte is boterzacht. Men gaat natuurlijk niet het risico lopen dat de aftrek moet worden beperkt als de bancaire rente 4% of hoger is, reken dus maar dat men deze termijn zeer sterk zal willen bekorten.

De toezegging dat de beperking van de renteaftrek wordt gecompenseerd door minder bijtelling (forfait wordt verlaagd van 0,75% naar 0,6 %) is voor de meeste woningen niet houdbaar op langere termijn. Immers, het argument voor afschaffing van de renteaftrek is dat het de overheid teveel geld kost. Het forfait leverde geld op, renteaftrek kostte geld. Als je dus volledig compenseert, zou er een negatief forfait moeten komen en dat gaat natuurlijk niet gebeuren. Deze toezegging is dus bij voorbaat niet houdbaar en zo zijn er wel meer van dit soort korte termijnbespiegelingen door de coalitiepartijen. Dat heeft vooral betrekking op het vertrekpunt dat je neemt om "voordeel" te constateren.

De coalitiepartijen laten buiten beschouwing, dat het vorige kabinet 18 miljard euro aan lastenverzwaringen heeft doorgevoerd, met als argument dat het tijdelijk zou zijn om de crisis te bezweren. 18 miljard meer per jaar extra lasten als gegeven beschouwen, levert al snel "voordeel" op als daar dan wat vanaf gaat. Zo wordt er vanuit die 18 miljard "plus positie" tientallen miljoenen "voordeel" geconstateerd. Als iemand € 100 euro leent, deze niet terugbetaalt, je dan € 5 euro geeft en dat als een "voordeel" presenteert, omdat hij ook "niets" had kunnen teruggeven, dan zullen weinigen daarin trappen, dat is echter wel wat er in essentie nu gebeurt.

Want de effecten van de tariefsverlagingen in de IB zijn beperkt, voor de meesten ca 4% tot ca € 68.000, dus maximaal ca € 2.700. Dat wordt met veel tamtam als groot voordeel gepresenteerd. Maar we zetten nog maar even wat maatregelen uit het recente verleden voor u op een rij. Geen aftrek van werkkosten meer, OZB stijgt, zorgpremie eigen risico omhoog, milieuheffingen, "groene belastingen", accijnsverhogingen en voor ondernemers: geen pensioen in eigen beheer opbouw, ondernemersaftrek afgeschaft, BTW-verhogingen, dus minder marge voor de middenstanders, DBA gezeur voor ZZP'ers en in de toekomst voor DGA's 85% van de omzet van de BV verplicht verlonen etc etc.

Gegeven de staat van de natie is het allemaal wel te begrijpen wat deze coalitie doet, we willen van alles en de rekening moet nu eenmaal betaald worden. De keuzes, die worden gemaakt, zijn vooral gebaseerd op pappen en nathouden van de eigen achterban en dat is te begrijpen.

Niettemin, de IB-ondernemers, DGA's, vermogenden en ouderen zijn kennelijk niet in staat gebleken op dezelfde wijze als politiemensen, onderwijzers en verpleegkundigen de media te bespelen. Want zij lijken toch het kind van de rekening te zijn. Voor ondernemers is dat extra zuur, ook is het schadelijk voor "echte" werkgelegenheid. Het verbaast ons niet dat er geen vaste arbeidscontracten meer worden gesloten, het vorige kabinet heeft met de Wet werk en zekerheid en het geduvel met de ZZP'ers, de ondernemers tegen zich in het harnas gejaagd, die problemen worden wel geadresseerd, maar niet opgelost. Hopelijk vinden de coalitiepartijen een weg om vertrouwen te herstellen. Dat zal met deze plannen niet gaan lukken, zo vrezen wij, er moet voor de (M)KB ondernemers een fors tandje bijgeschakeld worden.

Hoe dan ook, voorlopig lijkt er voor belastingadviseurs eerder meer dan minder werk aan te komen, want over één ding twijfelen wij sowieso niet, "makkelijker" gaat het niet worden.

Laatste nieuws

  • Pacht in beweging, box 3 onder spanning: wat betekent dit voor de particuliere verpachter van landbouwgrond? Door Wijnkamp Keulers op 24-12-2025

    De regelgeving rondom pacht staat op een kruispunt, niet alleen door voorgestelde nieuwe pachtwetgeving, ook de wet IB en vooral de nieuwe box 3 wetgeving geven zorgen over nettorendement. Lage rendementen door fiscale afroming betekent uiteindelijk ook meer lasten voor de pachter. Er ligt en consultatie-wetsvoorstel voor een ingrijpende herziening van titel 7.5 BW (pacht), met nieuwe pachtvormen en een andere balans tussen bescherming en contractsvrijheid. Daarnaast is box 3 de afgelopen jaren veranderd in een "tijdelijk" stelsel met hoge forfaits én sinds 2025/2026 een tegenbewijsroute, waarbij het werkelijk rendement (inclusief waardeveranderingen/"vermogensaanwas") bepalend kan worden als dat lager uitpakt dan de ca 6% forfaitaire rendementen. Van belang is vooral de waarde van de verpachte grond. Mag een DCF-waarde worden gehanteerd of moet de normwaarde in het economisch verkeer van de Belastingdienst worden gehanteerd? Bij de voorgestelde 24-jarige pacht speelt bovendien dat, net zoals bij erfpacht, de waarde voor de verpachter toeneemt naar mate de pachtermijn verloopt, een soort aangroei van de verpachte eigendom als het ware. Zowel het nieuwe pachtrecht als de wet IB inzake box 3 na 2028 zijn nog maar wetsvoorstellen. Niettemin is van 2024 tot 2026 een hogere forfaitaire belastingdruk door vermogensaanwasheffing al realiteit, alle reden is goed te kijken naar een andere waarde dan de normen van de belastingdienst. Belastingdienst

    Voor verpachters van landbouwgrond in box 3 is er een dubbele dynamiek: (i) de pachtvorm beïnvloedt de waarde "in verpachte staat" en (ii) box 3 belast (voorlopig) niet de feitelijke pachtopbrengst, maar een forfaitair rendement dat bij "overige bezittingen" structureel hoog is.

    Het probleem in één zin: lage pachtopbrengst, hoog forfait
    Landbouwgrond in box 3 valt doorgaans onder "beleggingen en andere bezittingen / overige bezittingen". De forfaitaire rendementspercentages voor deze categorie zijn hoog:
    • 2024: 6,04%
    • 2025: 5,88%
    • 2026: 6,00%
    Het box-3-tarief is 36% (o.a. 2026). Dat betekent grofweg een effectieve heffing van circa 2,16% van de box-3-grondslag (6,00% × 36%) per jaar in 2026. Bij € 1.000.000 box-3-waarde is dat ongeveer € 21.600 belasting, nog los van heffingsvrij vermogen en de totale vermogensmix.

    Voor veel reguliere pachtsituaties ligt het netto "cashrendement" (pacht minus lasten) daar duidelijk onder. Vandaar de box-3-frustratie, die in vakliteratuur de afgelopen tijd breed wordt gesignaleerd, óók specifiek voor landbouwgrond.

    Waardering van verpachte gronden: normering als hulpmiddel, feiten blijven leidend
    De Belastingdienst publiceert jaarlijks een handleiding "Waardering van verpachte gronden in box 3" met normen en uitgangspunten (o.a. voor grasland/akkerland) en tabellen om praktisch te rekenen. Belangrijk is de nuance, die vaak wordt gemist: die normering is bedoeld als praktisch hulpmiddel, maar als u het niet eens bent met de uitkomst, stelt de Belastingdienst de waarde vast op basis van werkelijke feiten en omstandigheden.

    Die "waardering in verpachte staat" wordt in de praktijk sterk beïnvloed door:
    • looptijd en beëindigingszekerheid;
    • mate van pachtbescherming/continuatie;
    • (on)mogelijkheid van vrije prijsvorming;
    • contractuele bepalingen over gebruik, onderhoud, duurzaamheidseisen, etc.

    Juist dáár raakt de voorgenomen pachtherziening box 3: andere rechten en termijnen kunnen tot andere marktwaardes (en dus box-3-grondslagen) leiden.

    Tegenbewijsregeling: werkelijk rendement = inkomsten + waardeverandering ("vermogensaanwas")
    Sinds de tegenbewijsroute geldt in de kern: als uw werkelijk rendement lager is dan het forfait, dan mag (en moet) het lagere werkelijk rendement worden gevolgd.
    De Belastingdienst definieert werkelijk rendement expliciet als:
    • alle inkomsten uit vermogen (bij landbouwgrond: vooral pacht), én
    • alle waardeveranderingen van bezittingen in het kalenderjaar (waardestijging of daling).

    Dat tweede onderdeel is cruciaal: dit is precies de "vermogensaanwas-component". Een waardestijging van grond in een jaar telt dus mee in het werkelijk rendement, net als een waardedaling.

    Daar zitten nog twee praktische "haken en ogen" aan:
    - De Belastingdienst rekent het werkelijk rendement over het totale box-3-vermogen (winsten en verliezen worden binnen het jaar gesaldeerd).
    - U gaat nooit meer belasting betalen dan onder het forfait is berekend: tegenbewijs werkt alleen neerwaarts.

    Voor verpachters betekent dit: de tegenbewijsroute helpt vooral in jaren waarin (i) de pachtopbrengst laag is én (ii) de waardestijging van grond beperkt is (of er zelfs waardedaling is), én (iii) de rest van het box-3-vermogen het totaal niet omhoog trekt.

    De pachtwet in consultatie: wat verandert er civielrechtelijk?
    De consultatie-MvT schetst een integrale herziening met een nieuwe "hoofdstructuur" aan pachtvormen.

    Kernpunten, die voor de waardering (en dus box 3) relevant zijn:
    Standaardpacht
    • looptijd minimaal 24 jaar (los land én opstallen)
    • geen verlenging van rechtswege / geen continuatierecht
    • vrije aanvangsprijs; wel jaarlijkse indexatie via een veranderpercentage (AMvB)

    Kortlopende pacht (vervangt geliberaliseerde pacht)
    • maximaal 12 jaar
    • beoogt kortlopende contracten te ontmoedigen en koppelt een (progressief) pachtprijsstelsel aan pachtnormen

    Continuatiepacht
    • blijft mogelijk als "aangepaste voortzetting" van huidige reguliere pacht; met continuatie
    en andere rechten, maar met vrije marktprijs i.p.v. pachtnormen

    Teeltpacht
    • blijft: 1–2 jaar, geen ontleende rechten, registratie bij grondkamer; vrije prijs

    Natuurpacht
    • minimaal 6 jaar; (in de MvT) koppeling met pachtnormen als hoogst toelaatbare prijs

    Overgangsrecht
    • lopende reguliere pachtovereenkomsten blijven grotendeels bestaan (o.a. continuatie/indeplaatsstelling; pachtprijs blijft begrensd)

    De fiscale "vertaling" voor box-3-verpachters: waar moet u op letten?
    Grondslag (waarde in verpachte staat) kan verschuiven
    Een stelsel met (i) een 24-jarige standaardpacht zonder continuatierecht en (ii) meer vrije prijsvorming zal in veel gevallen de marktwaardering anders maken dan bij klassieke reguliere pacht met sterke continuatie. Dat kan betekenen: minder "pachtdruk-korting" en dus een hogere box-3-waarde (afhankelijk van contract en markt).

    Pachtopbrengst kan stijgen, maar box 3 blijft (tot 2028) forfaitair
    Als de pachtprijs zich meer als marktprijs kan vormen, kan het cashrendement stijgen. Maar het forfait voor "overige bezittingen" blijft rond de 6% schommelen.

    Het risico is dus: hogere box-3-waarde én (nog steeds) hoog forfait, terwijl de feitelijke pachtprijs niet altijd mee-ademt met de 6%-systematiek.
    1. Tegenbewijs: vermogensaanwas is een tweesnijdend zwaard
    Bij landbouwgrond is juist de waardebeweging vaak substantieel. Door de definitie van werkelijk rendement (inkomsten + waardeverandering) kan waardestijging in een jaar het werkelijk rendement "op papier" omhoog trekken.
    Tegelijk: tegenbewijs werkt alleen neerwaarts (u betaalt nooit méér dan forfait).
    Praktisch betekent dat: u maakt de exercitie vooral als u verwacht dat uw totale werkelijk rendement lager is dan het forfait (bijvoorbeeld bij beperkte waardestijging en laag cashrendement).

    Vooruitblik 2028: van forfait naar werkelijk rendement (en hoe zit het met vermogensaanwas?)
    Het kabinet streeft naar invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028.
    In de advisering is een belangrijk onderscheid uitgewerkt voor onroerende zaken:
    • direct rendement (zoals huur/pacht of voordeel eigen gebruik) is jaarlijks belast;
    • indirect rendement (waardeontwikkeling) komt tot uitdrukking als vermogenswinst en wordt belast bij vervreemding.

    Dat is relevant voor landbouwgrond: een systeem dat waardeontwikkeling vooral bij verkoop belast, voelt in liquiditeitszin anders dan een jaarlijkse "aanwas"-benadering. Tegelijk vraagt het (zeker bij bedrijfsopvolging, ruilverkaveling, onteigeningsdossiers) om scherpere dossiervorming rond verkrijgingsprijs, verbeteringen en transactiemomenten.

    Samenvattend (en praktisch)
    • Hoge forfaits (rond 6%) maken verpachte landbouwgrond in box 3 structureel zwaar belast.
    • De tegenbewijsregeling rekent met inkomsten + waardeveranderingen: dat is de "vermogensaanwas"-component in het huidige tussensysteem.
    • De consultatie-pachtwet introduceert o.a. standaardpacht (24 jaar, vrije aanvangsprijs, geen continuatie) en herijkt kortlopende/continuatie- en bijzondere pachtvormen.
    • De box-3-waarde van grond kan daardoor (per contracttype) gaan schuiven; verwacht discussie over wat "verpachte staat" waard is onder de nieuwe regime-mix.
    • Vanaf 2028 is de inzet een werkelijk-rendementstelsel, waarbij bij onroerende zaken het indirecte rendement (waardeontwikkeling) als vermogenswinst bij verkoop wordt belast

    Tot slot
    De wetgeving is in beweging. Forfaitair rendement van pakweg 6% tegen 36% belast leidt tot vrijwel 100% belasten van de directe inkomsten, zijnde pacht als die tenminste op zo’n 2% van de WEVAB blijft. Dan blijft alleen de vermogenswinst over, die ook belast wordt. Dat lijkt toch op 100% belastingdruk. Wij zijn benieuwd of een dergelijke uitkomst de toets van artikel 1, artikel 8 en artikel 14 van EVRM kan doorstaan, Zouden we opnieuw naar onverbindendheid koersen of keert de wetgever ten halve?

    Lees verder
  • Gevolgen van schijnzelfstandigheid, bruto-loon is niet zonder meer gelijk aan loon SV, let op pensioenpremies en ten onrechte afgetrokken BTW Door Wijnkamp Keulers op 22-12-2025

    Door mr W.P. Keulers (belastingadviseur NOB tevens advocaat-belastingkundige)

    Inleiding
    Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2339), waarin het hof een billijk brutoloon van € 14,58 per uur vaststelde voor een relatie, die eerder als zzp-opdracht werd gefactureerd, heeft verstrekkende arbeidsrechtelijke en fiscale gevolgen voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Dit artikel vat de kerngevolgen samen, bespreekt de risico’s op btw-correcties en brutering van tarief en behandelt de mogelijkheid van een terugvorderings-claim door de werkgever.

    Feiten en rechtsgevolg kort
    Het hof kwalificeerde de arbeidsrelatie met terugwerkende kracht als arbeidsovereenkomst en stelde wegens het ontbreken van een overeengekomen loon een billijk brutoloon vast van € 14,58 per uur. Herkwalificatie werkt terug in de tijd en brengt met zich mee dat loonheffing, premies en eventueel pensioenpremies vanaf die datum verschuldigd zijn. Verdedigbaar is dat het brutoloon, de maatstaf van heffing voor LH en andere inhoudingen en werkgeverslasten, dit door het Hof vastgestelde loon is, zeker is dat echter niet. Al eerder heeft de belastingrechter een kwalificatie door de civiele rechter van "loon" niet gevolgd voor de loonheffing (LH).

    Fiscale risico’s bij herkwalificatie
    Btw-risico: Facturering met btw door een zzp'er gaat in geval van herkwalificatie ten onrechte uit van zelfstandig ondernemerschap. Als de prestatie in feite loon uit arbeid betreft, is geen btw verschuldigd en is de door de opdrachtgever afgetrokken voorbelasting onterecht. Dit kan leiden tot een btw-correctie en naheffingsaanslag voor de opdrachtgever, met rente en mogelijk boete.
    Brutering van tarief: Als factuurbedragen als netto-uitkeringen worden aangemerkt, kan de Belastingdienst eisen dat die nettobedragen worden omgezet naar een bruto-lonenmaatstaf (brutering). Dat betekent dat het gefactureerde uur-bedrag effectief verhoogd wordt met het benodigde bruteringselement om na inhoudingen het veronderstelde nettobedrag te bereiken, waardoor de opdrachtgever achteraf loonheffing en werkgeverspremies over een hoger bedrag moet afdragen.
    Premies werknemersverzekeringen en Zvw: Over het gebruteerde loon zijn premies werknemersverzekeringen (werkgever) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd, wat de totale last voor de opdrachtgever verder verhoogt.
    Pensioenverplichting: Indien op grond van toepasselijke cao of bedrijfstakregels pensioenplicht geldt, kunnen met terugwerkende kracht pensioenpremies verschuldigd zijn. Dit betreft zowel werkgevers- als werknemersdeel en kan substantieel zijn bij langere perioden.

    Vordering van de werkgever op (ex-)opdrachtnemer
    Het vorenstaande kan leiden tot een verschil tussen betaalde factuur en netto-loon met terugvorderings- en naheffingsrisico voor de opdrachtgever/werkgever.

    Als betalingen an sich onverschuldigd blijken te zijn, omdat zij meer bedragen dan het nettoloon dat op basis van de arbeidsovereenkomst had moeten worden genoten, bestaat een juridische grondslag voor een vordering op basis van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW).

    De werkgever moet aantonen dat het meerdere daadwerkelijk onverschuldigd was, dat er geen rechtsvermoeden, tegenprestatie of specifieke afspraak bestond, die het meerdere rechtvaardigt, en rekening houden met redelijkheid en billijkheid.

    De werknemer kan een beroep doen op vertrouwensbescherming of verrekening stellen, en de rechter kan terugvordering beperken op grond van redelijkheid. Verjaringstermijnen en bewijsproblemen spelen een rol.
    Voordat een werkgever tot vordering overgaat, is beoordeling van individuele betalingsafspraken, schriftelijke bewijsstukken en mogelijke cao/relevante pensioen- of vergoedingsafspraken noodzakelijk.

    Praktische aanbevelingen
    Documenteer en toets met terugwerkende kracht de aard van de relatie en gemaakte afspraken.
    Voer een fiscale en arbeidsrechtelijke risicoanalyse uit voor periodes die mogelijk geherkwalificeerd worden.
    Overweeg (tijdig) overleg met een fiscalist en arbeidsrecht-advocaat vóór het doen van terugvorderingsacties.
    Houd rekening met mogelijke btw-correcties en bereid je financieel voor op naheffingen inclusief rente en boetes.
    Controleer cao-toepassing en pensioenplicht; bereken provisies voor eventuele premietekorten.

    Conclusie
    Herkwalificatie met vaststelling van een billijk brutoloon, zoals in het hiervoor genoemde arrest, leidt direct tot fiscale en arbeidsrechtelijke consequenties: btw-correcties en naheffingen, risico op brutering van gefactureerde tarieven, afdrachten van premies en mogelijk terugvorderingsrechten van de werkgever. Zorgvuldige feitelijke en juridische analyse en tijdige professionalisering van afwikkeling en communicatie zijn essentieel om financiële verrassingen en langdurige procedures te beperken. Voor de accountant en belastingadviseur geldt dat bij het samenstellen van de jaarrekening de LH en afdrachtverplichtingen juist en volledig in het fiscaal resultaat moeten zijn verantwoord en op de balans moeten worden opgenomen, controle van de afdrachten bij (schijn)zelfstandigheid is dus vereist.

    Lees verder
  • Is de accountant, die de aangifte doet, de beste adviseur, omdat hij u kent? Door Wijnkamp Keulers op 16-12-2025

    De accountant of belastingadviseurs, die de jaarrekeningen samenstellen en de aangiften doen, kunnen vaak niet al te scherp voor u adviseren, omdat ze afspraken hebben met de Belastingdienst en met belangen van andere cliënten rekening moeten houden. Wij vinden dat belastingheffing gebaseerd moet zijn op de wet en uitvoeringsregelingen en niet alleen op standpunten, die de Belastingdienst inneemt. Wij vinden dat u meerdere keuzes moet hebben, binnen het kader van geldende regelgeving, dat spreekt voor zich. Daarom is het inwinnen van high end advies bij een onafhankelijke NOB-belastingadviseur of in geval van dreigende problemen bij een fiscaal advocaat beter dan bij een accountant of adviseur, die spelregels heeft afgesproken met de Belastingdienst. Dit zogenaamde horizontale toezicht (HT) belemmert nogal eens scherp adviseren, waardoor de individuele cliënt niet alle opties gepresenteerd krijgt. Aan u de keuze, daar staan wij voor, niet beperking van keuzes door Horizontaal Toezicht.

    Second opinion of onafhankelijke first voor DGA's, vermogenden en MKB-ondernemers - naast uw eigen accountant of boekhouder

    Werkt uw accountant, boekhouder of belastingadviseur onder horizontaal toezicht (HT)? Dat kan uitstekend passen bij reguliere aangiften. Maar zodra er iets bijzonders speelt, is een extra stap vaak de beste investering: eerst onafhankelijk advies, daarna pas de aangifte.

    Waarom?
    Horizontaal toezicht is sterk in proces, voorspelbaarheid en afstemming. Bij complexe keuzes - waar positie, timing en dossieropbouw bepalend zijn - kan een HT-omgeving minder ruimte geven voor scherpere advisering. Niet omdat de HT-adviseur niet deskundig zou kunnen zijn, maar omdat het systeem is ingericht op rust en beheersing. De Belastingdienst heeft er alle belang bij dat hun standpunten op controversiële gebieden worden gevolgd. Vooral bij box 3 en het forfaitair rendement is gebleken dat Belastingdienst en zelfs wetgever te ver kunnen gaan en teveel belasting heffen. De accountant en adviseur, die convenanten (HT) hebben gesloten met de Belastingdienst, waarin zij voor minimaal vijf jaar vastzitten aan de belofte om niet zonder melding scherp te adviseren, vertonen in het belang van de kantoor-rust en belang bij andere cliënten nogal risicomijdend gedrag. Wilt u high end alternatieve keuzes, die verdedigbaar zijn binnen de kaders van de wet en met risicovermelding, dan is het beter om de strategie en vastlegging eerst onafhankelijk te laten uitwerken door een adviseur, die niet gebonden is aan afspraken met de Belastingdienst. De eigen accountant kan de aangifte doen op basis van vaststaande feiten, die wij in hoedanigheid van uw adviseur, tot stand hebben gebracht. De accountant voert uit wat een andere NOB of NOVA-adviseur binnen dezelfde beroepsregels heeft opgesteld. Hij draagt daar dus geen beroepsverantwoordelijkheid voor. Is de aangifte zonder vooraf overleg door de accountant niet mogelijk (komt niet veel voor), dan kunnen wij onder onze BECON-regeling de vereiste aangifte doen onder NOB-beroepsregels.

    Voor wie en wanneer?
    Wij worden meestal ingeschakeld door DGA's, vermogenden en MKB-ondernemers bij dossiers met materiële belangen, eenmalige transacties of verhoogd risico, zoals:
    - Vermogensplanning en overdracht aan kinderen (schenken-erven, bedrijfsopvolging)
    - Aan- en verkoop van aandelen (SPA, earn-out, managementparticipatie)
    - Herstructureringen (inbreng, splitsing, fusie, activa/passiva)
    - Box-keuzes en heretikettering: box 3 <-> box 2/Vpb <-> box 1
    - Gebruikelijk loon en samenwerkingsstructuren (o.a. stille maatschap)
    - ZZP-kwalificatie en risico's voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer
    - Bij tegengestelde belangen tussen een of meerdere vennoten en de Vof
    - Bij echtscheidingen voor één van de echtelieden
    - Bij high end juridisch fiscale aangelegenheden, zoals onteigening of omgevingsrecht issues
    - Tegenrapportages op rapporten van rechtsbankdeskundigen.

    Onze aanpak
    Praktisch en uitvoerbaar in de aangiftepraktijk:
    1. Onafhankelijke analyse en positionering
    Routes, randvoorwaarden, risico's en bewijspositie. Wat moet er feitelijk kloppen vóór datum X, en welke stukken/vastlegging zijn nodig (incl. waardering waar relevant).
    2. U maakt een expliciete keuze
    Rust en zekerheid versus meer fiscale optimalisatie met beheerst risico.
    3. Uw eigen adviseur verwerkt dit in de aangifte
    Efficiënt, consistent en op basis van een helder dossier - HT of niet. Back up capaciteit voor het doen van een niet-HT- aangifte.

    Wat levert het op?
    Helderheid voordat keuzes vastklikken in de aangifte
    Een concreet dossier- en stappenplan dat uitvoerbaar is in de praktijk
    Minder kans dat uw HT-adviseur in een knelpositie komt
    Meer grip op risico's, timing en uitkomst
    Check op een optimale belastingdruk, conform wet en andere regelgeving, maar niet teveel.

    Wij leveren second opinions en positioneringsadvies vanuit NOB- en NOVA-discipline. Speelt er in 2025/2026 iets bijzonders? Neem contact op voor een korte intake.

    Lees verder
  • Belastingrente bij te hoge VA (voorlopige aanslag) inkomstenbelasting (IB) 2017–2024: vraag om herziening van de VA binnen de bezwaartermijn van de (definitieve) aanslag IB met code … H.06. Door Wijnkamp Keulers op 22-10-2025

    Door mr W.P. Keulers, belastingadviseur NOB en advocaat-belastingkundige

    Inleiding
    Belastingrente is een vergoeding, die de Belastingdienst rekent wanneer een aanslag niet tijdig wordt vastgesteld of afwijkt van de aangifte. Dit speelt onder andere bij voorlopige aanslagen inkomstenbelasting (VA IB). Als achteraf blijkt dat de VA, na indienen van de aangifte, te hoog was, kan dit leiden tot onterechte belastingrente. Dit wordt niet verrekend met de over dat jaar definitieve aanslag IB. Om de onterechte belastingrente terug te krijgen, moet een apart verzoek tot herziening van de betreffende VA worden gedaan. Let op de termijn, als de definitieve aanslag IB (H.06) is opgelegd, dan moet binnen 6 weken na dagtekening van die aanslag verzoek om herziening zijn gedaan. Als ook de definitieve aanslag te hoog is, bijvoorbeeld omdat op basis van OWR-opgave er toch weer een te hoog rendement volgt, moet natuurlijk ook tegen de definitieve aanslag bezwaar worden gemaakt. Bij twijfel geldt, altijd bezwaar maken … tegen de H.06 bij twijfel over box 3. De fiscus heeft één keer ondanks toezeggingen niet-bezwaarmakers in de kou gezet, laat dat niet nog een keer gebeuren.

    Relevante jaren en rentepercentages
    Jaar Belastingrente IB
    2017 4%
    2018 4%
    2019 4%
    2020 4%
    2021 4%
    2022 4%
    2023 6% (vanaf 1 juli)
    2024 7,5%

    Juridisch kader
    - Artikel 9.5 Wet IB 2001: Geeft de bevoegdheid tot het opleggen van voorlopige aanslagen en regelt het verzoek tot herziening.
    - Artikel 30f t/m 30k AWR: Regelt de belastingrente, waaronder het moment van aanvang, duur en berekening.

    Herziening bij lagere H.06
    Een H.06-beschikking is een definitieve aanslag inkomstenbelasting. Als deze lager uitvalt dan de eerder opgelegde VA, kan dit aanleiding zijn om herziening van de VA te verzoeken. Dit is van belang om onterechte belastingrente te voorkomen.

    Termijn zes weken
    Op grond van artikel 9.5 lid 5 Wet IB 2001 moet het verzoek tot herziening van de VA worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van de H.06. Deze termijn is strikt: een te laat verzoek wordt afgewezen. Het verzoek kan leiden tot vermindering van belastingrente, mits de VA aantoonbaar te hoog was.

    Praktische aandachtspunten
    - Controleer bij ontvangst van een H.06 direct of deze lager is dan de VA.
    - Noteer de dagtekening van de H.06 en dien binnen zes weken een verzoek tot herziening in.
    - Vermeld expliciet dat het verzoek ook ziet op vermindering van belastingrente.
    - Gebruik de wettelijke grondslagen (art. 9.5 Wet IB 2001 en art. 30f–30k AWR) in je verzoek.

    Rente sowieso te hoog, maak bezwaar
    De rente, die de fiscus in rekening brengt, is naar ons oordeel te hoog, de overheid verdient erop en dat is niet de bedoeling. Een lagere rechter heeft al geoordeeld, dat omdat de belastingschulden pas veel later in rechte vaststaan, de handelsrente een veel te hoge maatstaf is. Vooral bij de VpB (10%), maar ook voor de IB (7,5%) is de rente te hoog, zo rond de 3% is nog te verdedigen. Het Ministerie van Financiën blijft volharden om het maximale eruit te persen, daarbij wordt de burger steeds meer in het harnas gejaagd tegen de fiscus, gevolg toenemende kosten en werk om de belastingen geïnd te krijgen.

    Voor belastingrente op definitieve aanslagen VpB vanaf 2022 is een massaal bezwaarprocedure ingesteld. Dit betekent dat individuele bezwaren worden aangehouden totdat de Hoge Raad uitspraak doet. Dit geldt niet voor voorlopige aanslagen, maar wel voor definitieve aanslagen waarbij belastingrente is berekend. Maak hoe dan ook bezwaar, ongeacht welke toezeggingen er worden gedaan, anders zit u ernaast.

    Lees verder
  • Box 3: Opgave Werkelijk Behaald rendement; loont het? Door Wijnkamp Keulers op 20-10-2025

    Box 3: Opgave Werkelijk Behaald rendement; loont het?

    Naast de zogenaamde forfaitaire rendement, dat is het door de wetgever vastgestelde rendement met een vrijstelling per belastingplichtige dus per fiscale partner, kan box 3 ook worden geheven op basis van het werkelijk behaalde rendement, zonder vrijstellingen. Er zijn wel voorwaarden, inmiddels hebben velen een brief van de Belastingdienst ontvangen met de vraag om desgewenst een opgave via OWR formulier in te vullen.

    Met deze Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR) kunt u per belastingjaar laten berekenen wat u werkelijk hebt verdiend met sparen en beleggen. De Belastingdienst vergelijkt die uitkomst automatisch met het forfaitair rendement en neemt altijd de voor u gunstigste uitkomst. Belangrijk: bij werkelijk rendement geldt geen heffingsvrij vermogen, en een negatief totaalrendement wordt op € 0 gezet (verlies is niet overdraagbaar naar andere jaren). Hieronder vindt u de actuele forfaitpercentages en het heffingsvrije vermogen per jaar, plus een korte keuzehulp.

    Forfaitaire percentages en heffingsvrij vermogen
    De forfaitaire percentages volgen de Overbruggingswet box 3. Het heffingsvrij vermogen geldt niet bij OWR.
    Jaar Tarief box 3 Bank/spaar % Overige bezittingen % Schulden %
    2020 30% - - -
    2021 31% - - -
    2022 31% 0,00% 5,53% 2,28%
    2023 32% 0,92% 6,17% 2,46%
    2024 36% 1,44% 6,04% 2,61%
    2025 36% 1,44%* 5,88% 2,62%*
    2026 (voorgesteld) 36% n.n.b. 7,78%† n.n.b.

  • Voor 2025 worden het bank- en schuldenpercentage na afloop van het jaar nog definitief vastgesteld, 2026 zijn verwachtingen, wetgeving volgt nog.

Heffingsvrij vermogen per persoon
Jaar Zonder partner Met fiscale partner
2020 € 30.846 € 61.692
2021 € 50.000 € 100.000
2022 € 50.650 € 101.300
2023 € 57.000 € 114.000
2024 € 57.000 € 114.000
2025 € 57.684 € 115.368
2026 (voorgesteld) € 51.396 € 102.792 Onder voorbehoud van wijziging wetgeving

Let op: het heffingsvrij vermogen geldt niet als u kiest voor OWR; daar wordt het werkelijk rendement over uw totale vermogen bepaald.

Wanneer is OWR waarschijnlijk voordelig?
• Slechte beursjaren met (tijdelijke) koersdalingen: totaalrendement (opbrengsten + waardemutaties − kosten) lager dan forfait.
• (Verhuurd) vastgoed met lage netto-opbrengst door leegstand, hoge kosten of gematigde huur.
• Gemengde portefeuilles waarin winsten en verliezen elkaar grotendeels neutraliseren.

Wanneer levert OWR meestal geen voordeel op?
• Veel spaargeld bij hogere spaarrente (2024/2025): werkelijke rente benadert of overstijgt het forfait.
• Sterke beursjaren of hoog dividend: werkelijk rendement ligt boven het forfait.
• Vastgoed met duidelijke waardestijging én goede verhuur: totaalrendement vaak boven forfait.

Fiscale partner (echtgenoot/partner)
U mag per partner een eigen keuze maken: de één kan OWR gebruiken, de ander het forfait. De Belastingdienst rekent per persoon de meest gunstige uitkomst door, conform de gekozen verdeling in de aangifte. Na vaststelling kunt u de partnerverdeling van het box‑3‑inkomen doorgaans nog wijzigen binnen 6 weken na de definitieve aanslag.

Termijnen en stappen
1. Wacht op de attentie- of motiveringsbrief en noteer de deadline (meestal 12 weken; 26 weken bij Becon‑intermediair).
2. Verzamel uw jaargegevens (bank/broker-overzichten, huur, WOZ, kosten en waardemutaties).
3. Dien per jaar het OWR‑formulier in via Mijn Belastingdienst; de gunstigste uitkomst (forfait of werkelijk) wordt toegepast.

Box 3, fuik:
Je wilt er liever niet meer met vastgoed in zitten, hoge belastingdruk en verdere huurbescherming met lage huren zetten de rendementen onder druk. Mogelijk dat exploitatie in of tezamen met een onderneming een bruikbaar alternatief is. Wel overdrachtsbelasting vermijden natuurlijk, want zelfs het 8% tarief is een flinke spelbreker. Voor sommigen is een split en toerekening aan de echtgenote een oplossing, man forfait, vrouw OWR of andersom, gender geen problem overigens. Pas op met de BV, de vraag is of een BV zonder materiële onderneming gunstig zal zijn of blijven, tarieven voor VpB en IB box 2 (AB) stijgen naar verwachting, stille maatschappen worden mogelijk aangepakt. Wellicht dat echte samenwerkingsverbanden voor de exploitatie in combinatie met box verschuiving naar box 1 een oplossing is, laat ons maar eens kijken als u vragen hebt …

Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook