Header achtergrond
Header achtergrond

Nieuwsbrief aangifte Inkomstenbelasting maart 2017

08-03-2017

De aangifte IB geeft elk jaar de nodige hoofdbrekens en wellicht zelfs wat stress. Ook dit jaar zijn er weer de nodige veranderingen. Wij zetten de belangrijkste voor u op een rij.

Controleer uw rekeningnummer voor een snelle teruggave

De vooraf ingevulde aangifte kan vanaf 1 maart 2017 worden ingediend bij de Belastingdienst. De aangiftetermijn eindigt daarvoor op 30 april 2017. Controleer de vooraf ingevulde aangifte goed op juistheid en volledigheid. Let op dat het rekeningnummer dat bij de Belastingdienst bekend is, actueel is en op naam van de belastingplichtige staat.

Hogere AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd is op 1 januari 2016 verhoogd naar 65 jaar en zes maanden. Wie in 2016 de AOW-leeftijd heeft bereikt, betaalde één maand langer AOW-premies en ontving een maand later de eerste AOW-uitkering ten opzichte van 2015. Ook het verlaagde IB-tarief (geen premieheffing) gaat later in. Als een niet-verdienende fiscale partner niet premieplichtig is (en dus geen recht heeft op de premiedelen van de heffingskortingen) kan toch uitbetaling van de gehele (algemene) heffingskorting volgen.

Fiscaal partnerschap bij Wmo opvanghuis en bij stiefkinderen

Vanaf 1 januari 2016 is men ook fiscaal partner als de belastingplichtige samenwoont met een andere meerderjarige in een opvanghuis via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en één minderjarig kind van één van hen op datzelfde adres staat ingeschreven.  Als u voldoet aan de voorwaarden, onder andere in het bezit bent van een Wmo-beschikking, kan verzocht worden om het fiscale partnerschap te beëindigen. Dat heeft eveneens tot gevolg dat men geen toeslagpartner meer is.

Men is eveneens fiscaal partner als de belastingplichtige gehuwd is geweest met iemand die al een kind heeft (uit een eerdere relatie) en dat stiefkind woont bij de belastingplichtige in en de belastingplichtige of het stiefkind zijn bij het begin van het kalenderjaar jonger dan 27 jaar. Op gezamenlijk verzoek kan de aanmerking tot fiscaal partner worden beëindigd. Zij zijn dan ook geen toeslagpartners meer.

BOX 1
Auto van de zaak

De CO2-schijfgrenzen voor de bijtelling vanwege een auto van de zaak voor 2016 zijn:
Bijtelling afhankelijk van CO2-uitstoot (in gr/km)
4% 0
15% 1-50
21% 51-106
25% >106

Personeelslening

Vanaf 2016 is het voordeel, dat wordt verkregen op een personeelslening, belast. Dit gebeurt door het rentevoordeel bij het loon op te tellen. Werkgevers moeten dus dit rentevoordeel als loon in de loonheffing meenemen. Indien de lening is afgesloten voor de eigen woning, dan is het bedrag dat bij het loon wordt opgeteld, aftrekbaar als kosten voor die woning. De waardering van het rentevoordeel voor een personeelslening ten behoeve van een fiets of elektrische scooter op nihil, blijft in stand.

Eigen woning

In 2016 bedraagt het maximale percentage waartegen eigenwoningkosten kunnen worden afgetrokken 50,5%. De eigenwoningaftrek wordt eerst tegen maximaal 52% berekend, daarna volgt een correctie in de aangifte om rekening te houden met de maximering van 50,5%. De maximering geldt niet voor bedrijfswoningen in het ondernemingsvermogen.

Vanaf 2016 worden gegevens van een lening voor de eigen woning, die zijn afgesloten bij bijvoorbeeld familie, een bv of buitenlandse bank, via de aangifte doorgegeven. Het formulier 'Opgaaf lening eigen woning' kan alleen worden gebruikt voor de jaren 2013 tot en met 2015.

Bij (langdurige) achterstand bij aflossing van de eigen woningschuld, vervalt de renteaftrek en de lening verhuist naar box 3. Deze lening kon daarna niet meer terug naar box 1. Met ingang 2016 verhuist de lening weer naar box 1, als de aflossingsachterstand is ingehaald. Er bestaat dan weer recht op renteaftrek.

Fiscaal partners, die na 31 december 1991 een kapitaalverzekering hebben afgesloten om een eigen woningschuld af te lossen, kunnen samen bij de aangifte inkomstenbelasting 2016 een verzoek doen om de uitkering beiden voor 50% op te geven. Allebei kunnen dan gebruik maken van hun eigen vrijstelling. Voorheen kon dit niet, als maar één van beiden in de polis genoemd werden. Dan kon maar één keer gebruik worden gemaakt van de vrijstelling.

De (kamer)verhuurvrijstelling is voor 2016 op € 5.069 gesteld. Wanneer men boven deze vrijstelling uitkomt, zou wellicht gebruik kunnen worden gemaakt van de kostgangersregeling. De gemaakte kosten kunt u aftrekken, een eventuele vergoeding van de kostganger is wel belast.

Oudedagsvoorzieningen

Het tussentijds afkopen van een lijfrente is fiscaal niet toegestaan. Naast belasting is revisierente verschuldigd over de waarde van de lijfrente. Voorheen werd de waarde van de polis minimaal gesteld op de betaalde premies of stortingen. Vanaf 2016 is inkomstenbelasting verschuldigd over de eventueel lagere afkoopwaarde.

BOX 2
Aanmerkelijk belang, meer dan 5% (soort) aandelen

De conserverende aanslag voor de DGA, die met zijn vennootschap emigreert naar het buitenland, blijft onbeperkt in stand en vervalt dus niet meer na 10 jaar (vanaf oktober 2015). Een winstuitdeling heeft tot gevolg dat de conserverende aanslag (gedeeltelijk) wordt ingevorderd tot een bedrag van 25% van de winstuitdeling. Zolang de conserverende aanslag nog niet volledig is voldaan, geldt de fictie dat de vennootschap in Nederland is gevestigd, zodat nog inkomstenbelasting kan worden geheven over de uitgekeerde dividenden. De invordering van de conserverende aanslag vindt niet plaats, voor zover over de dividenduitkering feitelijk belasting (in Nederland of het buitenland) wordt geheven. Het forfaitaire voordeel aanmerkelijk belang-aandelen in een beleggingsinstelling is per 1 januari 2016 verhoogd van 4,0% naar 5,5%

BOX 3

Vanaf 1 januari 2016 vervalt voor AOW'ers de extra verhoging van het heffingvrij vermogen in box 3.
Vanaf 2016 vervalt de vrijstelling voor de spaarloonregeling. Een geblokkeerd spaartegoed dat onder de spaarloonregeling valt, moet worden opgegeven bij de bezittingen. Daarnaast vervalt de vrijstelling banksparen voor uitvaartkosten. De vrijstelling voor uitvaartverzekeringen blijft wel bestaan.

Persoonsgebonden aftrek

Per 1 januari 2015 is de aftrek vanwege uitgave voor levensonderhoud van kinderen vervallen. In plaats daarvan kunnen de uitgaven, die in de toekomst verplicht moeten worden gedaan voor het levensonderhoud van de kinderen, worden opgegeven als een schuld in box 3. Dit is vanaf 2017 niet meer mogelijk. Alimentatieverplichtingen voor kinderen kunnen dus in 2016 voor de nominale cumulatieve waarde van de schuld worden opgenomen in box 3.

Dieetkosten

In de dieetkostentabel is het nodige gewijzigd, nakijken dus of uw aftrek nog kan.

Verlies op durfkapitaal

Voor de volledigheid wijzen wij erop dat voor durfkapitaal geldt, dat aftrek mogelijk is voor een geleden verlies op leningen, die vóór 1 januari 2011 zijn verstrekt. Indien er een nagekomen terugbetaling komt op een afgeschreven lening en daarvoor aftrek is toegestaan, wordt – ook nog na 1 januari 2011 – de persoonsgebonden aftrek in zoverre teruggenomen.

Heffingskortingen

In 2016 kan maximaal 46,67% of € 1.047 van de algemene heffingskorting worden uitbetaald aan de minstverdienende partner. Hiervan zijn uitgezonderd de belastingplichtigen, die geboren zijn vóór 1 januari 1963.
Vanaf een inkomen van € 34.015 start de afbouw van de arbeidskorting (4% van het deel van het arbeidsinkomen dat hoger is dan het drempelbedrag). Bij een inkomen van € 111.590 is deze nihil.

Belastingplichtigen, die op 1 januari 2016, 62 jaar waren, kunnen in aanmerking blijven komen voor de werkbonus. Vanaf 2018 kan niemand meer aanspraak maken op de werkbonus.

De tijdelijke heffingskorting (vroeg)gepensioneerden vervalt per 1 januari 2016. Indien in 2015 de heffingskorting werd ontvangen, wordt in 2016 maximaal € 61 meer belasting betaald.

In 2016 bestaat bij een verzamelinkomen boven € 35.949 recht op een ouderenkorting van € 70. Bij een lager verzamelinkomen bedraagt de ouderenkorting € 1.187. De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 436.

Voorlopige aanslagen, let op belastingrente

Voor alle belastingen bedraagt de belastingrente 4%, behalve voor de vennootschapsbelasting. De belastingrente voor de vennootschapsbelasting was tot 1 september 2016 8,05% en is vanaf 1 september 2016 tot 1 september 2017 8%.

ONDERNEMER

RDA

De research- and developmentaftrek (RDA) is voor ondernemers, die speur- en ontwikkelingswerk verrichten en bestaat uit een aftrekpost bij de winstberekening. De RDA is per 1 januari 2016 vervallen. Daarvoor komt in de plaats een uitbreiding van de S&O-afdrachtvermindering in de loonheffing. Daarnaast is de opzet van de S&O veranderd.

VAR

Met ingang van 2016 is de verklaring arbeidsrelatie afgeschaft. Met een modelovereenkomst van de Belastingdienst kunnen opdrachtgever en opdrachtnemer toch zekerheid over de voorgenomen arbeidsrelatie krijgen. Zie www.keulers.nl voor nadere info. De handhaving is opgeschort, er kan van eigen overeenkomsten gebruik gemaakt worden. Er is, behoudens opzet of grove schuld in combinatie met kwaadwillendheid, geen risico op naheffing en boetes.

Bijzondere onderwerpen

Monumentenpanden, haal onderhoudskosten naar voren

Het voornemen bestaat om met ingang van 1 januari 2018 de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden af te schaffen (zie wetsvoorstel 34 556). Op dit moment mag 80% van de onderhoudskosten worden afgetrokken. Volgens het voorstel komt voor particuliere eigenaren van monumentenpanden een nieuwe subsidieregeling. Onder voorwaarden kan een subsidie worden ontvangen van 25% voor bepaalde aangewezen onderhoudskosten voor het in stand houden van het monument. Voor de subsidie wordt maximaal € 10.000 aan subsidiabele kosten per jaar in aanmerking genomen. Aanvragen, waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan € 2.000 per jaar, komen niet voor subsidie in aanmerking. Door onderhoudskosten naar 2017 te halen, kan nog gebruik worden gemaakt van de aftrekpost.

Scholingsuitgaven

Aftrekbaar als scholingsuitgaven zijn kosten voor een opleiding of een studie gericht op een (toekomstig) beroep. Voor de kosten mag een recht bestaan op studiefinanciering. Het voornemen bestaat om de regeling met ingang van 1 januari 2018 af te schaffen. Uit onderzoek blijkt dat de scholingsimpuls van de huidige fiscale regeling beperkt is. In plaats van de scholingsaftrek komt er een nieuwe regeling in de vorm van scholingsvouchers. Deze zijn bedoeld voor mensen, die minder snel zelf geneigd zijn om onderwijs te volgen, maar waarvan het maatschappelijk belang van scholingsdeelname groot is. Door scholingsuitgaven naar voren te halen, kan in 2017 wellicht nog gebruik worden gemaakt van de aftrekpost.

Box 3, verlaging en verhoging

Met ingang van 1 januari 2017 is het rendement van 4% gewijzigd. Het rendement wordt afhankelijk van de hoogte van het vermogen. Voor belastingplichtigen met een hoog vermogen betekent dit een hogere belastingdruk. Box 3 wordt steeds onaantrekkelijker, box 1 en box 2 bieden meer mogelijkheden. Let op … volg algemene adviezen om in te brengen in een fonds voor gemene rekening of een BV of coöperatie niet zonder meer. Er zijn haken en ogen, en algemene veel toegepaste ontwijkingen worden meestal snel gerepareerd, vaak met meer uiteindelijk nadeel dan dat er voordeel was.

Laatste nieuws

  • Wijzigingen in box 3 vanaf 2022 vooral gunstig voor spaarders, beleggers gaan meer betalen Door Wijnkamp Keulers op 16-10-2019

    De huidige box 3 belastingheffing is met de huidige rentestanden op spaarsaldi niet te handhaven, dat heeft inmiddels ook de hoogste belastingrechter aangegeven. Hoewel de minister van Financiën weigert generiek belastingverlagingen te overwegen en teveel geïnd belastinggeld ("meevallers") naar de burgers terug te sluizen, komt er nu toch enige beweging. Mondjesmaat en overduidelijk "met lange tanden" gaan spaarders worden ontzien. Beleggers en particuliere huizenverhuurders moeten de Staat compenseren, zo zijn de plannen. Niet meteen, er is een aantal jaren "kieskauwen" nodig om het allemaal te kunnen regelen. Men hoopt overduidelijk dat treuzelen en aankondigen dat het allemaal beter gaat worden de rechter terughoudend zal laten zijn de huidige box 3-regeling onverbindend te doen zijn. In 2022 moet het allemaal geregeld zijn.

    Spaarders, ruime vrijstelling

    Degenen, die sparen op de bank en niet (willen) beleggen, zullen geen belasting meer betalen over de eerste € 440.000. Weliswaar is er nog wel sprake van een vastgesteld inkomen van 0,09% bij de huidige lage rentestand, echter er is een belastingvrijstelling voorzien van € 400 per fiscaal partner, dus dat betekent dat voor beide partners tezamen ca € 880.000 buiten de heffing kan blijven. Daarmee is beter aangesloten bij het aanhoudend zeer lage en mogelijk toekomstig negatief rendement op spaargeld.

    Beter aansluiten bij mogelijk rendement

    Ook bij andere beleggingen wordt meer aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. In het wetsvoorstel wordt het vastgestelde (forfaitaire) rendement op de 'overige bezittingen' gesteld op 5,3% van de waarde. Het gaat om verschillende vermogensbestanddelen, zoals aandelen, obligaties, een tweede woning, een vakantiehuisje, beleggingspanden etc. Het werkelijke behaalde rendement op deze overige beleggingen doet niet ter zake, er wordt een vastgesteld gemiddelde in aanmerking genomen. Dit betekent dat beleggers, die hogere rendementen dan 5,3% denken te kunnen behalen, in box 3 nog steeds beter af zullen zijn. Degenen, die dat niet denken te zullen halen, moeten uitzien naar alternatieven.

    Het is duidelijk dat dit nieuwe voorgestelde systeem gedoe met zich mee zal brengen. Slimmerikken zullen proberen op 1 januari spaargeld te hebben en op 2 januari weer te gaan beleggen. Niettemin, omdat bij overige beleggingen leningen niet meer integraal in aftrek komen, zal moeten worden bezien of "omzetten" niet lastig zal zijn. Aandelenkoersdalingen tegen het einde van het jaar en kosten zullen de pret wel wat drukken. Er wordt gestudeerd op wetgeving om dit soort handelen te ontmoedigen, zo wordt gedacht aan een mix, die in aanmerking moet worden genomen en aan verschillende peildata, dat heeft uiteraard als nadeel dat er een heel controlesysteem moet worden opgezet. Niettemin, wellicht dat dit met data-analyse is op te lossen, we zullen zien.

    Beleggen met geleend geld

    Beleggingen in aandelen en vastgoed met geleend geld, bijvoorbeeld van de eigen BV, is met de huidige lage rente financieel gunstig. De rendementen zijn nogal eens hoger dan het thans geldende fictieve rendement. Beleggen met geleend geld wil de wetgever zwaarder gaan belasten en wellicht zelfs tegengaan. Dat is gek, want de ECB beoogt met onderhand negatieve rente, lenen te stimuleren. Zo wordt de belegger fraai in de bankschroef genomen, lage en negatieve rente door de ECB en toch belasting heffen door de Nederlandse Staat. Beleggingen met leningen moeten tegen een afzonderlijk forfaitair rendement in aanmerking worden genomen, zo is het plan.

    Niet meer aftrek van schulden, maar aftrek van (vastgestelde) kosten

    Het forfaitaire rendement zal zijn gebaseerd op de gemiddelde hypotheekrente van het voorgaande jaar en bedraagt 3,03%. De aftrek van schulden gaat dus tegen 3,03%, er is sprake van een beperking in de aftrek van schulden en een verhoging van het in aanmerking te nemen forfaitaire rendement. Voor ‘overige bezittingen’ bedraagt dit 5,33%. Waar dus in het huidige systeem bij een belegging van € 500.000 met geleend geld € 0 werd belast, wordt dit nu € 11.500 tegen 33%, dus € 3.795 te betalen IB.

    Formule:

    Box 3 belasting = (0,09% x spaarvermogen) + (5,33% x overige bezittingen) – (3,03% x schulden) x 33%

    Rekenen

    Alternatieven voor box 3 zijn inbrengen in een BV, een fonds voor gemene rekening of ondernemen in plaats van beleggen. Te verwachten valt dat voor deze uitwijk de eisen voor regelingen, die het ondernemen moeten stimuleren, worden aangescherpt. Zo is voor afschrijvingen van onroerende zaken in een BV al geen ruimte meer en zullen MKB-winstvrijstelling en bedrijfsopvolgingsregelingen wel aan zwaardere eisen worden onderworpen. De Staat wil heffen, vooral over vermogens die bij ouderen aanwezig zijn. Het uithollen van vermogens door de combinatie, inflatie en vermogensbelasting is met deze maatregelen noch doel noch het resultaat.

    Het is maar dat u het weet.

    Lees verder
  • Hoge Raad opent deur voor vrijstelling van box 3 heffing, maak bezwaar! Door Wijnkamp Keulers op 10-07-2019

    De Hoge Raad heeft op 14 juni 2019 beslist dat een belastingplichtige, die een buitensporig zware last ondervindt van box 3 (vermogensrendements) heffingen op spaargeld en beleggingen, met succes een beroep kan doen op de verdragsbescherming in het EVRM van eigendom. Dit kan betekenen dat de aanslag met box 3 heffing wordt vernietigd. Er moet wel worden aangetoond dat de belasting een "buitensporig zware last" is voor een belastingplichtige. Dat zal niet zo snel aan de orde zijn, niettemin gaat deze beoordeling verder dan alleen het in aanmerking nemen van de jaarlijkse inkomsten uit box 2 en box 1. Naar onze visie zouden diegenen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van opgespaard vermogen bij uitholling van het vermogen door belastingheffing wel eens een buitensporige last kunnen ondervinden. Daarbij speelt een rol dat box 3 niet een vermogensbelasting is, maar een vermogensrendementsheffing. Het loont de moeite om die discussie met de fiscus nog maar eens aan te gaan, dat kan in de vorm van bezwaar tegen de aanslag IB, ook al zou die volgens de eigen aangifte worden of zijn opgelegd. Ook diegene die in het collectief bezwaar zijn opgenomen moeten opletten, daar blijft ruimte voor een individuele beoordeling, vul indien nodig het bezwaar IB 2013 en 2014 aan op dit punt.

    Wet an sich kan niet worden getoetst door de Hoge Raad

    Hoewel de Hoge Raad (HR) de box 3 bepalingen in de wet IB om formele redenen niet terzijde kan stellen (de HR kan de wetgever niet corrigeren) en dus de procedures door de appellanten zijn verloren, is de boodschap van de HR onmiskenbaar. De toepassing van de wet op de belastingplichtige kan desgevraagd wel worden getoetst door de rechter.

    Rendement spaarrekening kan uitgangspunt zijn

    Van een belastingplichtige kan niet worden verlangd, dat hij risicovol belegt in aandelen e.d. op straffe van uitholling van zijn vermogen door de fiscus. Met andere woorden het argument van de minister dat iedereen gemakkelijk 4% rendement kan halen, mits je maar zo slim was en bent om met meer risico te lopen door in aandelen en dergelijke te beleggen, vindt geen steun bij de Hoge Raad. Spaargeld kan best de benchmark zijn en is wel degelijk het uitgangspunt bij de bepaling of de vastgestelde rendementen haalbaar zijn. Dat blijkt in 2013 en 2014 niet het geval geweest te zijn, aldus de HR.

    Veeg uit de pan

    Het oordeel van de HR is een veeg uit de pan voor de Tweede Kamer, Regering en vooral het Ministerie van Financiën. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad ondanks het afwijzen van het beroep toch zijn overwegingen kenbaar maakt. Dat is uitzonderlijk want in de meeste gevallen worden cassatieberoepen vrijwel ongemotiveerd afgewezen. Het oordeel van de Hoge Raad geeft aan dat de overheid de burgerrechten inzake bescherming van eigendom bij belasting heffen serieus moet gaan nemen. Belasting heffen op basis van ficties heeft zijn grenzen, als het op onteigening gaat lijken, is dat een brug te ver. Bij nader bestuderen van het arrest blijkt dat de Hoge Raad aldus de Belastingdienst een huiswerkopdracht meegeeft, die een fikse werklast voor de fiscus kan gaan opleveren.

    Pyrrusoverwinning fiscus

    De Hoge Raad zet dus, hoewel de procedures door de belastingplichtigen zijn verloren, in zijn motivering de deur wijd open voor iedere belastingplichtige om met kans op succes bezwaar te maken en zijn individuele positie ter beoordeling voor te leggen. Dat geldt dus ook voor de bezwaren, die nu lopen over 2013 en 2014, deze arresten (er waren zes proefprocedures in het kader van massaal bezwaar) betekenen dus niet "einde verhaal", ga dus niet akkoord met een afwijzing van de inspecteur op basis van deze arresten. De al gemaakte bezwaren zullen wel moeten worden aangevuld en ook nieuwe bezwaren zullen inhoudelijk goed gemotiveerd moeten zijn. Dat moet op basis van feiten en omstandigheden, die een belastingplichtige zelve aangaan. Het gaat er dus om dat ieder voor zich in zijn geval aantoont dat sprake is van een buitensporig zware last. De vraag is wat onder een "buitensporig zware last" moet worden verstaan, hoe dan ook is dat voor iedereen verschillend. Je zou denken dat dit bij vermogende, dus "rijke" mensen niet zo snel aan de orde is. De Hoge Raad lijkt aan de hand van de inkomsten uit andere bronnen in een bepaald jaar te willen beoordelen.

    Niettemin gaat het mogelijk toch verder dan de jaarlijkse inkomsten. Houd in de gaten dat box 3 geen vermogensbelasting is, maar een rendementsheffing, we belasten dus niet de bron van inkomen maar genormeerd rendement op vermogen. Waar in de Wet IB 1964 alleen inkomen uit vermogen werd belast wordt nu, wet IB 2001, vermogensrendement belast, dus inkomen en waardevermeerdering tezamen. Die tezamen worden op 4% van de waarde van het vermogen op 1 januari van het jaar bepaald.

    Vermogen met een doel, buitensporige last

    Als sprake is van vermogen met een doel, bijvoorbeeld pensioen of lijfrenteuitkeringen of om in levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld na het toegebracht zijn van letsel, dan zou de instandhouding van dit vermogen mede worden bepaald door sterftekansen, (reken)rente en eventuele kostenopslagen om van indexeringen nog maar te zwijgen. Er gloort dan een bekende discussie, …, juist ja ..., de discussie over werknemerspensioenen.

    Vermogensrendement
    Als rendement zou bestaan uit rente en vermogenswinst, dan is de vraag wat er moet gebeuren bij negatief rendement. Zou niet sprake kunnen zijn van een "buitensporig zware last" als het vermogen niet (meer) voldoende is, om het doel te kunnen vervullen waarvoor het vermogen in stand gehouden moet worden.

    Stel nu, dat iemand die geen of onvoldoende pensioen heeft en na zijn werkzaam leven zal moeten leven van zijn vermogen en pakweg 48 jaar is, en hij heeft € 500.000 gespaard o.i.d. Wat zou daar dan van over zijn als hij op 68-jarige leeftijd AOW krijgt. Alsdan zou de combinatie geen rente, inflatie en 1,34 % - 1,68% bij vermogens boven pakweg € 160.000 tot een uitholling leiden van ca 1% per jaar. Bij een vermogen van € 500.000 bedraagt de uitholling € 140.000 door het inmiddels progressieve tarief in box 3, dit alles bij ca 2% inflatie per jaar gedurende de 20 jaar.

    Om deze uitholling op te vangen moet dus 1% van € 500.000 dus € 5.000 extra worden gespaard van het netto-inkomen om de vermogensachteruitgang te stoppen. Let wel, voor die € 5.000 extra sparen moet eerst bruto-inkomen worden verdiend en voorts wordt de besparing ook nog weer extra belast in box 3. Dit alles zou bij een vermogen op 48-jarige leeftijd een cumulatieve "rekenrente" opleveren van 3,34% - 3,68% per jaar en wel het eerste jaar bij € 500.000 ca 3,5% ofwel € 17.500 van het netto- inkomen.

    Dit is maar een ruw rekenvoorbeeld, er zijn complexere denkbaar. Niettemin is duidelijk dat sparen met als doel het vormen of in standhouden van vermogen als appel voor de dorst erg duur is geworden. Het was al duidelijk dat het kapitaaldekking-stelsel van onze werknemerspensioenen achterhaald is, en daar is bovendien nog sprake van uitgestelde belastingheffing. Niet het vermogen (aanspraak) wordt belast, maar de uitkering en voorts is er beperkte heffing van VpB op de rendementen. In vergelijking tot particulier box 3-vermogen rendeert pensioenkapitaal nagenoeg bruto, terwijl bij particulier vermogen de rendementsgrondslag jaarlijks vermindert.

    Hoge Raad … buitensporige last kan betekenen dat box 3 heffing moet worden verminderd

    Als inflatie en box 3 vermogen uithollen, zoals nu al jaren het geval is, dan zou de instandhouding van vermogen met 0% rente na cumulatieve jaarlijkse belastingheffing en inflatie mede de benchmark moeten kunnen zijn voor "buitensporige last".

    Als de Hoge Raad dan ook nog zou meegaan met de afweging dat vermogensopbouw met een vergelijkbare systematiek als bij opbouw van pensioen en lijfrente, noodzakelijk is voor diegenen die niet via arbeid in dienstbetrekking via de werkgever pensioen kunnen opbouwen, dan zijn de rapen voor het Ministerie van Financiën gaar. Het gevaar voor de schatkist dreigt dat de pensioendiscussie en uitstel van AOW en lage bejaardentarieven in de IB, via de toets "buitensporig zware last" ertoe kunnen leiden dat vermogen met als doel "levensonderhoud" voor de oude dag pas kan worden belast als er een normaal noodzakelijk rendement is gehaald met inachtneming van sterftekansen, positie partner en rekenrente. Kortom het vermogen wordt dan tegenover behoefte (te vergelijken met de verplichting van een pensioenuitvoerder of lijfrenteverzekeraar) geplaatst.

    Daarmee zou het Ministerie van Financiën het eigen argument dat verlaging van AOW en uitstel van het bejaardentarief in de IB noodzakelijk is om de vergrijzing betaalbaar te houden als een boomerang terug zien komen.

    * Overigens kennen we nu al voor bepaalde vermogensbestanddelen lagere rendementsgrondslagen. Zo wordt voor regulier verpachte landbouwgrond slechts 50% (recent verhoogd naar 60%) van de waarde in onverpachte staat aangehouden als grondslag, dit omdat bij verpachting sprake is van onder rendement doordat maximale pacht op basis van normen met een wettelijke grondslag is vastgesteld. Deze regeling is in feite in strijd met doel en strekking van de wet IB 2001, omdat niet alleen naar de inkomsten moet worden gekeken maar ook naar de waardestijging van de (verpachte) grond. Anders dan bij vermogen dat liquide wordt gehouden is landbouwgrond sterk in waarde gestegen sinds 2001.

    Teleurstelling niet terecht

    In de media en vooral de kranten overheerst de teleurstelling over de uitkomst van de arresten van de Hoge Raad, dat lijkt mij niet terecht. Voor de creatieve fiscalist valt er bij de aangifte IB heel wat te winnen als het vinkje wordt aangekruist dat over box 3 een expliciet standpunt wordt gevraagd en/of er bezwaar wordt gemaakt en wordt gesteld dat de vermogensuitholling te veel lasten met zich meebrengt. Als de inspecteur negatief oordeelt of zich al te makkelijk vanaf maakt, dan zijn er kansen bij de rechter. Goed motiveren en goed duidelijk maken dat het in dit geval toch "echt" een buitensporige zware last oplevert, is nodig, weliswaar niet makkelijk, maar geenszins een kansloze exercitie. Kortom, wij verwachten veel discussie met de inspecteurs over box 3, dat worden dus flinke vertragingen voor de fiscus bij de aanslagregeling, die zal daar niet blij mee zijn.

    Tot slot

    Enig leedvermaak ten opzichte van het Ministerie van Financiën is niet te onderdrukken, boontje komt om zijn loontje. Slechte onrechtvaardige wetgeving leidt tot weerstand. Dit is het enige verzet dat ouderen, zelfstandigen en diegenen die moeten leven van vermogen kunnen bieden tegen te hoge belastingdruk. De tariefverandering, die onlangs door verandering in de wet IB tot stand is gebracht, was halfhartig en is onvoldoende. Ik heb geen medelijden met de forse werklast die voor de fiscus ontstaat, het Ministerie van Financiën had al lang met iets anders moeten komen.
    "Frappez … frappez" lijkt de enige mogelijkheid te zijn om Den Haag tot verandering van inzicht te brengen. Het is jammer dat het niet anders blijkt te kunnen, deze Hoge Raad uitspraken helpen niettemin.~~

    Lees verder
  • De fiscus aast op afbouwende boeren Door Wijnkamp Keulers op 06-06-2019

    De fiscus meent dat boeren, die structureel verlies lijden, geen ondernemer meer kunnen zijn. Het gevolg daarvan is verplicht staken van de onderneming, het vermogen overbrengen naar box 3 en afrekenen over stille reserves. Dat kan flinke belastingclaims tot gevolgen hebben. Vooral de FOR, stille reserves op woning en ondergrond en soms ook op gebouwen leveren fiscale risico's op.

    Het is de fiscus een doorn in het oog dat velen niet in box 3 belast kunnen worden voor vermogen, terwijl in box 1 of bij BV's er vaak geen winst of inkomen is dat belast kan worden. Het vizier van de fiscus is niet alleen gericht op boeren, maar bijvoorbeeld ook op beleggers die onder de ondernemersvlag opereren of hun beleggingen in een BV of fonds voor gemene rekening hebben ondergebracht.

    Voor boeren met een bedrijfswoning met ondergrond in eigendom en wat eigendomsland of pachtland dreigt een vervelende situatie. Want hoewel de pachtwetgeving een eigen beoordelingskader heeft met betrekking tot "bedrijfsmatig landbouwkundig gebruik" als eis voor de aanwezigheid van pacht, is een verplichte staking en overbrengen naar box 3 een gebeurtenis, die van invloed kan zijn en het einde van de pacht kan betekenen.

    De fiscus is in sommige gevallen wel erg voortvarend met het oordeel dat er geen onderneming meer is. Voor door de fiscus gestelde "box 3 beleggingen" in BV's was de rechter aanzienlijk minder voortvarend. Zolang de BV meer deed dan wat te doen gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer, had de BV nog een onderneming. Zicht op winst moet er wel enigszins zijn maar bleek op zichzelf niet van beslissende betekenis. Werkzaamheden, investeringen en enig zicht op rendement waren voldoende. Wat voor BV's in aanmerking is genomen, kan ook bij gewone ondernemers gelden. Ook daar is de grens dat zodra er meer is dan gewoon vermogensbeheer of alleen maar werkzaamheden zonder vermogen er al snel sprake is van een onderneming.

    Voor diegenen, die vooral land (onder)verpachten en eigenlijk weinig activiteiten meer ontplooien, is het niettemin oppassen geblazen. Enige eigen werkzaamheden, het hebben van nog wat eigen machines en andere activa, zoals enig eigen vee en eigen registratie helpt wel. Soms kan ook het naar voren halen van winst helpen. Kijk eens naar de FOR of wellicht kan het nemen van winst op een woning of ondergrond helpen. Verkoop van land onder voorbehoud van pacht kan ook helpen. De portee is, de fiscus wil inactieve ondernemers laten afrekenen en naar box 3 hebben, ook al om meer erf- en schenkbelasting te kunnen heffen. Wacht niet af tot het te laat is, blijf het voor.

    Lees verder
  • Bestuurders van verenigingen en stichtingen steeds meer met de billen bloot Door Wijnkamp Keulers op 18-04-2019

    In het kader van bestrijding van witwassen dreigen bestuurders van verenigingen, net als ondernemers, te worden vermeld in een register, dat door iedereen is te raadplegen. In dit zogenaamde UBO-register (Ultimate Beneficial Owner) komen bestuurders van sportverenigingen, clubs en maatschappelijke organisaties tezamen met directeuren, bestuurders en aandeelhouders van allerlei ondernemingen terecht.

    Hoe rijk iemand is, die als "owner" op de lijst staat en of hij daadwerkelijk enige echte zeggenschap heeft, is niet uit het openbare register op te maken. Niettemin is de vrees dat criminelen in binnen- en buitenland interesse zullen hebben voor personen, die op die lijst staan.

    Dat bij ondernemers, DGA's, CEO's, CFO's en dergelijken, weerstand is tegen verdere privé-exposure, zal er vermoedelijk niet toe leiden, dat zij hun positie massaal ter beschikking zullen stellen. Bij hen geldt: "it comes with the job". Bij verenigingen en stichtingen echter valt een uittocht van bestuurders wel te vrezen. Vrijwilligers, die veelal onbetaald bestuurs- en commissie werk doen, zullen vermoedelijk afhaken als zij als "owner" in het register worden aangeduid van een vereniging met een paar toen verenigingskapitaal en allerlei onderzoeken naar henzelf, hun familieleden en relaties moeten dulden.

    Want het op de lijst staan, betekent ook dat er meer verplichte meldingen op dit UBO-schap zullen volgen. Banken, de fiscus, politie en justitie zullen naar aanleiding van het "UBO" preventief allerlei onderzoeken doen en vragen gaan stellen. Zo is inmiddels een VOG standaardeis en zal straks bij bestuurders naar verwachting ook, en nog meer dan nu, onderzoek worden gedaan naar hun risicoprofiel en daarmee naar hun privéfinanciën en die van hun relaties. Beantwoord vragen op allerlei formulieren vooral niet halfslachtig, onzorgvuldig of verkeerd, want bij problemen of van elkaar afwijkende antwoorden, zult u aan banken, toezichthouders, FIOD en OM verantwoording moeten afleggen. Bij problemen in uw vereniging of stichting, ook al kunt u er niet veel aan doen, staat u privé borg, denk daar goed om als u in een bestuur stapt

    Wwft, voorkoming van witwassen en terrorisme financiering

    Het gaat om witwasbestrijding en tegengaan van ondermijning. De Europese Unie heeft in een 4e en 5e Europese anti-witwasrichtlijn vastgelegd, dat als er bij een rechtspersoon (dus ook verenigingen en stichting) geen 'gewone' UBO is te vinden (zoals een aandeelhouder van een bv), altijd één bestuurder of leidinggevende als "pseudo-UBO" wordt aangewezen. Er is dan altijd minstens één persoon verantwoordelijk te stellen door justitie en de fiscus. Dat die pseudo-UBO in veel gevallen helemaal geen "owner" is en dus helemaal niet de baas is over bijvoorbeeld het verenigingskapitaal, wordt in de komende wetgeving op zijn minst onvoldoende onderkend, vermoedelijk is het zelfs bewust opgenomen.
    Want Financiën, Justitie en ook de EU maken zich zorgen over verenigingen, die met zwart- en crimineel geld worden gesponsord of waar de horeca wordt gebruikt om geld wit te wassen. Verenigingen leveren bovendien een netwerk op voor uitbreiding van ongewenste activiteiten en zijn dus aantrekkelijk voor criminelen. Door nu gewone leden en vrijwilligers mede-verantwoordelijk te stellen, hoopt Justitie kennelijk dat verenigingen minder gemakkelijk dubieus geld zullen accepteren. De grens tussen eerlijk bestuur en plegen, medeplegen van- en medeplichtigheid aan- strafbare feiten wordt verlegd. Het aanmerken als UBO en opnemen in het register moet vrijwillige bestuurders kennelijk wakker schudden en voorzichtigheid inboezemen.

    *Minister Hoekstra ziet het niet *

    Op Kamervragen, die de gevolgen voor gewone burgers en vrijwilligers aan de orde stelden, antwoordde de minister dat alleen in uitzonderlijke gevallen leidinggevend personeel of andere leidinggevenden verantwoordelijke UBO zouden zijn, het is slechts een "terugval-optie", aldus het ministerie. Die zou alleen aan de orde zijn, als er echt geen echte UBO zou kunnen worden aangesproken en dat zou zeer uitzonderlijk zijn, want er is bij de "overige rechtspersonen" vrijwel altijd wel een aandeelhouder, directeur of feitelijk belanghebbende, die verdachte is. Bovendien moeten FIOD, OM en toezichthouders hun uiterste best hebben gedaan om de echte daders op te sporen en te vervolgen, aldus de minister.

    Nu geldt dit wellicht voor BV's, NV's, Coöperaties en dergelijke, maar niet voor de meeste Nederlandse verenigingen en stichtingen. Bij verenigingen is niet het bestuur, voorzitter, penningmeester of secretaris "de baas", de leden zijn de baas. Het bestuur heeft bovendien vaak maar beperkt zicht op- en zeggenschap over - wat er daadwerkelijk in een club gebeurt, al was het maar omdat het bestuur en de commissies meestal uit vrijwilligers bestaan, die "het" in de avonduren, naast een drukke baan, "erbij" doen. Er wordt in commissies en in teams of afdelingen van alles gedaan zonder dat het bestuur of individuele bestuursleden daarvan en detail en vooraf op de hoogte zijn. Er gebeurt ook van alles buiten het bestuur om door leden onderling en mensen die geen lid zijn, maar wel op de vereniging aanwezig zijn.

    Minister Hoekstra heeft het over het met wortel en tak uitroeien van witwassen, over "trustkantoren", die een dubieuze rol spelen en waarvoor de "pseudo UBO-aanmerking" is opgenomen. Het zou goed zijn, als hij de voorgestelde wetgeving nog eens tegen het licht houdt. Vrijwilligers verdienen een betere behandeling dan opnemen in een UBO, willen we nog mensen overhouden, die bereid zijn hun nek uit te steken als bestuurder of vrijwilliger en dan moet er snel duidelijkheid komen dat UBO-registratie niet aan de orde is voor vrijwilligers in verenigingen en stichtingen.

    Lees verder
  • Teeltpacht niet geregistreerd bij de Grondkamer, dit kan grote gevolgen hebben Door Wijnkamp Keulers op 10-04-2019

    Hoe vaak komt het niet voor dat u grond ter beschikking stelt of krijgt voor de aardappelteelt en u daarbij de afspraken dan nog wel schriftelijk vastlegt, maar niet naar de Grondkamer opstuurt ter registratie binnen de termijn van twee maanden na het aangaan. Dat is toch niet nodig, denkt u.

    Toch wel, de pachtkamer van hof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs in een door ons gevoerde procedure bevestigd dat wanneer een teeltpachtovereenkomst niet binnen de in de wet gestelde termijn van twee maanden na het aangaan is geregistreerd bij de grondkamer de overeenkomst niet wordt aangemerkt als een teeltpachtovereenkomst met de daaraan in de wet verbonden rechten en plichten, maar als een reguliere pachtovereenkomst.

    Registratie dwingend recht en geen afwijking ten nadele van pachter

    Het hof heeft geoordeeld dat in artikel 70f lid 3 Pachtwet (oud) de eis is opgenomen dat binnen twee maanden nadat de teeltpacht is aangegaan, deze geregistreerd dient te worden bij de grondkamer. De eis van registratie binnen twee maanden is gebaseerd op de wet en is van dwingend recht, dat wil zeggen dat niet ten nadele van de pachter van deze bepaling mag worden afgeweken. Overigens, in de nieuwe pachtbepalingen in titel 7.5 BW zijn dezelfde vereisten omtrent de teeltpacht opgenomen.

    Gevolgen reguliere pachtovereenkomst

    Nu de niet, dan wel niet tijdig, geregistreerde teeltpachtovereenkomst als een reguliere pachtovereenkomst wordt aangemerkt, loop je tegen het probleem op dat wanneer de pacht niet wordt voldaan, de pacht niet via de rechter kan worden geïncasseerd èn dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd geldt. De overeenkomst is immers niet door de grondkamer getoetst en dan is sprake van een pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd.

    Er zal dan alsnog een toetsing door de grondkamer moeten plaats vinden, waarbij ook een prijstoetsing conform het pachtprijzenbesluit aan de orde zal zijn. Maar die toetsing door de grondkamer en zo nodig door de pachtkamer ter zake van de uitleg van de overeenkomst, zal het verzuim van tijdige registratie van de teeltpachtovereenkomst niet kunnen helen zodat alsnog sprake zou zijn van een teeltpachtovereenkomst. Het blijft een reguliere pachtovereenkomst.

    Wel kan alsdan worden bepaald dat sprake is van een reguliere pachtovereenkomst met goedkeuring voor een kortere duur.

    Let op
    De bepalingen in titel 7.5 BW inzake pacht zijn voor een belangrijk deel van dwingend recht en van deze dwingendrechtelijke bepalingen mag niet ten nadele van de pachter worden afgeweken.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook