Header achtergrond
Header achtergrond

Lunch door werkgever niet altijd belast loon

04-03-2016

Vanaf 2016 is loonbegrip zo uitgebreid, dat vrijwel alles dat aan een werknemer wordt verstrekt tot het loon behoort en, voor zover het niet onder de WerkKosten Regeling (WKR) is vrijgesteld, in de eindloonheffing wordt meegenomen. Toch zijn er nog wel enige gaatjes. Als de werkgever een lunch organiseert tijdens een bijeenkomst, waar het zakelijk karakter meer dan “bijkomstig” is, dan is het voordeel uit de lunch niet belast. Een gewone lunch met alleen werknemers is niet genoeg, het moet echt gaan om een vergadering of bijeenkomst waarbij een lunch wordt geserveerd. Het lijkt erop dat een agenda en een verslag aan te raden is.

Laatste nieuws

  • Zet maar op de BV, kan vaker dan de fiscus wil …. Door Wijnkamp Keulers op 07-04-2020

    Kosten, die een DGA moet maken voor een advocaat of een belastingadviseur, worden nogal eens "op de BV gezet". Vooral bij gecompliceerde echtscheidingen, erfenis kwesties en fiscale geschillen ontstaat er dan discussie met de Belastingdienst over zowel de BTW-aftrek als de aftrek van de kosten voor de BV. Onlangs heeft de Hoge Raad de Belastingdienst in het ongelijk gesteld en BTW op kosten van een advocaat, die een DGA vanwege een strafrechtelijk vergrijp bijstond en die aan de BV in rekening waren gebracht, in aftrek toegelaten. Als de BV een naar objectieve maatstaven bezien zakelijk belang heeft, dan maakt het niet uit of de DGA gebaat is of niet, het belang van de BV telt. Dit arrest werkt niet alleen voor BTW aftrek, maar betekent ook dat dit soort kosten van de winst van de BV aftrekbaar kunnen zijn en bij betaling niet leiden tot verkapt dividend aan de DGA.

    Eerder had het Hof Arnhem geoordeeld, dat uit het dossier niet was gebleken dat de BV betrokken was bij de strafzaak tegen de DGA. Daarom werd aftrek van BTW op de facturen niet toegestaan. In deze procedure kwamen VpB en IB niet aan de orde, voor de hand ligt niettemin dat betaling van de facturen aangemerkt zou worden als bevoordeling van de DGA (verkapt dividend) en de kosten niet in aftrek zouden komen van de winst van de BV.

    De Hoge Raad was het niet met het Hof eens. Duidelijk was dat de BV geen opdrachten meer kreeg door de besmeurde reputatie van de DGA, de BV had er belang bij dat de naam van de DGA werd gezuiverd, zodat er weer omzet zou komen. Die stelling had het Hof niet zomaar mogen passeren, de zaak werd naar een ander Hof verwezen voor nader onderzoek.

    Voor meer kosten, waarbij de BV een objectief zakelijk belang heeft, gloort dus aftrek. Te denken valt aan kosten, die moeten worden gemaakt in het kader van verdeling van ondernemingsvermogens bij een erfenis of echtscheiding. Ook kosten, die zijn toe te rekenen aan het einde van een dienstverband van een van de echtgenoten bij een echtscheiding, hebben voor de BV een objectief zakelijk belang en zo valt er wel meer toe te rekenen. De Hoge Raad zet de deur open, mits vanuit de positie van de BV de zakelijkheid maar onderbouwd kan worden.

    Denk daar goed over na en zorg dat opdrachten en facturering duidelijk zijn en de vlag de lading dekt, dan is er meer mogelijk dan de fiscus toestond.

    HR 20 maart 2020, 18/01184, ECLI:NL:HR:2020:481

    Lees verder
  • Maatschappen, firma's, huwelijksvermogen en erfenissen, … lastige afwikkeling bij ondernemers Door Wijnkamp Keulers op 25-02-2020

    Voor ondernemers, die samen met een of meer maten in een maatschap of firma samenwerken, is het nogal eens lastig te onderkennen dat deze rechtsvormen geen rechtspersonen zijn en niet belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Uiteindelijk moeten alle winsten en vermogensaanspraken worden teruggebracht tot het niveau van de individuele vennoot. Bij echtscheiding en overlijden blijkt dat de mede-eigendom in vermogensbestanddelen van firma, maatschap, huwelijksvermogen en/of een aandeel in een nalatenschap door van elkaar afwijkende regelingen tot onoverzichtelijkheid en onverwachte claims kunnen leiden. Vooral als een onderneming feitelijk niet blijkt te worden voortgezet, moeten er wel voldoende liquide middelen zijn om de belasting te kunnen betalen. Houd daar rekening mee, geldgebrek is bij een toch al ingewikkelde afwikkeling van maatschappen, firma's, erfenissen en (voormalige) huwelijksgemeenschappen sfeer bedervend.

    Einde maatschap en firma

    Volgens de wet eindigt een maatschap niet alleen bij het bereiken van het overeengekomen doel of verstreken termijn als dit is overeengekomen, maar bij overlijden van een vennoot, bij opzegging en bij faillissement of onder curatele stelling van een vennoot. Meestal zijn in de firma of maatschapsovereenkomst allerlei regeling overeengekomen met betrekking tot recht op voortzetting, recht op overname van rechten en plichten en afwikkeling. Bij zogenaamde "gewichtige redenen" kan de rechter worden gevraagd de maatschap of firma te ontbinden.

    Verplichtingen duren voort

    Tijdens het bestaan van de maatschap of firma moeten de vennoten behoorlijk met elkaar omgaan, dus in redelijkheid en billijkheid rekening houden met elkaars belangen. Dat kan zelfs zover gaan dat een overeengekomen opzeggingsmogelijkheid niet kan worden geëffectueerd (de opzegging is vernietigbaar) als een opzegging niet redelijk en billijk is. Ook nadat de maatschap is geëindigd moeten de voormalige vennoten rekening houden met elkaars belangen. De rechten en plichten uit de maatschap en vennootschapsovereenkomst duren voort voor zolang als dat voor de afwikkeling van het gemeenschappelijk vermogen nodig is, dus ook de aansprakelijkheid van maten en vennoten.

    Gemeenschap

    Het vermogen van een maatschap of Vof is na het eindigen van de Vof en maatschapsovereenkomst gemeenschappelijk vermogen. In familieverhoudingen en in het bijzonder na overlijden van een vennoot kan het aandeel in die gemeenschap onderdeel zijn van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap en/of een onverdeelde nalatenschap.

    Ondernemingen in maatschap en Vof

    Het einde van een maatschap of Vof betekent meestal ook staking van de onderneming van de uittredende vennoot. Die zal in beginsel voor de Inkomstenbelasting moeten afrekenen over de laatste jaarwinst en over zijn winstaandeel, dat vrijkomt door uittreding uit de maatschap of Vof. Kort gezegd, alles dat wordt uitgekeerd boven het kapitaal, is belast in het jaar van uittreden. Hoeveel er wordt uitgekeerd en wanneer is afhankelijk van de waarde van de bestanddelen van de gemeenschap, die in aanmerking wordt genomen. Dat is meestal de waarde bij verkoop, maar het kan ook anders zijn als daarover afspraken zijn gemaakt. Over de waarde, die in aanmerking moet worden genomen, is vaak gebakkelei, ook over termijnen van betaling is nogal eens gedoe. Het helpt dan niet dat er aangifte IB gedaan moet worden en bij overlijden ook nog eens de erfenis in aanmerking genomen moet worden en soms een ingewikkelde ontbonden huwelijksgemeenschap. In geval van overlijden hoeft de maatschap of firma in fiscaal opzicht niet te eindigen, de betreffende vennoot staakt niettemin wel diens onderneming. Dat is ook zo bij een echtscheiding.

    BTW, overdrachtsbelasting, inkomstenbelasting en erfbelasting of schenkbelasting

    Betalen van belasting vereist vrije liquide middelen en dat kan de verdeling behoorlijk onder druk zetten, als die er niet of onvoldoende zijn. Gebruik maken van doorschuiving van belastingclaims kan soms een oplossing zijn, maar er moeten wel regelingen getroffen worden om niet achteraf alsnog de rekening te moeten betalen. Bovendien kost het door een ander laten betalen van belasting geld in de vorm van lagere uitkeringen winst en kapitaal. Is er tevens sprake van een erfenis, dan moet de belastingclaim bij de erfgenaam in aanmerking worden genomen.

    Bij de BTW zijn de minste complicaties, meestal is de maatschap BTW-plichtig en gaat bij voortzetting van ondernemingsactiviteiten de BTW-claim mee van rechtswege. Bij einde van ondernemingsactiviteiten is het bij toescheiding van onroerende zaken wel goed om BTW aspecten in aanmerking te nemen. Overdrachtsbelasting is ook een lastige, bij een verkrijger kan deze een 2% of vaker 6% claim opleveren. Goed om rekening mee te houden bij het maken van keuzes. Als er sprake is van overlijden van een vennoot kan er, als er geen onderneming meer is, geen gebruik worden gemaakt van minder erfbelasting door de bedrijfsopvolgingregeling. Is die wel van toepassing, dan zal de onderneming door de opvolger wel moeten worden voortgezet gedurende 5 jaar. Doet de opvolger dat niet, dan moet er alsnog betaald worden. Dat kan alle erfgenamen treffen, als de opvolger nog overige verplichtingen heeft, die dan niet meer kunnen worden voldaan. Bij echtscheidingen moet er vaak op basis van gemeenschappelijk vermogen worden afgerekend tussen de voormalige echtgenoten. Dat kan het einde van een maatschap of Vof betekenen, soms moeten er vermogensbestanddelen te gelde worden gemaakt. Zijn beide echtelieden vennoot dan zal moeten worden bezien of de maatschap/vof door partijen tezamen wordt voortgezet dan wel dat één van hen de onderneming als eenmanszaak voortzet, waarbij de niet-voortzetter zijn/haar aandeel in kapitaal en meerwaarde uitbetaald moet krijgen.

    Kortom ... doe eens een stress test

    Bij een maatschap en firma, zeker als deze al langer bestaan, is het aan te bevelen om alles eens goed door te nemen. Maatschaps- en firma akten, testament en huwelijkse voorwaarden moeten op elkaar zijn afgestemd, wel met inachtneming van de functie van elk van deze regeling. Een bedrijfsopvolging of liquidatie van een maatschap of firma moet in die maatschaps- of firma akte worden geregeld, niet bij testament. De verzorging van echtgenoten over en weer door adequate huwelijkse voorwaarden en goed beeld van de vermogens, te weten privévermogens en gemeenschappelijk vermogen, naast de deelgerechtigdheid in het maatschapsvermogen en persoonlijk ondernemingsvermogen. Last but not least … houd rekening met alternatieve scenario's, helaas is nog te vaak uitgegaan van de situatie dat één van beide echtgenoten of partners als eerste zal overlijden ... en dat kan wel eens andersom zijn. Kortom … denk er eens over na en regel het!

    Lees verder
  • Verzwegen (buitenlands) vermogen, erfgenamen let op ... inkeren is noodzakelijk! Door Wijnkamp Keulers op 24-01-2020

    Vrijwillig aangeven van verzwegen inkomsten en box 3 vermogen is nog steeds de betere optie ten opzichte van onjuist aangifte (blijven) doen. Niet alleen omdat het doen van een onjuiste aangifte een misdrijf is, dat zich herhaalt bij iedere volgende onjuiste aangifte, maar ook omdat verzwegen vermogen anderen met problemen kan opzadelen. Zo kunnen erfgenamen en executeurs behoorlijk in de nesten raken en de relatie met banken, boekhouders, notaris en dergelijken kunnen flink en soms onherstelbaar worden belast, met alle gevolgen van dien. Het net sluit zich steeds verder, de informatie-uitwisseling tussen de belastingdiensten is inmiddels zo volwassen dat hopen de dans te ontspringen niet erg realistisch is. Plotseling opduikende bedragen in contanten leveren fikse problemen op, al was het maar omdat met stukken onderbouwd verklaard moet worden wat de herkomst van dat geld is, ook al is dit door rechtsvoorgangers in een zeer ver verleden vergaard. Let op, een erfenis moet u in de vorm van vermogen na verkrijging voor de IB opgeven in uw eigen aangifte. Vaak moet ook voor de overledene na diens overlijden een aangifte IB over het overlijdensjaar worden opgesteld. Geeft u vermogen niet op, onjuist op, dan bent u zelf strafbaar.

    Wordt u dus als erfgenaam of executeur met niet aangegeven vermogen geconfronteerd, ga dan niet zelf aan de gang, maar laat u door een advocaat-belastingadviseur bijstaan. Het laatste dat u moet willen, is zelf verantwoordelijk en aansprakelijk worden voor een onjuiste aangifte erfbelasting of inkomstenbelasting.

    Inkeerregeling, bestaat nog steeds maar wordt per 1 januari 2020 wederom beperkt

    Per 2018 was de vrijwillige regeling voor verzwegen buitenlands inkomen uit sparen en beleggen (box 3-inkomen) al afgeschaft, althans voor zover het betreft dat zonder boete werd nagevorderd. Voor overige inkomsten is de regeling blijven bestaan. Het gaat om vrijwillige verbeteringen, uiterlijk binnen twee jaar nadat opzettelijk of met aan opzet grenzende verwijtbaarheid een onjuiste aangifte is gedaan of aangifte had moeten worden gedaan. Er is een overgangsregeling, een belastingplichtige kan voor aangiften, die vóór 1 januari 2018 zijn ingediend, of ingediend hadden moeten worden, alsnog een beroep doen op de oude inkeerregeling.

    Vrijwillig houdt in dat de belastingplichtige alsnog aangeeft, voordat hij of zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid bekend was of bekend zou worden. Bij vrijwillige inkeer voor inkomen in box 3 sparen wordt nu wel een boete verschuldigd, echter door de vrijwilligheid zal er wel worden gematigd. Geen 300%, maar soms 50% of minder.

    Let op, als er geen sprake is van opzet of aan opzet of grove schuld gelijk te stellen ernstige verwijtbaarheid, dan is er geen boete verschuldigd. Het gaat niet alleen om opzet, maar ook om het willens en wetens de kans aanvaarden dat er te weinig belasting zal worden betaald.
    Aan overledenen kan in beginsel geen boete worden opgelegd. Uiteraard moet er wel belasting met rente worden betaald, de erfgenamen zijn daarvoor aansprakelijk. Frauderende erfgenamen worden wel beboet.

    Nieuwe wijzigingen per 1 januari 2020

    Naar aanleiding van de Panama Papers richt regering de zich niet alleen meer op buitenlandse bankrekeningen, maar ook op "ander" buitenlands inkomen, zoals uit aanmerkelijk belang of inkomens via "trust-achtige" vehikels. Het boetevrij inkeren zal worden uitgesloten voor buitenlands inkomen uit aanmerkelijk belang. Ook zal het onderscheid tussen inkomen uit sparen en beleggen, dat in het binnenland is opgekomen en inkomen uit sparen en beleggen, dat in het buitenland is opgekomen, worden weggenomen. Het wordt 'gebruikers' van verhullende constructies, die in de risicosfeer zitten, steeds lastiger gemaakt, niet in de laatste plaats omdat dienstverleners, zoals adviseurs en banken in het kader van anti-witwas regelgeving steeds voorzichtiger worden. Zondaars staan er dus niet zelden, alleen voor, althans hun toenmalige adviseurs zijn veel meer het probleem dan een oplossing.

    Medeplichtigen, medeplegers, aan de schandpaal

    Beroepsbeoefenaars aan wie boetes zijn opgelegd op grond van medeplegen worden bekendgemaakt. Het doel van deze maatregel is dat belastingplichtigen het kaf van het koren kunnen scheiden. Het gaat niet alleen om belastingadviseurs, maar ook dienstverleners, zoals notarissen, accountants en advocaten. Een beetje adviseur zal dus screenen en fraudeurs weren.

    Welke vragen krijgt u zoal, als u alsnog niet opgegeven vermogen en inkomen meldt

    Voor bankrekeningen komen volgende vragen aan de orde:

    Welke rekeningen, dus naast effectenrekeningen ook rekening courant, spaarrekeningen etc
    Wie heeft op welke datum de rekening geopend en wie hadden toegang tot de rekening
    Waar komt het geld op de rekening vandaan en op welke wijze is er gestort
    Alle opnamen en stortingen ook die in de 90'er jaren, wat hebt u met het geld gedaan
    Is er in de 90'er jaren en later aangegeven in Nederland.
    Als middelen uit erfenis afkomstig zijn en niet zijn aangegeven geldt een onbepaalde termijn

    Alles moet met stukken worden onderbouwd. De Hoge Raad heeft in 2018 beslist dat bewijslast in beginsel op erfgenamen overgaat.

    Tot slot, witwassen

    Naast de fiscale problematiek speelt ook nog witwas problematiek. Bij verzwijgen of maskeren, al was het maar als erfgenaam of executeur, kunt u tezamen met adviseurs, die u behulpzaam zijn, in de problemen komen. Zelfs het doen van een belastingaangifte kan witwassen opleveren, zelfs al zou de aangifte op zich juist zijn. Hoe dan ook, niet- of onjuist doen van aangifte is geen aan te raden keuze. Verzwijgen en blijven verhullen is meer dan ooit ... geen optie!

    Lees verder
  • BTW en ondernemers in het kleinbedrijf, makkelijker kunnen we het niet maken … Door Wijnkamp Keulers op 16-12-2019

    Het Ministerie van Financiën lijkt in te zetten op een kritischer benadering van het fiscale ondernemerschap. De stimulering van ondernemerschap door generieke fiscale faciliteiten wordt steeds meer vervangen door sturing via subsidies of fiscale kortingen voor nauwkeurig bepaalde activiteiten.

    Voor ondernemers is er sprake van sluipende lastenverzwaringen op tal van terreinen. Weliswaar is de IB druk aan het zakken en leidt dat tot voordeel voor de laagste en de hoogste inkomens, niettemin zijn de middengroepen en vooral de gepensioneerden en ondernemers in het kleinbedrijf degenen die hun inkomen en koopkracht niet zien stijgen. Dat komt vooral door sluipende lastenverhogingen, die op zichzelf bezien gering lijken, maar tezamen flink drukken.

    Fiscale transitie

    Een voorbeeld van dit beleid, het afschaffen van een faciliteit die voor alle ondernemers geldt en niet gedrag beïnvloedt, is het afschaffen van de KOR (klein ondernemersregeling) en het invoeren van een BTW-vrijstelling. De facto betekent dit voor sommige ondernemers € 1.345 meer BTW betalen. Dat is natuurlijk niet zoveel, niettemin voor kleine ondernemers/ZZP'ers met een laag inkomens telt het allemaal wel op.

    Achtergrond

    In het algemeen geldt dat BTW-ondernemerschap al gauw aan de orde is, ook al ben je geen ondernemer voor IB of VpB (vennootschapsbelasting). In beginsel ben je al ondernemer voor de BTW als je een goed exploiteert met het oogmerk daar duurzaam opbrengst uit te krijgen. Niet alle "ondernemers" krijgen echter met BTW aangifte- en afdrachtplicht te maken. Sommige prestaties zijn vrijgesteld, zoals de verhuur van onroerende zaken, waardoor veel van dit soort ondernemers feitelijk niet met de BTW te maken krijgen. Ze hoeven geen BTW in rekening te brengen, maar kunnen ook niet BTW terugvorderen. In veel gevallen is het aantrekkelijker "in de BTW te zitten", dan geen BTW-verplichtingen te hebben. Bij grote investeringen kan de in rekening gebrachte BTW worden afgetrokken en leiden tot BTW-teruggave van de fiscus, dat scheelt behoorlijk in de financiering.

    KOR (oud)

    Omdat de te betalen BTW het saldo is van terug te vorderen BTW, die in rekening gebracht is en te betalen BTW, die de ondernemer zelf in rekening brengt, kan met name bij weinig winst de per saldo te betalen BTW een laag bedrag zijn. Is per saldo minder dan € 1.345 (per jaar) te betalen, dan hoef je geen BTW af te dragen, bij minder dan € 1.843 was er een flinke korting. Wel BTW aftrek dus, niet betalen, dat was voor velen aantrekkelijk. De KOR wordt niettemin per 1 januari 2020 gewijzigd.

    Nieuwe kleine ondernemersregeling (KOR)

    Niet langer is er een korting op de verschuldigde omzetbelasting, maar er kan een vrijstelling voor de omzetbelasting worden aangevraagd, waardoor er niet langer een aangifte voor de omzetbelasting hoeft te worden gedaan. Voorwaarde om van deze vrijstelling gebruik te kunnen maken, is dat de omzet op jaarbasis niet hoger mag zijn dan € 20.000. Een dergelijk verzoek om vrijstelling geldt voor minimaal drie jaar.

    Niet zonder meer voordelig

    Deze vrijstelling heeft meer nadelen dan voordelen. Weliswaar hoeft er niet langer aangifte omzetbelasting te worden gedaan, de aan u in rekening gebrachte BTW kunt u niet meer terug claimen bij de Belastingdienst. Dat betekent dat producten inclusief BTW in uw voorraad terecht komen. U kunt de producten niet meer exclusief BTW leveren. Er is één bedrag, geen BTW, dus ook geen aftrekbare BTW voor de koper. Kleinere toeleveranciers worden dus duurder voor een BTW-ondernemer-inkoper, die moet vervolgens bij verkoop over de duurdere inkoop 21% in rekening brengen.

    Dat gaat natuurlijk niet werken, de BTW stapelt zich op, BTW over BTW dus. En dus een veel duurder product. De uiteindelijke afnemer, consument gaat dat niet betalen, althans kan goedkoper terecht en zal dat dus doen. Het resultaat laat zich raden, de vrijgestelde ondernemer zal hetzij in de BTW moeten blijven (zonder KOR), hetzij lagere verkoopprijzen aan zijn afnemers moeten dulden. Die zal dus wel in de BTW moeten blijven, resultaat, geen KOR meer, dus meer lasten.

    Voor verenigingen en stichtingen, die BTW-ondernemer waren, kan er wel een voordeel zijn, de administratieve last is minder. Niettemin, dit lijkt toch niet meer dan een fopspeen. De boekhouding zal ook zonder BTW-aangiften op orde moeten zijn en de administratieve lasten zijn door "poortwachtende banken" en andere toezichthouders al toegenomen, dus of het niet hoeven doen van BTW-aangifte nu zoveel voordeel oplevert, is maar de vraag. Bovendien was voor verenigingen en stichtingen de combinatie wel BTW aftrekken en geen BTW betalen door de KOR voordelig, dat voordeel is nu weg.

    Doen of niet?

    U moet zelf maar zien of het voordelig is om het verzoek te doen. Hebt u € 20.000 of minder omzet en schat u in dat dat 3 jaar zo blijft dan kunt u om vrijstelling verzoeken. Per 1 januari uit de BTW kan niet meer, nu is de eerste ingangsdatum in de meeste gevallen 1 april a.s.

    Lees verder
  • Wijzigingen in box 3 vanaf 2022 vooral gunstig voor spaarders, beleggers gaan meer betalen Door Wijnkamp Keulers op 16-10-2019

    De huidige box 3 belastingheffing is met de huidige rentestanden op spaarsaldi niet te handhaven, dat heeft inmiddels ook de hoogste belastingrechter aangegeven. Hoewel de minister van Financiën weigert generiek belastingverlagingen te overwegen en teveel geïnd belastinggeld ("meevallers") naar de burgers terug te sluizen, komt er nu toch enige beweging. Mondjesmaat en overduidelijk "met lange tanden" gaan spaarders worden ontzien. Beleggers en particuliere huizenverhuurders moeten de Staat compenseren, zo zijn de plannen. Niet meteen, er is een aantal jaren "kieskauwen" nodig om het allemaal te kunnen regelen. Men hoopt overduidelijk dat treuzelen en aankondigen dat het allemaal beter gaat worden de rechter terughoudend zal laten zijn de huidige box 3-regeling onverbindend te doen zijn. In 2022 moet het allemaal geregeld zijn.

    Spaarders, ruime vrijstelling

    Degenen, die sparen op de bank en niet (willen) beleggen, zullen geen belasting meer betalen over de eerste € 440.000. Weliswaar is er nog wel sprake van een vastgesteld inkomen van 0,09% bij de huidige lage rentestand, echter er is een belastingvrijstelling voorzien van € 400 per fiscaal partner, dus dat betekent dat voor beide partners tezamen ca € 880.000 buiten de heffing kan blijven. Daarmee is beter aangesloten bij het aanhoudend zeer lage en mogelijk toekomstig negatief rendement op spaargeld.

    Beter aansluiten bij mogelijk rendement

    Ook bij andere beleggingen wordt meer aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. In het wetsvoorstel wordt het vastgestelde (forfaitaire) rendement op de 'overige bezittingen' gesteld op 5,3% van de waarde. Het gaat om verschillende vermogensbestanddelen, zoals aandelen, obligaties, een tweede woning, een vakantiehuisje, beleggingspanden etc. Het werkelijke behaalde rendement op deze overige beleggingen doet niet ter zake, er wordt een vastgesteld gemiddelde in aanmerking genomen. Dit betekent dat beleggers, die hogere rendementen dan 5,3% denken te kunnen behalen, in box 3 nog steeds beter af zullen zijn. Degenen, die dat niet denken te zullen halen, moeten uitzien naar alternatieven.

    Het is duidelijk dat dit nieuwe voorgestelde systeem gedoe met zich mee zal brengen. Slimmerikken zullen proberen op 1 januari spaargeld te hebben en op 2 januari weer te gaan beleggen. Niettemin, omdat bij overige beleggingen leningen niet meer integraal in aftrek komen, zal moeten worden bezien of "omzetten" niet lastig zal zijn. Aandelenkoersdalingen tegen het einde van het jaar en kosten zullen de pret wel wat drukken. Er wordt gestudeerd op wetgeving om dit soort handelen te ontmoedigen, zo wordt gedacht aan een mix, die in aanmerking moet worden genomen en aan verschillende peildata, dat heeft uiteraard als nadeel dat er een heel controlesysteem moet worden opgezet. Niettemin, wellicht dat dit met data-analyse is op te lossen, we zullen zien.

    Beleggen met geleend geld

    Beleggingen in aandelen en vastgoed met geleend geld, bijvoorbeeld van de eigen BV, is met de huidige lage rente financieel gunstig. De rendementen zijn nogal eens hoger dan het thans geldende fictieve rendement. Beleggen met geleend geld wil de wetgever zwaarder gaan belasten en wellicht zelfs tegengaan. Dat is gek, want de ECB beoogt met onderhand negatieve rente, lenen te stimuleren. Zo wordt de belegger fraai in de bankschroef genomen, lage en negatieve rente door de ECB en toch belasting heffen door de Nederlandse Staat. Beleggingen met leningen moeten tegen een afzonderlijk forfaitair rendement in aanmerking worden genomen, zo is het plan.

    Niet meer aftrek van schulden, maar aftrek van (vastgestelde) kosten

    Het forfaitaire rendement zal zijn gebaseerd op de gemiddelde hypotheekrente van het voorgaande jaar en bedraagt 3,03%. De aftrek van schulden gaat dus tegen 3,03%, er is sprake van een beperking in de aftrek van schulden en een verhoging van het in aanmerking te nemen forfaitaire rendement. Voor ‘overige bezittingen’ bedraagt dit 5,33%. Waar dus in het huidige systeem bij een belegging van € 500.000 met geleend geld € 0 werd belast, wordt dit nu € 11.500 tegen 33%, dus € 3.795 te betalen IB.

    Formule:

    Box 3 belasting = (0,09% x spaarvermogen) + (5,33% x overige bezittingen) – (3,03% x schulden) x 33%

    Rekenen

    Alternatieven voor box 3 zijn inbrengen in een BV, een fonds voor gemene rekening of ondernemen in plaats van beleggen. Te verwachten valt dat voor deze uitwijk de eisen voor regelingen, die het ondernemen moeten stimuleren, worden aangescherpt. Zo is voor afschrijvingen van onroerende zaken in een BV al geen ruimte meer en zullen MKB-winstvrijstelling en bedrijfsopvolgingsregelingen wel aan zwaardere eisen worden onderworpen. De Staat wil heffen, vooral over vermogens die bij ouderen aanwezig zijn. Het uithollen van vermogens door de combinatie, inflatie en vermogensbelasting is met deze maatregelen noch doel noch het resultaat.

    Het is maar dat u het weet.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook