Geen verplicht gebruikelijk loon of fictief loon voor DGA, nieuwe ontwikkelingen
22-09-2017DGA’s, die niets voelen voor het gebruikelijk of fictief loon, kunnen, als zij als ondernemer worden aangemerkt doordat zij zelf een onderneming exploiteren of een zelfstandig beroep uitoefenen, ontkomen aan het door velen onvermijdelijk geachte gebruikelijk of fictief loon. Met de juiste juridische vormgeving en feiten en omstandigheden, die daarmee in overeenstemming zijn, kan als het ware de DGA van werknemer ZZP’er worden. Omdat loonbelasting door de inhoudingsplichtige BV op aangifte moet worden voldaan en naheffingsaanslagen en boetes op de loer liggen, is voorzichtigheid geboden. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs de kaders in een uitspraak aangegeven. Weliswaar liep het voor die DGA verkeerd af, maar het feit dat het “net niet” goed geregeld was en de beoordeling van het Hof met motivering waarom het “net niet” was, geeft bruikbare kaders voor wat je dan wel moet regelen. Het komt erop neer dat als er vanuit een “echte onderneming” of zelfstandig beroep op basis van een overeenkomst diensten (mede) aan de eigen BV’s worden geleverd, die diensten niet als “arbeid” of werkzaamheden kunnen worden gekwalificeerd. In dit geval ging het onder meer fout, omdat de DGA toegaf “onbetaalde arbeid” voor zijn vennootschap te hebben verricht naast diensten. Dat en het feit dat zijn onderneming eigenlijk uit niet meer bestond dan alleen werken voor zijn BV’s deed hem de das om.
Splitsing van eigen diensten en BV’s:
In feite moet naast de BV’s een onderneming worden opgebouwd, zoals een ZZP’er die heeft. Bestendig streven naar meerdere opdrachtgevers naast de BV’s, investeringen, beloning op basis van verrichte diensten, eigen laptop, geen doorbetaling bij ziekte, geen vaste vergoedingen of voorschotten, kortom een overeenkomst, zoals de modelovereenkomsten, die door ZZP’ers gebruikt worden. Daarin moet dan ook worden geregeld dat er diensten voor de vennootschap worden geleverd, dat kan dus ook (interim) management zijn. Nog beter is het om debiteurenrisico te lopen. Een maatschap met de BV geeft al meer risico-invulling, er is niets op tegen om bepaalde (grote) risico’s in een aparte vennootschap buiten de maatschap onder te brengen, bij een maatschap kennen we immers ook “BVO” ofwel buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen.
Makkelijker kunnen we het niet maken:
De hele structuur lijkt op een maatschap zonder BV’s en dat is niet eenvoudig. Niettemin is de prijs dat winst uit onderneming bij de (voormalige) DGA en winst in de BV’s niet meer aan elkaar gekoppeld zijn en niet de winst van de BV grotendeels in belast loon wordt omgezet. Zelf de grootte van de winst bepalen, mits het allemaal zakelijk te verantwoorden is, is vaak aantrekkelijker dan met verplicht loon werken. Het kan … maar het is oppassen geblazen, dat is de conclusie na deze hof uitspraak.
(Hof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:6563)
In de kern komt het rechterlijk oordeel van het Hof Arnhem Leeuwarden erop neer dat als sprake is van een “DGA”- dienstverlener die de diensten op grond van een overeenkomst verricht in het kader van zijn persoonlijke onderneming en geen (al dan niet betaalde) arbeid of werkzaamheden verricht voor zijn aanmerkelijke belang BV of in dit geval een coöperatie, er geen sprake zal kunnen zijn van een gebruikelijk of fictief loon. De feiten en omstandigheden wegen zwaar, papier en realiteit moeten in overeenstemming zijn. Het is een “hoog aan de windse koers” die gemakkelijk fout kan gaan zo bewijst deze zaak, niettemin is het mogelijk. In deze zin onderschrijft deze uitspraak onze eerder kenbaar gemaakte standpunten. Winst uit onderneming gaat voor inkomsten uit arbeid, ook bij loonheffing. Arbeid zonder beloning naast winst uit onderneming werkt niet, de vergoeding wordt dan aan de “arbeid” toegerekend, dus loon en inhoudingsplicht. Een mogelijk standpunt van de fiscus dat de aandelen dan verplicht naar het ondernemingsvermogen gaan en sprake is van realisatie van AB-winst wordt weinig kansrijk geacht, alles uitgaande van goede regie en uitvoering.
Laatste nieuws
- Kennisgroepstandpunt inzake vervroegd aflossen door langstlevende ouder kan een schenking inhouden... betwistbaar Door Wijnkamp Keulers op 25-06-2026Lees verder
Bij de wettelijke verdeling krijgt de langstlevende ouder alle goederen van de nalatenschap. De kinderen krijgen daarvoor een geldvordering op de langstlevende ouder. Die vordering is meestal pas opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende ouder. De wet bepaalt echter ook dat de langstlevende ouder deze schuld eerder mag aflossen.
De Kennisgroep Successiewet heeft recent het standpunt ingenomen dat vervroegde aflossing van zo’n overbedelingsschuld in bepaalde gevallen een schenking kan opleveren. Volgens de kennisgroep moet worden gekeken naar de contante waarde van de schuld. Betaalt de langstlevende ouder méér dan die contante waarde, dan kan volgens de Belastingdienst sprake zijn van een schenking aan het kind.
Waarom denkt de Belastingdienst aan een schenking?
De redenering is economisch. Een schuld, die pas later hoeft te worden betaald, is vandaag minder waard dan hetzelfde bedrag, dat direct opeisbaar is. Als de langstlevende ouder toch het volle bedrag betaalt, geeft hij volgens de kennisgroep een financieringsvoordeel prijs. Daardoor zou de ouder verarmen en het kind worden verrijkt.Vooral bij renteloze of laag rentedragende vorderingen kan deze redenering voor de Belastingdienst aantrekkelijk zijn. De ouder hoeft dan immers gedurende zijn leven geen of weinig rente te betalen. Door eerder af te lossen, raakt hij dat voordeel kwijt.
Waarom is dat juridisch betwistbaar?
Een schenking is niet alleen een economisch voordeel. Voor een gift is vereist, dat iemand een ander ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt. Bovendien moet sprake zijn van bevoordelingsbedoeling. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk beslist dat de wil tot bevoordelen een zelfstandig vereiste is en niet zomaar mag worden afgeleid uit het enkele feit dat iemand zich bewust is van een voordeel.Daar wringt het kennisgroepstandpunt. De langstlevende ouder betaalt namelijk een bestaande civielrechtelijke schuld. Het kind had al een vordering. Door betaling verandert die vordering in geld. Dat is niet vanzelfsprekend een gift, maar kan ook gewoon nakoming van een schuld zijn.
Aflossen kan heel normaal zijn
Zeker als de schuld een samengestelde rente van 6% draagt, is vervroegde aflossing goed te begrijpen. Een schuld met 6% rente-op-rente groeit snel. De langstlevende ouder kan dus een zuiver eigen belang hebben om daarvan af te willen. Hij wil dan niet schenken, maar voorkomen dat de schuld verder oploopt.
Dat argument is extra sterk omdat de Successiewet zelf een bijzondere regeling kent voor bovenmatige rente. Voor zover de rente op een overbedelingsschuld méér bedraagt dan 6% samengesteld, kan dat meerdere fiscaal worden getroffen. Daaruit kan worden afgeleid dat 6% samengesteld in deze context juist als aanvaardbare grens fungeert.De jurisprudentie geeft beide partijen munitie
De Belastingdienst kan wijzen op rechtspraak, waarin niet-opeisbare overbedelingsvorderingen contant worden gewaardeerd. De Hoge Raad heeft in het arrest van 11 juli 1989, BNB 1989/260 aanvaard dat bij uitgestelde opeisbaarheid en rente pas bij overlijden een vruchtgebruik-/waarderingsbenadering relevant kan zijn.
Maar dat is nog niet hetzelfde als zeggen dat iedere betaling boven contante waarde automatisch een schenking is. Daarvoor blijft nodig dat sprake is van bevoordelingswil. Dat volgt juist uit HR 12 juli 2002. Ook HR 5 april 2024 laat zien dat aflossing van een lening of schuldverhouding niet naar haar aard een gift van de hoofdsom vormt; hoogstens kan onder omstandigheden een rentevoordeel afzonderlijk als gift worden beoordeeld.Conclusie
Het kennisgroepstandpunt is praktisch belangrijk, maar juridisch niet onomstreden. Bij renteloze of laag rentedragende overbedelingsschulden zal de Belastingdienst vermoedelijk kritisch kijken naar vervroegde aflossing tegen nominale waarde. De waarderingsjurisprudentie geeft daarvoor enige steun.
Toch blijft een stevig tegenargument mogelijk. De ouder betaalt een bestaande schuld en maakt gebruik van een wettelijke aflossingsmogelijkheid. Zonder afzonderlijke bevoordelingsbedoeling is dat niet zonder meer een schenking. Bij een overbedelingsschuld met 6% samengestelde rente is het standpunt van de belastingplichtige het sterkst: vervroegde aflossing is dan goed verdedigbaar als normale schuldaflossing ter voorkoming van verdere rente-op-rente, niet als vrijgevigheid. - Ingrepen in de AOW raken vooral leeftijdsgroep 67 jaar en jonger, strijd met EVRM? Door Wijnkamp Keulers op 16-01-2026Lees verder
De AOW is het fundament onder het Nederlandse pensioenstelsel: breed gedragen, verplicht gefinancierde basis (eerste pijler) voor een sociaal minimum. Juist daarom wringt het als aan dat fundament wordt gesleuteld, want de tweede en derde pijler zijn historisch op de AOW ingeregeld. De AOW-leeftijd is verhoogd en de financiering schuift steeds verder naar de algemene middelen.
Nu circuleren plannen om AOW-gerechtigden (weer) AOW-premie te laten betalen. In veel gevallen betekent dat feitelijk 17,85% extra heffing in de eerste schijf inkomstenbelasting. In beleidsdiscussies wordt dit gekoppeld aan ca 6,9 mld extra belastingopbrengst, maar ook aan forse inkomenseffecten: tot grofweg 15% minder netto-inkomen voor een brede groep 67-plussers met een belastbaar inkomen tot circa € 38.000.
Het frame luidt vaak: "rijke ouderen moeten solidair zijn met armere ouderen en jongeren, anders wordt de AOW onbetaalbaar". Daarbij verdwijnen twee kernpunten uit beeld: (i) velen hebben gedurende het werkzame leven al veel premie betaald (vaak totaal meer dan € 200.000) en (ii) de versobering is al ingezet via later AOW en later bejaardentarief, wat in de praktijk (vaak) meer dan € 40.000 nadeel kan opleveren.Wat is er al veranderd: latere AOW én later bejaardentarief
Later AOW (67 en drie maanden in plaats van 65) betekent een langere overbrugging met loon, (tijdelijk) pensioen, eigen vermogen of een uitkering. Daar bovenop komt het tarief-effect: het bejaardentarief in de eerste schijf schuift circa 2,25 jaar op. Waar het tarief voor 65-plussers 17,85% was (tegenover 35,75% voor niet-AOW'ers), ontbreekt dat voordeel langer. Het gevolg is dubbelop: later AOW én later lagere belastingdruk, juist in een levensfase waarin bijsturen lastig is. Voor iemand die het schijf-1-inkomen "volmaakt" (tot circa € 38.000 belastbaar inkomen) kan zo van 65-67,25 jaar meer dan € 40.000 netto nadeel ontstaan.Waarom juist de groep werkenden uit de periode 1985-2027 disproportioneel wordt geraakt
Met AOW-premie wordt geen kapitaal opgebouwd, maar worden uitkeringen gefinancierd. Dat omslagstelsel kan worden aangepast, maar extra lasten mogen niet onevenredig bij een afgebakende groep landen. De werkenden, die in de periode 1985-2027 grofweg 42 jaar premie (de "volle mep") hebben betaald en nu dicht tegen pensionering aan zitten, hebben nauwelijks ruimte om beleidsschokken nog op te vangen. Drie mechanismen versterken dat:
1. AOW-franchise in de tweede pijler
Door de franchise bouw je over een salarisdeel geen aanvullend pensioen (pijler 2) op, omdat AOW wordt verondersteld. Als AOW later ingaat of netto lager uitpakt, blijkt die franchise achteraf te hoog en is extra opbouw feitelijk onmogelijk.
2. Versobering van de tweede pijler
De stap van eindloon naar middelloon en naar premie-gedreven regelingen (na pensioenherziening) raakt vooral wie laat in de loopbaan zit: minder tijd om tekorten te repareren.
3. Beperkingen in de derde pijler en druk op buffers
Bijstorten in pijler 3 is op oudere leeftijd beperkt en duur; tegelijk is leven van vermogen (box 3) fiscaal lastiger geworden. Dat verkleint de buffer om AOW-schokken op te vangen.Financiële illustratie: stapeling van lasten
• Premielast in het werkzame leven: vaak al meer dan € 200.000 AOW-premie betaald.
• Nadeel door latere AOW en later bejaardentarief: bij circa € 38.000 belastbaar box 1-inkomen kan het netto nadeel meer dan € 40.000 bedragen door het circa 2,25 jaar later ingaan.
• Voorgenomen extra last in schijf 1: 17,85% extra heffing met in het debat genoemde inkomenseffecten van grofweg 15% lager netto-inkomen (levenslang) voor de groep tot circa € 38.000.Juridische toets: Strijdig met art. 1 Eerste Protocol en art. 14 EVRM?
Het EVRM beschermt geen recht op ongewijzigd blijven van het sociaalzekerheidsstelsel. Wel kan art. 1 Eerste Protocol relevant zijn bij inbreuk op (voldoende vaststaande) aanspraken: bestaat er een fair balance tussen algemeen belang (houdbaarheid overheidsfinanciën) en de individuele last? De beoordelingsmarge voor de Staat is ruim, maar niet onbeperkt; stapeling kan een buitensporige last voor een afgebakende groep opleveren.Art. 14 EVRM komt in beeld als de uitwerking vooral één leeftijdsgroep treft zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging. De kern bij de "lost generation" is het gebrek aan anticipatiemogelijkheden: franchise-architectuur, versobering van pijler 2 en 3 en een korte resterende opbouwtijd. Zonder reële compensatie of overgangsrecht kan proportionaliteit onder druk staan.
Zelfs als de financieringsopgave reëel is, volgt daaruit niet automatisch dat een generieke heffing bij AOW’ers in de eerste schijf de juiste route is. Beleid dat grotendeels neerkomt op stapeling bij een cohort dat nauwelijks kan reageren, vraagt om een scherpere onderbouwing, heldere afbakening (wie draagt werkelijk bij?) en - waar nodig - overgangsrecht of compensatie. Anders wordt "solidariteit" ervaren als herverdeling zonder perspectief.
Houdbaarheid, … geen vrijbrief voor stapeling zonder compensatie
In 2025 waren de premie-inkomsten AOW € 30,3 mld en de AOW-uitgaven circa € 52,8 mld. Er moest dus ongeveer € 22 mld uit de algemene middelen worden bijgepast. In 2000 waren premie-inkomsten en uitgaven AOW in evenwicht op ca € 20 mld, belastingopbrengsten waren toen overigens ook veel lager, ca ƒ 207 mld (ca € 94 mld, gecorrigeerd met AOW-premie, dus ca € 104 mld. Het loopt dus wel fors op, niettemin, in 2025 bij een een totale belastingopbrengst van € 277 mld (totale inkomsten Rijksoverheid ca 425 mld) is € 22 mld (5%) best te dragen. Extra premieheffing moet 6,9 mld gaan opbrengen te halen bij ouderen die niet kunnen anticiperen en 15% netto in inkomen er op achteruit gaan. Er zal dus moeten worden gecompenseerd, dus wat lost het nu eigenlijk op?Het frame dat rijke ouderen zich sociaal moeten opstellen en daarom moeten "meebetalen" is ongenuanceerd, velen hebben al dik betaald en betalen ook nu via de tweede en derde schijf IB (pensioen, box 3 en hypotheekvrije woning) mee aan de algemene middelen. Als de AOW netto met 15% wordt verminderd, dan zal de AOW bruto met dit bedrag moeten worden verhoogd voor de box 1 eerste schijf inkomens. In feite kan binnen EVRM, belastingverhoging bij ouderen alleen plaatsvinden op tweede schijf IB, dus pijler 2 en 3 inkomen. Dat zal de bereidheid bij jongeren om mee te doen met collectieve regelingen voor werknemer pensioenen en lijfrenten producten niet bevorderen, want waarom sparen als je straks minder krijgt en meer betaalt.
- Pacht in beweging, box 3 onder spanning: wat betekent dit voor de particuliere verpachter van landbouwgrond? Door Wijnkamp Keulers op 24-12-2025Lees verder
De regelgeving rondom pacht staat op een kruispunt, niet alleen door voorgestelde nieuwe pachtwetgeving, ook de wet IB en vooral de nieuwe box 3 wetgeving geven zorgen over nettorendement. Lage rendementen door fiscale afroming betekent uiteindelijk ook meer lasten voor de pachter. Er ligt en consultatie-wetsvoorstel voor een ingrijpende herziening van titel 7.5 BW (pacht), met nieuwe pachtvormen en een andere balans tussen bescherming en contractsvrijheid. Daarnaast is box 3 de afgelopen jaren veranderd in een "tijdelijk" stelsel met hoge forfaits én sinds 2025/2026 een tegenbewijsroute, waarbij het werkelijk rendement (inclusief waardeveranderingen/"vermogensaanwas") bepalend kan worden als dat lager uitpakt dan de ca 6% forfaitaire rendementen. Van belang is vooral de waarde van de verpachte grond. Mag een DCF-waarde worden gehanteerd of moet de normwaarde in het economisch verkeer van de Belastingdienst worden gehanteerd? Bij de voorgestelde 24-jarige pacht speelt bovendien dat, net zoals bij erfpacht, de waarde voor de verpachter toeneemt naar mate de pachtermijn verloopt, een soort aangroei van de verpachte eigendom als het ware. Zowel het nieuwe pachtrecht als de wet IB inzake box 3 na 2028 zijn nog maar wetsvoorstellen. Niettemin is van 2024 tot 2026 een hogere forfaitaire belastingdruk door vermogensaanwasheffing al realiteit, alle reden is goed te kijken naar een andere waarde dan de normen van de belastingdienst. Belastingdienst
Voor verpachters van landbouwgrond in box 3 is er een dubbele dynamiek: (i) de pachtvorm beïnvloedt de waarde "in verpachte staat" en (ii) box 3 belast (voorlopig) niet de feitelijke pachtopbrengst, maar een forfaitair rendement dat bij "overige bezittingen" structureel hoog is.
Het probleem in één zin: lage pachtopbrengst, hoog forfait
Landbouwgrond in box 3 valt doorgaans onder "beleggingen en andere bezittingen / overige bezittingen". De forfaitaire rendementspercentages voor deze categorie zijn hoog:
• 2024: 6,04%
• 2025: 5,88%
• 2026: 6,00%
Het box-3-tarief is 36% (o.a. 2026). Dat betekent grofweg een effectieve heffing van circa 2,16% van de box-3-grondslag (6,00% × 36%) per jaar in 2026. Bij € 1.000.000 box-3-waarde is dat ongeveer € 21.600 belasting, nog los van heffingsvrij vermogen en de totale vermogensmix.Voor veel reguliere pachtsituaties ligt het netto "cashrendement" (pacht minus lasten) daar duidelijk onder. Vandaar de box-3-frustratie, die in vakliteratuur de afgelopen tijd breed wordt gesignaleerd, óók specifiek voor landbouwgrond.
Waardering van verpachte gronden: normering als hulpmiddel, feiten blijven leidend
De Belastingdienst publiceert jaarlijks een handleiding "Waardering van verpachte gronden in box 3" met normen en uitgangspunten (o.a. voor grasland/akkerland) en tabellen om praktisch te rekenen. Belangrijk is de nuance, die vaak wordt gemist: die normering is bedoeld als praktisch hulpmiddel, maar als u het niet eens bent met de uitkomst, stelt de Belastingdienst de waarde vast op basis van werkelijke feiten en omstandigheden.Die "waardering in verpachte staat" wordt in de praktijk sterk beïnvloed door:
• looptijd en beëindigingszekerheid;
• mate van pachtbescherming/continuatie;
• (on)mogelijkheid van vrije prijsvorming;
• contractuele bepalingen over gebruik, onderhoud, duurzaamheidseisen, etc.Juist dáár raakt de voorgenomen pachtherziening box 3: andere rechten en termijnen kunnen tot andere marktwaardes (en dus box-3-grondslagen) leiden.
Tegenbewijsregeling: werkelijk rendement = inkomsten + waardeverandering ("vermogensaanwas")
Sinds de tegenbewijsroute geldt in de kern: als uw werkelijk rendement lager is dan het forfait, dan mag (en moet) het lagere werkelijk rendement worden gevolgd.
De Belastingdienst definieert werkelijk rendement expliciet als:
• alle inkomsten uit vermogen (bij landbouwgrond: vooral pacht), én
• alle waardeveranderingen van bezittingen in het kalenderjaar (waardestijging of waardedaling).Dat tweede onderdeel is cruciaal: dit is precies de "vermogensaanwas-component". Een waardestijging van grond in een jaar telt dus mee in het werkelijk rendement, net als een waardedaling.
Daar zitten nog twee praktische "haken en ogen" aan:
- De Belastingdienst rekent het werkelijk rendement over het totale box-3-vermogen (winsten en verliezen worden binnen het jaar gesaldeerd).
- U gaat nooit meer belasting betalen dan onder het forfait is berekend: tegenbewijs werkt alleen neerwaarts.Voor verpachters betekent dit: de tegenbewijsroute helpt vooral in jaren waarin (i) de pachtopbrengst laag is én (ii) de waardestijging van grond beperkt is (of er zelfs waardedaling is), én (iii) de rest van het box-3-vermogen het totaal niet omhoog trekt.
De pachtwet in consultatie: wat verandert er civielrechtelijk?
De consultatie-MvT schetst een integrale herziening met een nieuwe "hoofdstructuur" aan pachtvormen.Kernpunten, die voor de waardering (en dus box 3) relevant zijn:
Standaardpacht
• looptijd minimaal 24 jaar (los land én opstallen)
• geen verlenging van rechtswege / geen continuatierecht
• vrije aanvangsprijs; wel jaarlijkse indexatie via een veranderpercentage (AMvB)Kortlopende pacht (vervangt geliberaliseerde pacht)
• maximaal 12 jaar
• beoogt kortlopende contracten te ontmoedigen en koppelt een (progressief) pachtprijsstelsel aan pachtnormenContinuatiepacht
• blijft mogelijk als "aangepaste voortzetting" van huidige reguliere pacht; met continuatie- en andere rechten, maar met vrije marktprijs i.p.v. pachtnormenTeeltpacht
• blijft: 1–2 jaar, geen ontleende rechten, registratie bij grondkamer; vrije prijsNatuurpacht
• minimaal 6 jaar; (in de MvT) koppeling met pachtnormen als hoogst toelaatbare prijsOvergangsrecht
• lopende reguliere pachtovereenkomsten blijven grotendeels bestaan (o.a. continuatie/indeplaatsstelling; pachtprijs blijft begrensd)De fiscale "vertaling" voor box-3-verpachters: waar moet u op letten?
Grondslag (waarde in verpachte staat) kan verschuiven
Een stelsel met (i) een 24-jarige standaardpacht zonder continuatierecht en (ii) meer vrije prijsvorming zal in veel gevallen de marktwaardering anders maken dan bij klassieke reguliere pacht met sterke continuatie. Dat kan betekenen: minder "pachtdruk-korting" en dus een hogere box-3-waarde (afhankelijk van contract en markt).Pachtopbrengst kan stijgen, maar box 3 blijft (tot 2028) forfaitair
Als de pachtprijs zich meer als marktprijs kan vormen, kan het cashrendement stijgen. Maar het forfait voor "overige bezittingen" blijft rond de 6% schommelen.Het risico is dus: hogere box-3-waarde én (nog steeds) hoog forfait, terwijl de feitelijke pachtprijs niet altijd mee-ademt met de 6%-systematiek.
1. Tegenbewijs: vermogensaanwas is een tweesnijdend zwaard
Bij landbouwgrond is juist de waardebeweging vaak substantieel. Door de definitie van werkelijk rendement (inkomsten + waardeverandering) kan waardestijging in een jaar het werkelijk rendement "op papier" omhoog trekken.
Tegelijk: tegenbewijs werkt alleen neerwaarts (u betaalt nooit méér dan forfait).
Praktisch betekent dat: u maakt de exercitie vooral als u verwacht dat uw totale werkelijk rendement lager is dan het forfait (bijvoorbeeld bij beperkte waardestijging en laag cashrendement).Vooruitblik 2028: van forfait naar werkelijk rendement (en hoe zit het met vermogensaanwas?)
Het kabinet streeft naar invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028.
In de advisering is een belangrijk onderscheid uitgewerkt voor onroerende zaken:
• direct rendement (zoals huur/pacht of voordeel eigen gebruik) is jaarlijks belast;
• indirect rendement (waardeontwikkeling) komt tot uitdrukking als vermogenswinst en wordt belast bij vervreemding.Dat is relevant voor landbouwgrond: een systeem dat waardeontwikkeling vooral bij verkoop belast, voelt in liquiditeitszin anders dan een jaarlijkse "aanwas"-benadering. Tegelijk vraagt het (zeker bij bedrijfsopvolging, ruilverkaveling, onteigeningsdossiers) om scherpere dossiervorming rond verkrijgingsprijs, verbeteringen en transactiemomenten.
Samenvattend (en praktisch)
• Hoge forfaits (rond 6%) maken verpachte landbouwgrond in box 3 structureel zwaar belast.
• De tegenbewijsregeling rekent met inkomsten + waardeveranderingen: dat is de "vermogensaanwas"-component in het huidige tussensysteem.
• De consultatie-pachtwet introduceert o.a. standaardpacht (24 jaar, vrije aanvangsprijs, geen continuatie) en herijkt kortlopende/continuatie- en bijzondere pachtvormen.
• De box-3-waarde van grond kan daardoor (per contracttype) gaan schuiven; verwacht discussie over wat "verpachte staat" waard is onder de nieuwe regime-mix.
• Vanaf 2028 is de inzet een werkelijk-rendementstelsel, waarbij bij onroerende zaken het indirecte rendement (waardeontwikkeling) als vermogenswinst bij verkoop wordt belastTot slot
De wetgeving is in beweging. Forfaitair rendement van pakweg 6% tegen 36% belast leidt tot vrijwel 100% belasten van de directe inkomsten, zijnde pacht als die tenminste op zo’n 2% van de WEVAB blijft. Dan blijft alleen de vermogenswinst over, die ook belast wordt. Dat lijkt toch op 100% belastingdruk. Wij zijn benieuwd of een dergelijke uitkomst de toets van artikel 1, artikel 8 en artikel 14 van EVRM kan doorstaan, Zouden we opnieuw naar onverbindendheid koersen of keert de wetgever ten halve? - Gevolgen van schijnzelfstandigheid, bruto-loon is niet zonder meer gelijk aan loon SV, let op pensioenpremies en ten onrechte afgetrokken BTW Door Wijnkamp Keulers op 22-12-2025Lees verder
Door mr W.P. Keulers (belastingadviseur NOB tevens advocaat-belastingkundige)
Inleiding
Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2339), waarin het hof een billijk brutoloon van € 14,58 per uur vaststelde voor een relatie, die eerder als zzp-opdracht werd gefactureerd, heeft verstrekkende arbeidsrechtelijke en fiscale gevolgen voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Dit artikel vat de kerngevolgen samen, bespreekt de risico’s op btw-correcties en brutering van tarief en behandelt de mogelijkheid van een terugvorderings-claim door de werkgever.Feiten en rechtsgevolg kort
Het hof kwalificeerde de arbeidsrelatie met terugwerkende kracht als arbeidsovereenkomst en stelde wegens het ontbreken van een overeengekomen loon een billijk brutoloon vast van € 14,58 per uur. Herkwalificatie werkt terug in de tijd en brengt met zich mee dat loonheffing, premies en eventueel pensioenpremies vanaf die datum verschuldigd zijn. Verdedigbaar is dat het brutoloon, de maatstaf van heffing voor LH en andere inhoudingen en werkgeverslasten, dit door het Hof vastgestelde loon is, zeker is dat echter niet. Al eerder heeft de belastingrechter een kwalificatie door de civiele rechter van "loon" niet gevolgd voor de loonheffing (LH).
Fiscale risico’s bij herkwalificatie
Btw-risico: Facturering met btw door een zzp'er gaat in geval van herkwalificatie ten onrechte uit van zelfstandig ondernemerschap. Als de prestatie in feite loon uit arbeid betreft, is geen btw verschuldigd en is de door de opdrachtgever afgetrokken voorbelasting onterecht. Dit kan leiden tot een btw-correctie en naheffingsaanslag voor de opdrachtgever, met rente en mogelijk boete.
Brutering van tarief: Als factuurbedragen als netto-uitkeringen worden aangemerkt, kan de Belastingdienst eisen dat die nettobedragen worden omgezet naar een bruto-lonenmaatstaf (brutering). Dat betekent dat het gefactureerde uur-bedrag effectief verhoogd wordt met het benodigde bruteringselement om na inhoudingen het veronderstelde nettobedrag te bereiken, waardoor de opdrachtgever achteraf loonheffing en werkgeverspremies over een hoger bedrag moet afdragen.
Premies werknemersverzekeringen en Zvw: Over het gebruteerde loon zijn premies werknemersverzekeringen (werkgever) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd, wat de totale last voor de opdrachtgever verder verhoogt.
Pensioenverplichting: Indien op grond van toepasselijke cao of bedrijfstakregels pensioenplicht geldt, kunnen met terugwerkende kracht pensioenpremies verschuldigd zijn. Dit betreft zowel werkgevers- als werknemersdeel en kan substantieel zijn bij langere perioden.Vordering van de werkgever op (ex-)opdrachtnemer
Het vorenstaande kan leiden tot een verschil tussen betaalde factuur en netto-loon met terugvorderings- en naheffingsrisico voor de opdrachtgever/werkgever.Als betalingen an sich onverschuldigd blijken te zijn, omdat zij meer bedragen dan het nettoloon dat op basis van de arbeidsovereenkomst had moeten worden genoten, bestaat een juridische grondslag voor een vordering op basis van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW).
De werkgever moet aantonen dat het meerdere daadwerkelijk onverschuldigd was, dat er geen rechtsvermoeden, tegenprestatie of specifieke afspraak bestond, die het meerdere rechtvaardigt, en rekening houden met redelijkheid en billijkheid.
De werknemer kan een beroep doen op vertrouwensbescherming of verrekening stellen, en de rechter kan terugvordering beperken op grond van redelijkheid. Verjaringstermijnen en bewijsproblemen spelen een rol.
Voordat een werkgever tot vordering overgaat, is beoordeling van individuele betalingsafspraken, schriftelijke bewijsstukken en mogelijke cao/relevante pensioen- of vergoedingsafspraken noodzakelijk.Praktische aanbevelingen
Documenteer en toets met terugwerkende kracht de aard van de relatie en gemaakte afspraken.
Voer een fiscale en arbeidsrechtelijke risicoanalyse uit voor periodes die mogelijk geherkwalificeerd worden.
Overweeg (tijdig) overleg met een fiscalist en arbeidsrecht-advocaat vóór het doen van terugvorderingsacties.
Houd rekening met mogelijke btw-correcties en bereid je financieel voor op naheffingen inclusief rente en boetes.
Controleer cao-toepassing en pensioenplicht; bereken provisies voor eventuele premietekorten.Conclusie
Herkwalificatie met vaststelling van een billijk brutoloon, zoals in het hiervoor genoemde arrest, leidt direct tot fiscale en arbeidsrechtelijke consequenties: btw-correcties en naheffingen, risico op brutering van gefactureerde tarieven, afdrachten van premies en mogelijk terugvorderingsrechten van de werkgever. Zorgvuldige feitelijke en juridische analyse en tijdige professionalisering van afwikkeling en communicatie zijn essentieel om financiële verrassingen en langdurige procedures te beperken. Voor de accountant en belastingadviseur geldt dat bij het samenstellen van de jaarrekening de LH en afdrachtverplichtingen juist en volledig in het fiscaal resultaat moeten zijn verantwoord en op de balans moeten worden opgenomen, controle van de afdrachten bij (schijn)zelfstandigheid is dus vereist. - Is de accountant, die de aangifte doet, de beste adviseur, omdat hij u kent? Door Wijnkamp Keulers op 16-12-2025Lees verder
De accountant of belastingadviseurs, die de jaarrekeningen samenstellen en de aangiften doen, kunnen vaak niet al te scherp voor u adviseren, omdat ze afspraken hebben met de Belastingdienst en met belangen van andere cliënten rekening moeten houden. Wij vinden dat belastingheffing gebaseerd moet zijn op de wet en uitvoeringsregelingen en niet alleen op standpunten, die de Belastingdienst inneemt. Wij vinden dat u meerdere keuzes moet hebben, binnen het kader van geldende regelgeving, dat spreekt voor zich. Daarom is het inwinnen van high end advies bij een onafhankelijke NOB-belastingadviseur of in geval van dreigende problemen bij een fiscaal advocaat beter dan bij een accountant of adviseur, die spelregels heeft afgesproken met de Belastingdienst. Dit zogenaamde horizontale toezicht (HT) belemmert nogal eens scherp adviseren, waardoor de individuele cliënt niet alle opties gepresenteerd krijgt. Aan u de keuze, daar staan wij voor, niet beperking van keuzes door Horizontaal Toezicht.
Second opinion of onafhankelijke first voor DGA's, vermogenden en MKB-ondernemers - naast uw eigen accountant of boekhouder
Werkt uw accountant, boekhouder of belastingadviseur onder horizontaal toezicht (HT)? Dat kan uitstekend passen bij reguliere aangiften. Maar zodra er iets bijzonders speelt, is een extra stap vaak de beste investering: eerst onafhankelijk advies, daarna pas de aangifte.
Waarom?
Horizontaal toezicht is sterk in proces, voorspelbaarheid en afstemming. Bij complexe keuzes - waar positie, timing en dossieropbouw bepalend zijn - kan een HT-omgeving minder ruimte geven voor scherpere advisering. Niet omdat de HT-adviseur niet deskundig zou kunnen zijn, maar omdat het systeem is ingericht op rust en beheersing. De Belastingdienst heeft er alle belang bij dat hun standpunten op controversiële gebieden worden gevolgd. Vooral bij box 3 en het forfaitair rendement is gebleken dat Belastingdienst en zelfs wetgever te ver kunnen gaan en teveel belasting heffen. De accountant en adviseur, die convenanten (HT) hebben gesloten met de Belastingdienst, waarin zij voor minimaal vijf jaar vastzitten aan de belofte om niet zonder melding scherp te adviseren, vertonen in het belang van de kantoor-rust en belang bij andere cliënten nogal risicomijdend gedrag. Wilt u high end alternatieve keuzes, die verdedigbaar zijn binnen de kaders van de wet en met risicovermelding, dan is het beter om de strategie en vastlegging eerst onafhankelijk te laten uitwerken door een adviseur, die niet gebonden is aan afspraken met de Belastingdienst. De eigen accountant kan de aangifte doen op basis van vaststaande feiten, die wij in hoedanigheid van uw adviseur, tot stand hebben gebracht. De accountant voert uit wat een andere NOB of NOVA-adviseur binnen dezelfde beroepsregels heeft opgesteld. Hij draagt daar dus geen beroepsverantwoordelijkheid voor. Is de aangifte zonder vooraf overleg door de accountant niet mogelijk (komt niet veel voor), dan kunnen wij onder onze BECON-regeling de vereiste aangifte doen onder NOB-beroepsregels.Voor wie en wanneer?
Wij worden meestal ingeschakeld door DGA's, vermogenden en MKB-ondernemers bij dossiers met materiële belangen, eenmalige transacties of verhoogd risico, zoals:
- Vermogensplanning en overdracht aan kinderen (schenken-erven, bedrijfsopvolging)
- Aan- en verkoop van aandelen (SPA, earn-out, managementparticipatie)
- Herstructureringen (inbreng, splitsing, fusie, activa/passiva)
- Box-keuzes en heretikettering: box 3 <-> box 2/Vpb <-> box 1
- Gebruikelijk loon en samenwerkingsstructuren (o.a. stille maatschap)
- ZZP-kwalificatie en risico's voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer
- Bij tegengestelde belangen tussen een of meerdere vennoten en de Vof
- Bij echtscheidingen voor één van de echtelieden
- Bij high end juridisch fiscale aangelegenheden, zoals onteigening of omgevingsrecht issues
- Tegenrapportages op rapporten van rechtsbankdeskundigen.Onze aanpak
Praktisch en uitvoerbaar in de aangiftepraktijk:
1. Onafhankelijke analyse en positionering
Routes, randvoorwaarden, risico's en bewijspositie. Wat moet er feitelijk kloppen vóór datum X, en welke stukken/vastlegging zijn nodig (incl. waardering waar relevant).
2. U maakt een expliciete keuze
Rust en zekerheid versus meer fiscale optimalisatie met beheerst risico.
3. Uw eigen adviseur verwerkt dit in de aangifte
Efficiënt, consistent en op basis van een helder dossier - HT of niet. Back up capaciteit voor het doen van een niet-HT- aangifte.Wat levert het op?
Helderheid voordat keuzes vastklikken in de aangifte
Een concreet dossier- en stappenplan dat uitvoerbaar is in de praktijk
Minder kans dat uw HT-adviseur in een knelpositie komt
Meer grip op risico's, timing en uitkomst
Check op een optimale belastingdruk, conform wet en andere regelgeving, maar niet teveel.Wij leveren second opinions en positioneringsadvies vanuit NOB- en NOVA-discipline. Speelt er in 2025/2026 iets bijzonders? Neem contact op voor een korte intake.




