Header achtergrond
Header achtergrond

Steeds meer duidelijkheid over belastingheffing na 2018, nieuw kabinet licht tipje van de sluier op

16-10-2017

Het zekerstellen van inkomsten voor de groeiende collectieve sector heeft nog steeds prioriteit. Kosten voor klimaatbeheersing en zorgkosten blijken verder door te stijgen. De kiezer is niet bereid bezuinigingen, die hemzelf aangaan, te accepteren of milieuvervuiling voor lief te nemen. Er is brede consensus over nut en noodzaak van meer overheidsingrijpen en centrale sturing. Vooral in de zorg, innovatie en op het gebied van klimaat wordt van de overheid een actieve rol gevraagd.

Daarvoor heeft de overheid meer en meer geld en dus belastinginkomsten nodig. Want ook op andere terreinen, zoals onderwijs en defensie, wordt door lobbyisten, die handig de media bespelen, om "investeringen" gevraagd. De belastinginkomsten zullen dus gewaarborgd moeten zijn en verder moeten stijgen, het is niet anders. Tegenover de behoefte aan meer belastinginkomsten staat namelijk ook dat traditionele inkomstenbronnen voor de overheid, zoals verkoop van aardgas, accijnzen op brandstof, BPM en BTW op nieuwe auto’s opdrogen. Windenergie kost veel geld, want er zijn voorlopig nog aanzienlijke subsidies nodig, dus in plaats van dat accijnzen uit fossiele brandstoffen voor inkomsten zorgen, moet er subsidie worden betaald, dubbel nadeel dus. Ook de vergrijzing levert meer betalingsverplichtingen op door AOW en zorgkosten. Kortom de financierbaarheid van de overheidsuitgaven op langere termijn maakt dat er van echte lastenverlaging voor de burger geen sprake kan zijn.

Het nieuwe kabinet maakt tegen deze achtergrond keuzes, die voortvloeien uit plannen van een commissie voor een grote belastingherziening. Deze commissie Van Dijkhuizen zag in 2012 al de problemen aankomen en heeft lange termijnmaatregelen voorgesteld. Een grote belastingherziening was nodig, deze had door VVD en PvdA moeten worden doorgevoerd. Dit bleek door het grote verschil in inzicht niet haalbaar, men heeft dat doorgeschoven naar het nieuwe kabinet. Nu is duidelijk dat CDA, CU, D66 en VVD een nieuwe poging gaan wagen, kennelijk op basis van de bekende blauwdruk uit 2012. We leggen de maatregelen naast de meetlat van de bekende plannen en wat blijkt, het past in een breder en verdergaand perspectief.

De in het regeringsakkoord aangekondigde maatregelen zijn eerste stappen en zullen dan ook vermoedelijk worden gevolgd door veel meer en ingrijpender maatregelen binnen deze kabinetsperiode. In het kort komt het erop neer dat Nederland moet innoveren in verband met klimaatregels en tech-revolutie, men denkt daarin economisch een leidende rol te kunnen spelen en daarin past dat Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats moet zijn voor innovatieve (fin) tech-bedrijven. Dat zijn in de visie van VNO-NCW, zich commercieel opstellende (subsidie genietende) universiteiten en in de visie van Haagse politici vooral multinationals en grote bedrijven. Die zijn met hun lobby's nadrukkelijk gesprekspartner en in het kader van concurrentie tussen de lidstaten van de EU moeten zij worden verleid met lage Vennootschapsbelasting (VpB) tarieven om zich in Nederland "te vestigen". Daar staat wel een beperking van hun aftrekposten van de winst tegenover, vooral renteaftrek wordt beperkt.

Aan de kleinere ondernemingen wordt geen of een geringe rol toebedacht. Zij blijken niet goed te hebben gelobbyd, hun belastingdruk wordt aanzienlijk verhoogd. Dit is in lijn met de plannen uit 2012, de commissie vond dat fiscale aftrekposten van ondernemers geen (meetbaar) effect hadden op werkgelegenheid en innovatie, dus moeten ondernemers in het (M)KB gelijk worden behandeld in vergelijking tot ambtenaren en werknemers.

Tekenend is de plotselinge omslag in het beleid voor vrije beroepsbeoefenaren en vooral ZZP'ers. Vooral ZZP'ers zijn van innovatieve flexibele ondernemers verworden tot te bestrijden uitwas. Dat hangt samen met de groei van het aantal ZZP'ers, ruim een miljoen, die, naar het oordeel van de ambtenaren op het Ministerie van Financiën, te weinig belasting betalen. Het beleid om ZZP'ers te belemmeren heeft een nadrukkelijk fiscaal budgettaire oorzaak. De Zelfstandigen met personeel worden daarin meegezogen.

Dit alles maakt dat het niet verbaast dat in de inkomstenbelasting (IB) gekozen wordt voor "grondslagverbreding" met lagere tarieven. Dat betekent schrappen van aftrekposten en meer en eerder inkomsten belasten, waardoor over meer inkomen tegen lagere tarieven dezelfde opbrengst of meer staat. Ook wordt gekozen om via belastingheffing gedrag te beïnvloeden van grote groepen burgers, dus centrale sturing met alle uitvoerings- en vooral controlelasten voor de overheid van dien, meer kosten voordat er inkomsten zijn voor de overheid, de burger moet de rekening betalen. Milieuheffingen zullen toenemen en de BTW gaat structureel omhoog.

Omdat ondernemers, werknemers en ambtenaren worden gelijkgesteld, hebben ondernemers geen fiscaal voordeel meer in de vorm van ondernemersaftrek. Die aftrek was een beloning voor het risico dat ondernemers (in toenemende mate) lopen, doordat zij met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn. Zo moesten spaarders verleid worden tot ondernemen. Dat is voorbij, nu worden niet de ondernemers verleid, maar de spaarders belast, sparen wordt dus als het ware ontmoedigd. In die zin past het, dat vermogen, dat niet in een actieve onderneming wordt aangewend, als het ware als "overbodig" wordt aangemerkt en veel zwaarder zal worden belast. Dit alles treft vermogende ouderen, mensen met eigen woningen en weinig schuld, alsmede ondernemers in de eindfase van hun ondernemingsleven. Het is dus of overdragen aan een opvolger of anders (zwaar) belasten.

Het is wachten op verhoging van de erfbelasting en afschaffen of beperken van het lage bejaardentarief in de IB. Ouderen zullen premies volksverzekeringen gaan betalen, de vrijstelling daarvan is de oorzaak van het lage bejaardentarief. We geven wat voorbeelden.

Het beeld is dus dat grootbedrijf, lagere inkomensgenieters, jongeren, ambtenaren en werknemers enig voordeel hebben. Ouderen, ondernemers in het kleinbedrijf, middenstanders en mensen, die met eigen vermogen willen voorzien in hun oude dag, hebben nadeel. De ouderen met een behoorlijk inkomen of vermogen blijken bij nader berekenen niet al te best af te zijn. Door het verder uitstellen van de ingangsdatum AOW en het daarmee uitstellen van het lagere bejaarden IB-tarief (geen premies) is er niet alleen voor een AOW'er ca € 45.000 minder AOW beschikbaar, maar heeft deze AOW'er van zijn 65e tot zijn 70e straks ook nog eens ca € 25.000 meer IB betaald dan dat voorheen betaald werd. Dat scheelt dus nogal wat in vergelijking tot de met 65 jaar ingaande AOW en lagere tarieven.

Maatregelen, die ook passen in het "Van Dijkhuizen" kader, zij het hier en daar aarzelend ingevoerd nu ("... het wordt in 30 jaar afgebouwd dus men merkt er niets van …”, aldus premier Rutte), zijn afschaffing hypotheekrenteaftrek en "normaal" belasten van de eigen woning. Dat betekent eigen woning in box 3 met wat lagere tarieven wellicht voor de meesten en uiteraard aftrek van de schulden van de waarde van het te belasten bezit, maar niettemin heel wat anders dan aftrek tegen 52% van de hypotheekrente. Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat alle betaalde rente, dus ook die op consumptief krediet, aftrekbaar was tegen 72%, maar dat terzijde.

Naar verwachting zal na 2018 versneld het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek in box 1 worden doorgevoerd. Diegene, die nu een huis hebben met een WOZ waarde van € 500.000 en een hypothecaire lening van € 400.000, hadden in 2012 bij een rente van pakweg 4% een eigen woningforfait van € 3.500 en € 16.000 aftrek tegen 42% of 52%, dus belastingvoordeel € 5.250 of zelfs € 6.500. Bij het nieuwe systeem zal dat zijn 0,6% over € 500.000 en aftrek in de toekomst tegen pakweg 37%, dat zou dus bij 4% zomaar 5% minus € 500 of 15% minus € 500 kunnen schelen. Als de rente stijgt naar pakweg 4% dan is er dus nog maar € 4.810 voordeel, dat scheelt dus nogal. Gaat de woning naar box 3, dan is er geen aftrek van rente, dus voordeel € 0 en is er bovendien € 100.000 belast, dus € 50.000 per echtgenoot. Dat kan als er meer vermogen is met 1,41% of zelfs met 1,61% worden belast. In ons voorbeeld gaat men van aftrek naar € 1.410 tot € 1.610 betalen.

Natuurlijk is de rente erg laag op dit moment, de burger gaat het niet zo merken (daarin heeft premier Rutte gelijk), maar aan de andere kant geeft dat ook aan, dat het nu of nooit is om de beperking van de aftrek versneld door te voeren. Want algemeen wordt verwacht dat, wanneer de ECB het ruime kredietbeleid zal gaan afbouwen, de rente zal gaan stijgen. Wanneer en hoeveel, dat weet niemand, maar die 30 jaar van premier Rutte is boterzacht. Men gaat natuurlijk niet het risico lopen dat de aftrek moet worden beperkt als de bancaire rente 4% of hoger is, reken dus maar dat men deze termijn zeer sterk zal willen bekorten.

De toezegging dat de beperking van de renteaftrek wordt gecompenseerd door minder bijtelling (forfait wordt verlaagd van 0,75% naar 0,6 %) is voor de meeste woningen niet houdbaar op langere termijn. Immers, het argument voor afschaffing van de renteaftrek is dat het de overheid teveel geld kost. Het forfait leverde geld op, renteaftrek kostte geld. Als je dus volledig compenseert, zou er een negatief forfait moeten komen en dat gaat natuurlijk niet gebeuren. Deze toezegging is dus bij voorbaat niet houdbaar en zo zijn er wel meer van dit soort korte termijnbespiegelingen door de coalitiepartijen. Dat heeft vooral betrekking op het vertrekpunt dat je neemt om "voordeel" te constateren.

De coalitiepartijen laten buiten beschouwing, dat het vorige kabinet 18 miljard euro aan lastenverzwaringen heeft doorgevoerd, met als argument dat het tijdelijk zou zijn om de crisis te bezweren. 18 miljard meer per jaar extra lasten als gegeven beschouwen, levert al snel "voordeel" op als daar dan wat vanaf gaat. Zo wordt er vanuit die 18 miljard "plus positie" tientallen miljoenen "voordeel" geconstateerd. Als iemand € 100 euro leent, deze niet terugbetaalt, je dan € 5 euro geeft en dat als een "voordeel" presenteert, omdat hij ook "niets" had kunnen teruggeven, dan zullen weinigen daarin trappen, dat is echter wel wat er in essentie nu gebeurt.

Want de effecten van de tariefsverlagingen in de IB zijn beperkt, voor de meesten ca 4% tot ca € 68.000, dus maximaal ca € 2.700. Dat wordt met veel tamtam als groot voordeel gepresenteerd. Maar we zetten nog maar even wat maatregelen uit het recente verleden voor u op een rij. Geen aftrek van werkkosten meer, OZB stijgt, zorgpremie eigen risico omhoog, milieuheffingen, "groene belastingen", accijnsverhogingen en voor ondernemers: geen pensioen in eigen beheer opbouw, ondernemersaftrek afgeschaft, BTW-verhogingen, dus minder marge voor de middenstanders, DBA gezeur voor ZZP'ers en in de toekomst voor DGA's 85% van de omzet van de BV verplicht verlonen etc etc.

Gegeven de staat van de natie is het allemaal wel te begrijpen wat deze coalitie doet, we willen van alles en de rekening moet nu eenmaal betaald worden. De keuzes, die worden gemaakt, zijn vooral gebaseerd op pappen en nathouden van de eigen achterban en dat is te begrijpen.

Niettemin, de IB-ondernemers, DGA's, vermogenden en ouderen zijn kennelijk niet in staat gebleken op dezelfde wijze als politiemensen, onderwijzers en verpleegkundigen de media te bespelen. Want zij lijken toch het kind van de rekening te zijn. Voor ondernemers is dat extra zuur, ook is het schadelijk voor "echte" werkgelegenheid. Het verbaast ons niet dat er geen vaste arbeidscontracten meer worden gesloten, het vorige kabinet heeft met de Wet werk en zekerheid en het geduvel met de ZZP'ers, de ondernemers tegen zich in het harnas gejaagd, die problemen worden wel geadresseerd, maar niet opgelost. Hopelijk vinden de coalitiepartijen een weg om vertrouwen te herstellen. Dat zal met deze plannen niet gaan lukken, zo vrezen wij, er moet voor de (M)KB ondernemers een fors tandje bijgeschakeld worden.

Hoe dan ook, voorlopig lijkt er voor belastingadviseurs eerder meer dan minder werk aan te komen, want over één ding twijfelen wij sowieso niet, "makkelijker" gaat het niet worden.

Laatste nieuws

Nieuws

  • Belastingdienst verscherpt loonheffingscontroles bij ZZP'ers en opdrachtgevers Door Wijnkamp Keulers op 30-01-2019

    ZZP'ers en kleinere ondernemers zijn in korte tijd van wenselijke flexibele schil tot te bestrijden fenomeen verworden. De dreiging van achteraf problemen met fiscus en UWV maken veel opdrachtgevers kopschuw. De zogenaamde Wet DBA, die de VAR verving, is wegens onuitvoerbaarheid weliswaar opgeschort, niettemin is de Belastingdienst zich al aan het voorbereiden op verdere bestrijding van ZZP'ers. Zo is er nu, nagenoeg ongemerkt, een aanscherping van het zogenaamde gezagscriterium doorgevoerd in het Handboek Loonheffingen. ZZP'ers en kleinbedrijf wordt het risico voorgespiegeld dat in meer gevallen sprake is van een gezagsverhouding, dus van een arbeidsovereenkomst. Met alle gevolgen voor de opdrachtgevers van dien. De dreiging met naheffingen en vooral boetes op basis van nettoloon is voldoende om opdrachtgevers kopschuw te maken en ondernemers/ZZP'ers ondervinden daar nadeel van, inkomensdalingen van 50% zijn geen uitzondering.

    Handboek Loonheffingen 2018

    Het Handboek Loonheffingen geeft de visie van de Belastingdienst weer en het beleid. Er kan een beroep op worden gedaan door de belastingplichtige, die mag erop vertrouwen dat inspecteurs het eigen beleid volgen. Ten aanzien van wettelijke bepalingen zijn vaak meerdere en elkaar tegensprekende standpunten mogelijk. De rechter heeft uiteindelijk het laatste woord. Dus hoewel het Handboek belangrijk is, is het geen wet. Niettemin, door de dreiging met naheffingen en boetes kun je je niet al teveel risico veroorloven bij afwijkende standpunten. Het is als het ware een waarschuwing voor "landmijnen", er is niemand die gaat proberen of ze er ook werkelijk liggen door er overheen te lopen.

    Bijlage

    In de uitgave van december 2018 is de "zelfstandigheid" van de ZZP'er nader uitgelegd en dan vooral in het licht van "schijnzelfstandigheid". De Belastingdienst wil "schijnzelfstandigheid" bestrijden, zo heet het. De Wet DBA is een onuitvoerbare wet, tenzij het doel is geweest om vaste dienstverbanden de norm te doen zijn en ondernemerschap en flexibele arbeid te belemmeren. Het wordt steeds duidelijker dat afschaffing van de VAR tot doel had om een rem op ZZP'ers en flexibele arbeid aan te brengen. De motieven zijn zuiver financieel, fiscaal. De overheid en pensioenfondsen hebben meer geld nodig en dat moet komen van meer belasting- en premieheffing bij de middenklasse en dan vooral ondernemers en ZZP'ers.

    Arbeidsovereenkomst

    Het verschil tussen een arbeidsovereenkomst en overeenkomst van opdracht (ZZP) is "gezagsverhouding". De Belastingdienst heeft nu een aantal voorbeelden gegeven, die al dan niet in combinatie duiden op een gezagsverhouding. De meest opvallende is wel dat de opdrachtnemer, die personeel van de opdrachtgever aanstuurt, zelf aan een gezagsverhouding onderhevig is volgens de Belastingdienst. Dus de uitvoerder op de bouwplaats, interim-manager of ingehuurde hoofdverpleegkundige, interim IT manager zijn eigenlijk werknemers, volgens de Belastingdienst. Ook als de interimmer deelneemt aan sociale activiteiten, waaraan ook werknemers deelnemen, is hij "werknemer" en geen ZZP' er. Bizar is eveneens de eis dat de ZZP'er niet een werklocatie opgelegd moet krijgen. De interim-uitvoerder zit dus niet meer in de bouwkeet, maar moet aan thuiswerk gaan doen.

    Wetenschappers en juristen met politieke bias

    De rechter heeft hele andere criteria geformuleerd onder de bestaande loonheffings-wetgeving. Het is goed om in gedachten te houden dat zowel bij de afschaffing van de VAR als bij invoering van de wet DBA de Wet op de Loonbelasting niet is gewijzigd. Het aldaar gehanteerde begrip "dienstbetrekking" is niet veranderd, ook aanvullende definities en regels zijn voor en na de VAR niet gewijzigd.

    Voor de rechter is van belang, loopt de opdrachtnemer risico, waaronder debiteurenrisico, kan hij zich laten vervangen en kan hij opdrachten weigeren. De belastingrechter (Hof Arnhem) vult het criterium gezagsverhouding veel meer in langs de kaders van "risico".

    De Belastingdienst heeft het oor nu veel meer te luisteren gelegd bij wetenschappers en juristen op het gebied van arbeidsrecht en sociaal recht. Deze hebben op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken een position paper geschreven om de onwerkbare wet DBA alsnog te redden. Bij deze wetenschappers en juristen staat de bescherming van de rechtspositie van de werknemer in het algemeen voorop, zij hebben een sterke bias op sociale verworvenheden. De focus ligt dus op behoud van rechten van de werknemer met een vast contract en niet op de behoefte aan flexibele arbeid en diensten die de huidige IT-economie met zich meebrengt, de economie moet zich aanpassen te beginnen in Nederland.

    De consensus tussen deze deskundigen is, dat ZZP'ers de rechtspositie van de werknemer met het vaste contact bedreigen, dezelfde bias blijkt uit de stellingen van de Belastingdienst. De tegenwerking van ZZP'ers en ondernemers moet de vaste arbeidscontracten bij makkelijker te managen grote ondernemingen bevorderen. Meer belastingen en premies makkelijker te heffen, dat is de verwachting. Welke gevolgen het belemmeren van ZZP'ers en ondernemers heeft, laat onder meer de bouwsector zien. Vooral de buitenlandse ZZP'ers zijn niet meer aanwezig, vele ZZP'ers hebben de bouw de rug toegekeerd.

    Tot slot

    Voor ZZP'ers, andere kleinbedrijf ondernemers en hun opdrachtgevers is deze ontwikkeling schadelijk. De gevolgen voor de economie laten zich vooralsnog raden. Met het bestrijden van flexibele arbeid en dienstverlening, die op basis van vraag wordt verleend, is er de kans dat de economie wordt gesmoord. Niettemin, er zijn ook economen die pleiten voor hogere loonkosten en belastingen, dat zou innovatie en transitie bevorderen. Wie weet valt het dus mee. Het is dus maar welke bias je hebt.

    Lees verder
  • Niet aangegeven vermogen in het buitenland, grote (fiscale) gevolgen Door Wijnkamp Keulers op 24-12-2018

    Het aanhouden van vermogen in het buitenland en dit niet aangeven is een kostbare aangelegenheid met alle risico's van dien, zoals ook het risico op strafrechtelijke vervolging. In het bijzonder wanneer de Belastingdienst het buitenlandse vermogen ontdekt, voordat u hiervan melding heeft gemaakt.

    In de afgelopen jaren is gebleken dat er nogal wat bankrekeningen in het buitenland niet zijn aangegeven in box 3. Inmiddels is de inkeerregeling niet meer van toepassing op de vrijwillige verbetering van de aangifte ter zake van buitenlandse inkomsten uit vermogen. Er wordt tenminste twaalf jaar teruggekeken, dus met rente en een maximaal mogelijke boete van 300% van de verzwegen belasting, zijn zondaars flink de sigaar. Hebt u wetenschap van rekeningen in het buitenland, die (bijvoorbeeld door een overleden partner of ex-partner) niet zijn aangegeven, dan is er maar één weg, alsnog aangeven! En doe dit dan, bij voorkeur, in overleg met een fiscaal advocaat. Geeft u niet aan of hebt u dat niet gedaan, dan bent u strafbaar.

    Denk niet dat de Belastingdienst de informatie niet verkrijgt, want het bankgeheim wordt steeds vaker opgeheven en door steeds meer Europese landen wordt informatie uitgewisseld.

    Informatiebeschikking
    Wanneer de Belastingdienst op grond van door hen verkregen informatie u vragen stelt omtrent een buitenlandse rekening bent u, in beginsel, verplicht deze informatie te verstrekken, dit hoeft dus niet alleen uzelf te betreffen, maar kan ook voor derden gelden. Denkt u maar aan de Stichting Museumkaart, die gedwongen wordt de gegevens van een museumkaarthouder te verstrekken.

    Rechtsbescherming
    Tegen de informatiebeschikking is bezwaar, (hoger) beroep en cassatie mogelijk, waarmee aan belastingplichtige de mogelijkheid wordt geboden om de weigering om medewerking te verlenen aan de informatiebeschikking door de belastingrechter te laten toetsen.
    Oordeelt de belastingrechter dat de vragen legitiem (fiscaal relevant) zijn, dan wordt een nieuwe termijn verstrekt om aan de informatiebeschikking te voldoen. Voldoe je als belastingplichtige dan niet aan de verplichting om de informatie te verstrekken, dan wordt, in beginsel, de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dat betekent dat de belastingplichtige de onjuistheid van de aanslag overtuigend moet aantonen, in plaats van dat de inspecteur de juistheid van de aanslag aannemelijk moet maken.

    Let op
    Er is een extra sanctie op het niet-nakomen van de informatieverplichting: de weigering om informatie te geven is een strafbaar feit. Er is sprake van een overtreding wanneer de gevraagde stukken of informatie, niet, onjuist of onvolledig worden verstrekt. Wanneer dit opzettelijk gebeurt en dit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, is er sprake van een misdrijf.

    Het is voorzichtig manoeuvreren in dit soort situaties, het is vaak niet zo zwart/wit als de theorie stelt. Onze ervaring is dat de Belastingdienst steeds vaker zijn bevoegdheden ruimer interpreteert en daar soms ook mee weg komt, mede door onvoldoende begeleiding dan wel op grond van uitlatingen van de belastingplichtige in de eerste gesprekken.

    Fiscaal advocaat
    Het voorgaande geeft aan dat het onverstandig is om zelf met de inspecteur in discussie te gaan wanneer het over niet aangegeven vermogen in het buitenland gaat. Neem vanaf de eerste bespreking een fiscaal advocaat mee om u bij te staan.

    Een fiscaal advocaat heeft een verschoningsrecht, uw accountant of belastingadviseur niet, zij kunnen dus eventueel als getuigen worden opgeroepen. De risico's bij een strafrechtelijke vervolging zijn groot. En vergeet niet, in een gesprek met een inspecteur bent u niet tot antwoorden verplicht (zwijgrecht) en alles wat u zegt, kan in het onderzoek worden gebruikt.

    Heeft u naar aanleiding van het vorenstaande vragen, dan kunt u ons bereiken op 079-343 2711 (advocatenlijn).

    Lees verder

Agro nieuws

  • Nieuwe fiscale regels voor pachters in de familiesfeer ingegaan, tweede pachtersvoordeel voortaan belast, overgangsrecht toepassen? Door Wijnkamp Keulers op 11-12-2018

    Pachters, die grond in verpachte staat kopen van verpachtende familieleden, zoals ouders, worden in de toekomst belast voor het "pachtersvoordeel". Bij besluit, ingangsdatum 6 december 2018, heeft de Staatssecretaris van Financiën Menno Snel de onbelastbaarheid van dit (tweede) pachtersvoordeel afgeschaft. Voor grond, die voor 30 juni 2019 in eigendom komt van de pachter/zoon/dochter (e.d.), geldt overgangsrecht, zij mogen de vrijstelling van het tweede pachtersvoordeel alsnog toepassen. Wat is er aan de hand, wat zijn de gevolgen en welke maatregelen moeten er worden genomen om meer inkomstenbelasting te voorkomen. Is met spoed overdragen aan de pachter voor 30 juni 2019 altijd een goede oplossing?

    Het gaat eigenlijk om toepassing van de landbouwvrijstelling (artikel 3.12 Wet IB 2001) bij (uiteindelijke) verkoop, ruil van grond of bij staking van de onderneming door de verkrijgende pachter. Bij aankoop en exploitatie van de grond in het landbouwbedrijf is er dus niet zoveel aan de hand. Pas bij verkoop of ruil van grond, of bij staking van de onderneming moet er meer belasting worden betaald. De zogenaamde boekwinst, die normaal onder de landbouwvrijstelling voor de IB is vrijgesteld, wordt belast voor zover die betrekking heeft op het verschil tussen vrije waarde en waarde in verpachte staat op het moment van verwerving. Dat was al zo, als gepachte grond van een niet-familielid werd gekocht. Het onderscheid tussen kopen van familie en kopen van een gewone verpachter vervalt dus, er is geen verschil meer tussen "eerste" en "tweede pachtersvoordeel". Ook de zogenaamde gebruikersvoordelen zijn in beginsel belast. Wordt verpachte grond als zodanig geërfd, dan is voor de IB mogelijk ook een pachtersvoordeel aan de orde. Dat hangt ervan af hoe de verkrijging is geregeld.

    Er zijn nog wat meer vervelende maatregelen. Zogenaamde eerste pachtersvoordelen konden apart geruisloos worden doorgeschoven naar de opvolger, deze zogenaamde "partiële" doorschuiving is echter ook afgeschaft. Doorschuiven kan nog wel, maar dan alleen als in beginsel alle ondernemings-vermogensbestanddelen worden doorgeschoven. Ook is al langere tijd (een jaar of zes) duidelijk dat pachtersvoordelen bij vrijval (dus bij verkoop) niet via een HIR kunnen worden afgeboekt op vervangende grond.

    Wat nu te doen? In de eerste plaats is er het overgangsrecht. Tot 30 juni 2019 kan grond nog onder de oude regeling in eigendom overgaan op de opvolger voor de waarde in verpachte staat met een "tweede pachtersvoordeel". Wellicht is verkopen en leveren op korte termijn, dus voor 30 juni 2019 te overwegen. Als er aanvullende regelingen nodig zijn, bijvoorbeeld in verband met de inkomenspositie van de ouders of de overige kinderen, is wellicht schuldig blijven van de koopsom onder specifieke voorwaarden en onder eerste hypotheek een optie.

    Wellicht dat inbreng in een maatschap met herwaardering een mogelijkheid is, dat zal dan wel met juridische inbreng moeten zijn, mogelijk nadat eerst verkoop en levering heeft plaatsgehad. Via maatschap, CV of andere rechtsvorm kunnen dan aanvullende voorwaarden worden opgenomen. Let op, er is sprake van een overgangsmaatregel, dus oprekken van de reikwijdte ervan is riskant.

    Andere oplossingen voor controle of meedelen van ouders en andere kinderen in meerwaarde zullen vooral gezocht moeten worden in aanvullende voorwaarden ter zake van de financiering of eruit houden van (strategische) stukken grond, zoals ontwikkelaars dat nogal eens doen. Ook het aangaan van maatschappen of een CV na verkrijging van de juridische eigendom van de grond door de opvolger kan een oplossing zijn. In feite lijkt het wat op de contracten, die ontwikkelaars afsluiten, alleen in dit geval worden dan afspraken gemaakt voor bijvoorbeeld winstdeling voor winsten boven de WEVAB.

    Voor al deze maatregelen zal wel rekening moeten worden gehouden met bestaande hypotheken en de bank, begin dus op tijd want dat zal nog wel wat voeten in aarde hebben en de deadline is echt 30 juni 2019, reken maar niet op verlenging.

    Moet je dit nu allemaal willen of is het accepteren van de maatregel niet een betere optie. Immers niet bij koop door de pachter is er een probleem, pas bij verkoop, ruil en staking komt het pachtersvoordeel om de hoek kijken voor de IB. Voor het erfrecht en bij bedrijfsopvolging is natuurlijk de opvolgingsregeling voor de schenk- en erfbelasting met DCF-waarderingen nog steeds van kracht. Als er geen eerste pachtersvoordeel was bij de familie, de grond overgaat bij bedrijfsopvolging volgens de waardering die daar is toegestaan en er geruisloos kan worden doorschoven, dan is dat mogelijk ook een oplossing die het overwegen waard is. Er moet dan wel worden bekeken of de via maatschap en verpachting geregelde opvolging nog wel optimaal is.

    Het wordt er allemaal niet eenvoudiger op. De Staatssecretaris geeft aan dat reguliere regelingen in de IB (artikel 3.63 wet IB 2001) en SW (de BOR) voldoende mogelijkheden bieden en er dus geen speciale regeling meer nodig is. Als dit betekent, dat hij niet verder gaat beperken dan valt wellicht met een zoenoffer als deze beperking nog wel te leven. Laat u zich goed voorlichten, dit is geen onderwerp voor massale "standaard" regelingen, zoals we bij voorbeeld bij de herwaardering van de ondergrond van agrarische bedrijfswoningen hebben gezien. Kies voor maatwerk.

    Bron

    Lees verder
  • Nieuwe fiscale regels met ingang van 6 december 2018 Door Wijnkamp Keulers op 11-12-2018

    Besluit Staatssecretaris van Financiën, ingangsdatum 6 december 2018 betreft fiscale regelingen Ruimte voor Ruimte, betalingsrechten, meerwaarde door herverkaveling via landinrichting, regeling gronden in gebruik voor windturbines en zonnepanelen.

    Naast de afschaffing van de regeling van het tweede pachtervoordeel zijn er in hetzelfde besluit van 6 december 2018 fiscale regelingen van kracht geworden, die de (gedeeltelijk) stoppende landbouwers aangaan en landbouwers met "nevenactiviteiten", zoals plaatsing van windturbines en zonnepanelen. Ook de regelingen rondom quota (niet meer nodig) en betalingsrechten zijn aangepast. Een korte bloemlezing.

    Winst bij Ruimte voor Ruimte regeling soms onbelast
    De meerwaarde van grond, die ontwikkeld wordt in het kader van Ruimte voor Ruimte, is slechts belast boven de oorspronkelijk WEVAB. Had de grond door mindere bedrijfsactiviteiten een lagere WEVAB gekregen, dan mag de oorspronkelijke hogere WEVAB worden toegepast voor toepassing van de landbouwvrijstelling. De afwaardering van voormalige bedrijfsgebouwen is een aangelegenheid, die niet door dit besluit wordt geregeld. Afwaardering tot lagere marktwaarde is in beginsel mogelijk. Niettemin, kosten van sloop van opstallen of minderwaarde ervan kan wel opgaan in de WEVAB van een Ruimte voor Ruimte kavel als de WEV uiteindelijk veel hoger is dan de WEVAB. De staatssecretaris meent dat minderwaarde naar rato aan grond en opstallen moet worden toegerekend. Daar zal het laatste woord nog wel niet over gezegd zijn.

    Betalingsrechten
    De per peildatum 1 mei 2015 toegekende betalingsrechten zijn een steunmaatregel van het inkomen van de landbouwer. Het is een vordering en geen bedrijfsmiddel. De boekwaarde van de vordering is nihil, want de vordering is om niet verkregen. Bij verwerving van betalingsrechten moeten die voor de koopprijs en toe te rekenen kosten op de balans worden geactiveerd. Er kan niet op worden afgeschreven, want het is geen bedrijfsmiddel. Verkoop van betalingsrechten leidt niet tot afboeking van de boekwaarde van het recht, aldus de visie van de Staatssecretaris.

    Meerwaarde landbouwgrond door verkaveling bij landinrichting
    Op hoofdlijnen verandert er niets. De meerwaarde op de grond, die is toe rekenen aan de verbeteringen door de (her) verkaveling, zijn niet op grond van de landbouwvrijstelling vrijgesteld. Het in een keer betalen van de landinrichtingskosten leidt ertoe dat de facto de boekwaarde van de grond daarmee wordt opgehoogd (zijn dus geen aftrekbare kosten) en in mindering strekken op de (niet vrijgestelde) belaste winst. De winst wordt pas bij realisatie dus bij vervreemding van de grond belast.

    Ondergrond windturbines en zonnepanelen
    Door het arrest van de HR van 23 april 2010 nr 08/04843 is duidelijk geworden dat de exploitatie van een windturbine door een landbouwer als een aparte onderneming is te beschouwen. Een dergelijke exploitatie betekent dat er over de meerwaarde van de ondergrond boven de WEVAB direct moet worden afgerekend door de zogenaamde "sfeer overgang" naar een ander onderneming. Bedoeld wordt dat de landbouwonderneming (voor een deel) wordt gestaakt (stakingswinst WEV> WEVAB) en een nieuwe onderneming wordt gestart. Boekwaarde van de grond in de nieuwe onderneming is dan WEV. Een vergelijkbare belemmering kan zich volgens de staatssecretaris voordoen als er percelen grond worden onttrokken aan de exploitatie in het bestaande landbouwbedrijf. De staatssecretaris keurt goed dat het "afrekenmoment" wordt uitgesteld, de grond wordt als het ware als "niet onttrokken beschouwd", niettemin de WEVAB wordt bevroren.

    Tot slot
    Alles dat (fiscaal) met landbouwgrond heeft te maken is ingewikkeld en dient in samenhang met juridische regelingen te worden bezien. Oriënteert u zich vooraf en zorg voor uw eigen gespecialiseerde adviseur. Gratis advies bestaat niet en goedkoop is duurkoop. Het is niet voor niets, dat er nieuwe beleidsregels zijn, de touwtjes worden aangehaald en dat is gegeven het belang van landbouwgrond voor natuur, milieu en ruimtelijke ordening met alle financiële gevolgen van dien natuurlijk niet verbazingwekkend. Uw grond is uw belangrijkste productiemiddel, handel daarnaar!

    Bron

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook