Geërfde vordering op nihil gewaardeerd
04-03-2016Onlangs (16 februari 2016) heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden voor de bepaling van de verschuldigde erfbelasting een schuld, die één van de erfgenamen had op de erflater op nihil gesteld. Het Hof stelde vast dat sprake was van een oninbare vordering van de erflater, die waardeloos was. Volgens de wettekst van artikel 21, lid 1 van de Successiewet 1956, wordt het verkregene in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend, dat was in dit geval dus nihil. Taxatie van hetgeen wordt verkregen, is dus belangrijk. Vaak is de waarde veel minder dan wordt gedacht en kan dus met minder erfbelasting worden volstaan.
Laatste nieuws
- Vernieuwde rekentool Belastingdienst goingconcern-waarde: nevenactiviteiten kunnen goingconcern-waarde aanzienlijk verhogen Door Wijnkamp Keulers op 06-11-2026Lees verder
De Belastingdienst heeft op 3 november 2026 bekend gemaakt dat de vernieuwde rekentool voor het berekenen van de goingconcern-waarde van agrarische ondernemingen weer beschikbaar is voor de jaren 2024, 2025 en 2026. De rekentool is vereenvoudigd doordat vragen over de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) zijn verwijderd. Bijzonder aandachtspunt vormt de waardering van nevenactiviteiten, zoals een boerderijwinkel, camping of agrarisch loonwerkbedrijf. De opbrengsten hiervan kunnen een aanzienlijke invloed hebben op de goingconcern-waarde en daarmee op de toepassing van de BOR.
Wat is er gewijzigd?
De Belastingdienst stelde de rekentool in juli 2026 tijdelijk buiten gebruik voor de jaren 2024 tot en met 2026. In de loop der jaren waren namelijk vragen toegevoegd, die niet noodzakelijk waren voor de berekening van de goingconcern-waarde. Dit betrof onder meer vragen over de toepassing van de BOR. Met de nieuwe versie zijn deze overbodige vragen verwijderd. De rekentool richt zich daardoor weer uitsluitend op het bepalen van de goingconcern-waarde van de onderneming.De belangrijkste wijzigingen zijn:
1. De rekentool is opnieuw beschikbaar voor verkrijgingen in 2024, 2025 en 2026.
2. Vragen over de toepassing van de BOR zijn verwijderd.
3. De invoer is vereenvoudigd, waardoor de berekening sneller kan worden uitgevoerd.
4. De jaarlijkse normbedragen voor de verschillende agrarische bedrijfstakken blijven het uitgangspunt.Hoe wordt de goingconcern-waarde berekend?
De berekening is gebaseerd op artikel 21, twaalfde en dertiende lid, Successiewet 1956 en onderdeel 7.3 van het Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026. De wettelijke waarderingsregel houdt in dat een onderneming als een samenhangend geheel wordt gewaardeerd, waarbij de waarde voor de heffing niet lager kan zijn dan de liquidatiewaarde. De BOR kent vervolgens een bijzondere vrijstelling voor het verschil tussen de liquidatiewaarde en de lagere goingconcern-waarde.Voor agrarische ondernemingen heeft de Belastingdienst samen met het landbouwbedrijfsleven een waarderingsmodel ontwikkeld dat uitgaat van genormeerde jaarlijkse geldstromen en de financieringsruimte van de onderneming.
De berekening verloopt in hoofdlijnen als volgt.
1. Vaststelling van de genormeerde geldstroom
Voor verschillende agrarische bedrijfstakken worden jaarlijks normbedragen vastgesteld.
Voor melkveebedrijven wordt bijvoorbeeld gerekend met een bedrag per melkkoe en voor akkerbouwbedrijven met een bedrag per hectare.De normbedragen voor 2026 bedragen onder meer:
Bedrijfstak Netto kasstroom per eenheid
Melkvee € 394 per melkkoe
Fokzeugen – € 79 per zeug
Vleesvarkens – € 19 per dier
Melkgeiten € 184 per melkgeit
Akkerbouw – € 359 per hectareDe genormeerde geldstromen worden bepaald zonder rekening te houden met financieringslasten en belastingen. Wel wordt rekening gehouden met een arbeidsbeloning.
Incidentele baten en lasten blijven buiten beschouwing.
2. Correcties op de geldstromen
Vervolgens worden afzonderlijk onder meer de volgende posten verwerkt:
• Inkomsten en uitgaven wegens (erf)pacht en verhuur.
• GLB-premies en mestafzetkosten.
• Genormaliseerde netto-opbrengsten uit nevenactiviteiten.
• Geldstromen van bedrijfstakken waarvoor geen normbedragen bestaan.Ook wordt rekening gehouden met bepaalde vermogensbestanddelen die niet in de geldstromen tot uitdrukking komen.
3. Kapitalisatie van de geldstroom
De totale jaarlijkse netto-geldstroom wordt vervolgens eeuwigdurend contant gemaakt tegen de jaarlijks vastgestelde disconteringsvoet.Voor 2024 en 2025 bedraagt deze 4,25% en voor 2026 5%.
Bij een constante jaarlijkse netto-geldstroom kan de kapitalisatie vereenvoudigd worden weergegeven als:
*Goingconcern-waarde vóór aanvullende vermogenscorrecties = jaarlijkse netto-geldstroom / disconteringsvoet.*
Een geldstroom van € 50.000 vertegenwoordigt bij een disconteringsvoet van 5% dus een gekapitaliseerde waarde van € 1.000.000.
Op deze waarde worden vervolgens de voorgeschreven vermogenscorrecties toegepast, waaronder de aftrek van langlopende schulden.
Welke invloed hebben nevenactiviteiten?
Een bijzonder aandachtspunt is de behandeling van inkomsten uit activiteiten waarvoor geen agrarische normbedragen zijn vastgesteld. Volgens onderdeel 7.3.1 van het Besluit BOR 2026 worden de opbrengsten van zowel agrarische als niet-agrarische nevenactiviteiten afzonderlijk in de totale netto-geldstroom opgenomen.
Het moet gaan om activiteiten, die in het verlengde liggen van het veehouderij- of akkerbouwbedrijf en waarmee geen afzonderlijke onderneming wordt gedreven.Het besluit noemt als uitgangspunt de genormaliseerde netto-opbrengst op het tijdstip van de verkrijging. Voor deze opbrengst geldt bovendien dat deze voor het rekenmodel niet negatief kan zijn.
Voorbeeld: een boerderijwinkel
Een melkveehouder exploiteert naast zijn melkveebedrijf een boerderijwinkel waarin eigen zuivelproducten en streekproducten worden verkocht.De winkel behaalt jaarlijks een omzet van € 150.000. Na aftrek van inkoopkosten, personeelskosten en overige aan de winkel toe te rekenen exploitatiekosten resteert een genormaliseerde netto-opbrengst van € 20.000.
Bij een disconteringsvoet van 5% vertegenwoordigt deze geldstroom een aanvullende gekapitaliseerde waarde van:€ 20.000 / 5% = € 400.000.
De boerderijwinkel verhoogt daarmee, onder overigens gelijke omstandigheden, de berekende goingconcern-waarde met € 400.000.
Dit voorbeeld laat zien dat een relatief bescheiden nevenactiviteit een aanzienlijke invloed kan hebben op de waardering van het totale bedrijf.
Voorbeeld: agrarisch loonwerk
Een vergelijkbare situatie kan ontstaan wanneer een akkerbouwer met zijn landbouwmachines werkzaamheden verricht voor andere agrarische ondernemers.Stel dat met dit loonwerk jaarlijks een genormaliseerde netto-opbrengst van € 30.000 wordt gerealiseerd.
Bij een disconteringsvoet van 5% vertegenwoordigt deze geldstroom een gekapitaliseerde waarde van:
€ 30.000 / 5% = € 600.000.
Van belang is dat de kosten van machines, brandstof, onderhoud, arbeid en vervangingsinvesteringen op juiste wijze worden toegerekend. Ook moet worden voorkomen dat kosten of opbrengsten zowel in de agrarische normbedragen als in de afzonderlijke berekening van het loonwerk worden meegenomen.
Wanneer het loonwerk inmiddels een zelfstandige onderneming vormt, kan het niet zonder meer als nevenactiviteit binnen het agrarische rekenmodel worden gewaardeerd. In dat geval is een afzonderlijke waardering noodzakelijk.
Betekenis voor de BOR
De invloed van nevenactiviteiten is vooral van belang wanneer de liquidatiewaarde van de onderneming hoger is dan de goingconcern-waarde. Neem een agrarische onderneming met een liquidatiewaarde van € 3 miljoen en een goingconcern-waarde van € 1 miljoen.Het verschil van € 2 miljoen kan onder de voorwaarden van de BOR volledig worden vrijgesteld. Wanneer de onderneming daarnaast een boerderijwinkel exploiteert die de goingconcern-waarde met € 400.000 verhoogt, bedraagt het verschil met de liquidatiewaarde nog € 1,6 miljoen, aangenomen dat die liquidatiewaarde ongewijzigd blijft.
De bijzondere BOR-vrijstelling voor het verschil tussen beide waarden wordt hierdoor kleiner. Daar staat tegenover dat op de goingconcern-waarde de overige BOR-vrijstelling van toepassing kan zijn.
Een hogere goingconcern-waarde leidt daarom niet automatisch tot een evenredig hogere belastingheffing. Dit is mede afhankelijk van de toepasselijke BOR-vrijstellingspercentages en de omvang van het kwalificerende ondernemingsvermogen.
Conclusie
De op 3 november 2026 opnieuw beschikbaar gestelde rekentool vormt een praktisch hulpmiddel bij de waardering van agrarische ondernemingen voor de schenk- en erfbelasting.De belangrijkste wijziging betreft de vereenvoudiging van de invoer en het opnieuw beschikbaar stellen van de berekeningen voor 2024 tot en met 2026. De waarderingsmethodiek op basis van genormeerde geldstromen is in essentie ongewijzigd gebleven.
Voor de adviespraktijk verdient vooral de behandeling van nevenactiviteiten aandacht. Een boerderijwinkel, camping of loonwerkactiviteit kan de goingconcern-waarde aanzienlijk verhogen.
Door de kapitalisatie tegen 5% in 2026 vertegenwoordigt iedere € 10.000 aan aanvullende jaarlijkse netto-geldstroom immers een waarde van € 200.000.
Het is daarom van groot belang om de structurele netto-opbrengst van nevenactiviteiten zorgvuldig vast te stellen en te beoordelen of deze activiteiten daadwerkelijk onderdeel uitmaken van de agrarische onderneming of zelfstandig moeten worden gewaardeerd. Een juiste afbakening van de nevenactiviteiten kan bij een bedrijfsopvolging een aanzienlijk verschil maken voor de uiteindelijke erf- of schenkbelasting.
- Eigen woning bij nalatenschap niet altijd WOZ-waarde, soms 60% Door Wijnkamp Keulers op 04-11-2026Lees verder
Bij de aangifte erfbelasting wordt de eigen woning doorgaans gewaardeerd op de WOZ-waarde. Dat volgt uit artikel 21, vijfde lid, Successiewet 1956 (SW). Toch geldt deze waarderingsregel niet altijd. Vooral bij oudere huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding kunnen de daarin gemaakte afspraken tot een aanzienlijk lagere verrekenvordering leiden.
De woning behoort niet tot de nalatenschap
Wanneer echtgenoten iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten en een finaal verrekenbeding zijn overeengekomen, blijven hun vermogens juridisch gescheiden. Is de echtelijke woning uitsluitend eigendom van de langstlevende, dan blijft deze ook na het overlijden tot diens vermogen behoren. De woning valt niet in de nalatenschap. Wel kan op grond van de huwelijkse voorwaarden een verrekenvordering ontstaan ten gunste van de erfgenamen.De omvang daarvan wordt bepaald door de huwelijkse voorwaarden.
Waardering in onderling overleg: mogelijk 60%
In oudere huwelijkse voorwaarden komt de bepaling voor dat echtgenoten de waarde van vermogensbestanddelen bij de finale verrekening in onderling overleg vaststellen.
Bij de uitleg van dergelijke afspraken is van belang wat echtgenoten destijds over en weer hebben bedoeld en redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit volgt uit de Haviltex-maatstaf, die ook bij huwelijkse voorwaarden wordt toegepast (HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1564).Tot 1 januari 2002 kende artikel 21, vierde lid (oud), SW een regeling waarbij de gezamenlijk bewoonde eigen woning onder bepaalde voorwaarden voor 60% van de vrije verkoopwaarde werd gewaardeerd. Bij huwelijkse voorwaarden, die tijdens de geldingsduur van deze regeling zijn opgesteld, is verdedigbaar dat echtgenoten bij hun afspraak over waardering in onderling overleg aansluiting hebben willen zoeken bij die 60%-waardering.
Dit argument wordt sterker wanneer de langstlevende verklaart dat beide echtgenoten deze waardering destijds voor ogen hadden, mede vanuit de wederzijdse verzorgingsgedachte. De bedoeling kan immers zijn geweest te voorkomen dat de langstlevende door een hoge verrekenvordering van de erfgenamen gedwongen wordt de woning te verkopen.De afschaffing van de wettelijke 60%-regeling in 2002 en de invoering van de WOZ-waardering per 2010 veranderen niet automatisch de inhoud van eerder gemaakte civielrechtelijke afspraken. De huwelijkse voorwaarden blijven gewoon geldig.
De Successiewet kan geen hogere vordering creëren
De Belastingdienst bevestigt in kennisgroepstandpunt KG:063:2024:7 van 15 mei 2024 dat de bijzondere waarderingsvoorschriften van artikel 21 SW niet doorwerken naar een verrekenvordering uit huwelijkse voorwaarden. Dat geldt dus niet alleen voor de woning, maar ook voor alle andere vermogensbestanddelen, die de verrekenvordering bepalen. Zo is denkbaar dat ook zonder BOR toch van een lagere going concernwaarde van een onderneming kan worden uitgegaan.Op de vordering is artikel 21, eerste lid, SW van toepassing: waardering naar de waarde in het economische verkeer, zij het dat de nog juist lonende exploitatie mogelijk moet zijn. De ondernemende echtgenoot, die wegens overlijden van de andere echtgenoot moet afrekenen, mag in beginsel onder omstandigheden uitgaan van de lagere going concernwaarde. De WOZ-waarde en waarde economisch verkeer kunnen dus niet worden gebruikt om een civielrechtelijk bestaande verrekenvordering te vervangen door een hogere vordering (HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:437. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3585).
Een voorbeeld
De woning is uitsluitend eigendom van de langstlevende en heeft een economische waarde van € 800.000.
Indien aannemelijk is dat echtgenoten een waardering van 60% zijn overeengekomen, bedraagt de verrekenwaarde € 480.000.
Bij verrekening bij helfte ontstaat, afgezien van overige vermogensbestanddelen en schulden, een nominale vordering van € 240.000 in plaats van € 400.000.
De fiscale waarde van deze vordering en de eventuele toepassing van artikel 11, vierde lid, SW moeten afzonderlijk worden beoordeeld.Conclusie
Bij de aangifte erfbelasting verdienen vooral oudere huwelijkse voorwaarden bijzondere aandacht.Een afspraak om de waarde in onderling overleg vast te stellen, kan ruimte bieden om een waardering op 60% te verdedigen wanneer dit overeenstemt met de oorspronkelijke bedoeling van de echtgenoten.
De historische 60%-regeling, de verklaringen van de betrokkenen en de wederzijdse verzorgingsgedachte kunnen daarbij belangrijke aanwijzingen vormen.
Het loont daarom om niet alleen het testament, maar vooral ook de huwelijkse voorwaarden zorgvuldig te onderzoeken.
- Nieuw Box 3-besluit: let bij nalatenschappen ook op oude belastingjaren Door Wijnkamp Keulers op 04-09-2026Lees verder
Op 4 september 2026 heeft de staatssecretaris van Financiën een nieuw Box 3-besluit gepubliceerd. Het besluit actualiseert het beleid vanwege de wettelijke tegenbewijsregeling, waardoor belastingplichtigen onder omstandigheden belasting kunnen betalen over hun lagere werkelijke rendement in plaats van over het forfaitaire rendement. Daarbij doet zich meteen een belangrijke vraag voor: geldt het nieuwe en op onderdelen gunstigere beleid ook voor eerdere jaren, of blijft voor de box 3-peildata 1 januari 2025 en 1 januari 2026 het oude besluit van 7 mei 2024 gelden?
Het nieuwe besluit treedt formeel pas in werking op de dag na publicatie en trekt op dat moment het oude besluit in. Dat betekent dat op 1 januari 2025 en 1 januari 2026 formeel het oude besluit gold. Maar daarmee is de kwestie niet volledig beslist. Juist bij erfrechtelijk vruchtgebruik bepaalt het nieuwe besluit dat de defiscalisering met terugwerkende kracht tot de datum van overlijden kan plaatsvinden. Voor nog openstaande aanslagen en nalatenschappen, die vóór september 2026 zijn opengevallen, verdient het daarom aanbeveling te onderzoeken of ook een beroep op het nieuwe, gunstigere beleid kan worden gedaan.
Waarom een nieuw Box 3-besluit?
Het besluit uit 2024 was geschreven voordat de huidige wettelijke tegenbewijsregeling volledig in de box 3-heffing was verwerkt. Die regeling maakt het mogelijk dat, wanneer het werkelijke rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement, uiteindelijk dat lagere werkelijke rendement wordt belast.Het nieuwe besluit maakt daarom uitdrukkelijk onderscheid tussen de forfaitaire berekening en de berekening van het werkelijke rendement.
Dat is vooral van belang, omdat een aantal bestaande fiscale goedkeuringen oorspronkelijk uitsluitend was geschreven vanuit de jaarlijkse peildatum van 1 januari. Bij werkelijk rendement wordt echter ook gekeken naar wat gedurende het jaar daadwerkelijk met het vermogen gebeurt.
Het nieuwe besluit is overigens geen nieuwe belastingwet. De staatssecretaris baseert het besluit onder meer op artikel 4:81 Awb en artikel 63 AWR, de zogenoemde hardheidsclausule. Op verschillende punten wordt daarmee voor belastingplichtigen een gunstiger behandeling toegestaan dan uit een strikte toepassing van de belastingwet zou volgen.
Vooral op het gebied van erfrecht en vruchtgebruik is dat belangrijk.
De wettelijke verdeling en box 3
Wanneer iemand overlijdt met achterlating van een echtgenoot en kinderen en de wettelijke verdeling van toepassing is, verkrijgt de langstlevende echtgenoot in beginsel de goederen van de nalatenschap. De kinderen krijgen daarvoor geldvorderingen op de langstlevende.Voor box 3 bestaat hiervoor een bijzondere wettelijke regeling. Die voorkomt dat hetzelfde economische vermogen zowel bij de langstlevende als bij de kinderen in de heffing wordt betrokken.
Het nieuwe Box 3-besluit bevestigt daarbij dat ook een renteloze geldvordering van een kind op de langstlevende onder de bijzondere regeling van artikel 5.4 Wet IB 2001 kan vallen, mits binnen de regels van het Burgerlijk Wetboek geldig is bepaald of overeengekomen dat de vordering renteloos is.
Dat maakt ook duidelijk dat bij de afwikkeling van een nalatenschap de formulering van de kindsdelen en eventuele renteafspraken niet alleen voor de erfbelasting van belang is. Zij kunnen ook invloed hebben op de box 3-positie van de erfgenamen.
Vruchtgebruik: belangrijkste wijziging
Van groter praktisch belang is de regeling voor erfrechtelijk vruchtgebruik.Een testament kan bijvoorbeeld bepalen dat de kinderen vermogen erven, maar dat de langstlevende ouder daarvan het vruchtgebruik krijgt. De kinderen zijn dan bloot eigenaar; de langstlevende mag het vermogen gebruiken of ontvangt de opbrengsten daarvan.
Artikel 5.4 Wet IB 2001 kent voor bepaalde erfrechtelijke vruchtgebruik-situaties een zogenoemde defiscalisering. Daarbij wordt de volledige waarde van het betreffende vermogen voor box 3 aan de vruchtgebruiker toegerekend en wordt de waarde van de bloot eigendom niet bij de kinderen belast.
Daarvoor moet het vruchtgebruik juridisch zijn gevestigd.
En juist dat levert in de praktijk regelmatig problemen op.
Afwikkeling van een nalatenschap kost tijd
Een nalatenschap is lang niet altijd binnen enkele maanden afgewikkeld. Eerst moet worden vastgesteld welke goederen en schulden aanwezig zijn. Woningen, ondernemingen of aandelen moeten mogelijk worden gewaardeerd. Ook kunnen tussen erfgenamen discussies bestaan over de uitleg of uitvoering van het testament.
De formele - veelal notariële - vestiging van het vruchtgebruik kan daardoor pas later plaatsvinden.
Zonder bijzondere regeling zou de box 3-defiscalisering dan ook pas vanaf die juridische vestiging gelden.
De staatssecretaris heeft daarvoor al langer een tegemoetkoming.Onder het Box 3-besluit van 7 mei 2024 mocht de defiscalisering, wanneer het vruchtgebruik binnen twee jaar na overlijden werd gevestigd, terugwerken tot de eerste box 3-peildatum na het overlijden. Dat staat uitdrukkelijk in het oude besluit.
Het nieuwe besluit gaat verder.
Nu terugwerking tot de overlijdensdatum
Het besluit van 4 september 2026 bepaalt dat de defiscalisering met toepassing van artikel 63 AWR kan terugwerken tot de datum van overlijden van de erflater, mits het vruchtgebruik binnen twee jaar na overlijden daadwerkelijk wordt gevestigd.Dat verschil is belangrijk.
Onder het oude forfaitaire stelsel draaide box 3 vrijwel geheel om de toestand op 1 januari. Terugwerking bijvoorbeeld van 1 januari naar 1 juli van het voorafgaande jaar had daardoor doorgaans weinig invloed op die forfaitaire peildatumheffing.
Met de tegenbewijsregeling kan echter het werkelijke rendement gedurende het kalenderjaar bepalend zijn. Dan wordt ook relevant wie vanaf het overlijden fiscaal gerechtigd is tot rente, dividend, huurinkomsten en waardeveranderingen.
Stel dat vader op 1 april overlijdt. Moeder krijgt volgens het testament het vruchtgebruik van een omvangrijke effectenportefeuille en de kinderen verkrijgen de bloot eigendom. Het vruchtgebruik wordt pas het volgende jaar formeel gevestigd.
Onder het oude besluit lag de nadruk op de eerste box 3-peildatum na het overlijden. Het nieuwe besluit maakt het mogelijk de fiscale defiscalisering al vanaf 1 april, de overlijdensdatum, te laten gelden.
Juist wanneer voor het betreffende jaar het werkelijke rendement wordt berekend, kan dat een belangrijk verschil maken.
Geldt dit ook voor overlijdens vóór september 2026?
Dat is naar onze mening een punt waarop belastingplichtigen alert moeten zijn.Het nieuwe besluit kent geen algemene bepaling, die zegt dat het gehele besluit met terugwerkende kracht geldt. Integendeel: het treedt formeel pas in werking op de dag na publicatie. Op 1 januari 2025 en 1 januari 2026 gold dus het besluit van 2024. Het oude besluit trad in mei 2024 in werking en bleef van kracht totdat het nieuwe besluit het introk.
Maar de nieuwe erfrechtelijke goedkeuring bevat zélf uitdrukkelijk terugwerkende kracht tot de overlijdensdatum.
Daarom zou bij nog niet definitief vaststaande aanslagen over 2025 en 2026, bezwaarprocedures en nalatenschappen die vóór 5 september 2026 zijn opengevallen, niet zonder meer moeten worden aangenomen, dat uitsluitend het oude beleid kan worden toegepast.
Voor belastingplichtigen is het naar onze mening verstandig de gunstigere regeling uitdrukkelijk te claimen wanneer deze tot een lagere belastingheffing leidt. Of dat beroep in alle oudere gevallen wordt gehonoreerd, volgt niet ondubbelzinnig uit het besluit en kan uiteindelijk een juridisch discussiepunt zijn.
Dat maakt het des te belangrijker om reeds ingediende aangiften bij grotere nalatenschappen opnieuw te bekijken.
Niet automatisch kiezen voor defiscalisering
Een goedkeuring is bovendien niet automatisch voor iedere familie fiscaal optimaal.Door de defiscalisering wordt het vermogen voor box 3 bij de vruchtgebruiker in aanmerking genomen en niet bij de bloot eigenaren. Maar de langstlevende en de kinderen kunnen ieder ander vermogen hebben en ook hun werkelijke rendement kan sterk verschillen.
Bij grotere nalatenschappen moet daarom worden gekeken naar:
• het box 3-vermogen van de langstlevende;
• het vermogen van ieder van de kinderen;
• het forfaitaire rendement;
• het werkelijke rendement;
• de inkomsten en waardemutaties na overlijden;
• en de totale belastingdruk binnen de familie.Het fiscaal voordeligste resultaat voor de langstlevende hoeft niet het fiscaal voordeligste resultaat voor de familie als geheel te zijn.
Belastingschulden: inkomstenbelasting normaal niet aftrekbaar
Het Box 3-besluit bevat daarnaast een belangrijke praktische regeling voor inkomstenbelasting.De wettelijke hoofdregel is streng. Artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat belastingschulden in beginsel niet als schulden in box 3 worden meegenomen. De belangrijke uitzondering is de erfbelastingschuld. Het nieuwe besluit noemt deze wettelijke hoofdregel eveneens uitdrukkelijk.
Een inkomstenbelastingschuld kan dus normaal gesproken niet als box 3-schuld worden afgetrokken.
Stel dat iemand op 1 januari € 300.000 aan spaargeld bezit, terwijl hij € 100.000 inkomstenbelasting moet betalen. Wanneer die € 100.000 op 1 januari nog op zijn bankrekening staat, behoort in beginsel de volledige € 300.000 tot zijn banktegoeden in box 3. De verschuldigde inkomstenbelasting kan niet als schuld worden afgetrokken.
Daarvoor bestaat een belangrijke beleidsmatige uitzondering.
Vraag de voorlopige aanslag tijdig aan
Wanneer de belastingplichtige tijdig om een voorlopige of nadere voorlopige aanslag inkomstenbelasting heeft gevraagd, maar de Belastingdienst de aanslag zo laat oplegt dat betaling vóór 1 januari redelijkerwijs onmogelijk is, staat de staatssecretaris toe dat het bedrag van de banktegoeden wordt verminderd.Een verzoek is volgens het besluit tijdig wanneer het ten minste acht weken vóór het einde van het kalenderjaar is ingediend. Wordt gebruikgemaakt van een ingediende aangifte, dan geldt een termijn van dertien weken.
Bij een bankrekening van € 300.000 en een tijdig aangevraagde maar te laat opgelegde voorlopige aanslag van € 100.000 kan daardoor voor de forfaitaire box 3-berekening in beginsel worden uitgegaan van € 200.000 aan banktegoeden.
Juridisch wordt de belastingschuld dus niet alsnog aftrekbaar gemaakt. De goedkeuring werkt aan de andere kant van de balans: het banktegoed mag lager worden aangegeven.
Bij werkelijk rendement blijft de rente belast
Het nieuwe besluit verduidelijkt vervolgens dat deze tegemoetkoming niet zonder meer doorwerkt naar de tegenbewijsregeling.Wanneer over het geld zolang het nog op de bankrekening staat daadwerkelijk rente wordt ontvangen, blijft die rente onderdeel van het werkelijke rendement.
Dat betekent dat voor box 3 steeds twee berekeningen moeten worden onderscheiden:
de forfaitaire berekening, waarbij onder voorwaarden gebruik kan worden gemaakt van de vermindering van de banktegoeden, en
de berekening van het werkelijke rendement, waarbij de werkelijk ontvangen rente blijft meetellen.
Voor schenkbelasting kent het besluit een vergelijkbare tegemoetkoming wanneer tijdig aangifte is gedaan maar de Belastingdienst de aanslag niet tijdig heeft opgelegd.Laat ook bestaande nalatenschappen opnieuw beoordelen
Het Box 3-besluit van 4 september 2026 is daarom niet alleen van belang voor toekomstige nalatenschappen.Juist bij een overlijden in 2024, 2025 of 2026, waarbij sprake is van vruchtgebruik, bloot eigendom of aanzienlijke box 3-vermogens kan aanleiding bestaan om eerdere aangiften en nog openstaande aanslagen opnieuw te beoordelen.
Daarnaast moet vóór ieder jaareinde worden bekeken of nog inkomstenbelasting verschuldigd zal zijn en of het verstandig is tijdig een voorlopige aanslag aan te vragen.
Bij grotere nalatenschappen adviseren wij daarom om erfbelasting, testamentaire rechten en box 3 niet afzonderlijk, maar gezamenlijk te beoordelen. Een tijdige keuze, juiste juridische vastlegging en een beroep op de voor de belastingplichtige gunstigste wettelijke of beleidsmatige regeling kan voorkomen dat onnodig inkomstenbelasting wordt betaald.
Ik heb de overgangsvraag bewust niet als reeds uitgemaakte zaak gepresenteerd: het oude besluit gold formeel op 1 januari 2025 en 1 januari 2026, terwijl de nieuwe goedkeuring zelf een verdergaande terugwerking formuleert. Dat geeft naar mijn oordeel de sterkste en juridisch meest zorgvuldige commerciële boodschap: oudere, nog openstaande dossiers opnieuw beoordelen en de gunstige regeling claimen waar dat verdedigbaar is.
- Eén erfgenaam werkt niet mee bij een nog lopende fiscale procedure van een overledene: einde van de fiscale procedure? Door Wijnkamp Keulers op 04-09-2026Lees verder
Na een overlijden moet vaak meer worden afgewikkeld dan alleen de nalatenschap. Er kunnen ook nog belastingzaken lopen. Denk aan een geschil over inkomstenbelasting, box 3, een WOZ-waarde of een andere fiscale beschikking. Dat kan ingewikkeld worden als de erfgenamen het onderling niet eens zijn.
Een veel voorkomende vraag is dan: kan één erfgenaam door niet mee te werken voorkomen dat bezwaar, beroep of hoger beroep wordt voortgezet?
Het antwoord is: niet zonder meer. Maar juist omdat de regels voor bezwaar en beroep niet volledig gelijk zijn, is snel en zorgvuldig handelen belangrijk.
Eén erfgenaam kan fiscaal veel regelen
Artikel 44 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft een praktische regeling voor belastingzaken na overlijden. De erfgenamen volgen de overledene op in diens fiscale positie. Eén van hen kan daarbij namens de erfgenamen optreden bij de uitoefening van fiscale rechten en verplichtingen.Dat betekent bijvoorbeeld dat niet voor ieder contact met de Belastingdienst eerst alle erfgenamen een afzonderlijke machtiging hoeven te ondertekenen.
Ook bezwaar tegen een belastingaanslag kan daardoor in beginsel door één erfgenaam worden gemaakt.
Dat is logisch. Zonder zo’n regeling zou één erfgenaam de fiscale afwikkeling van een nalatenschap eenvoudig kunnen blokkeren door nergens aan mee te werken.Bij beroep voor de rechter ligt het ingewikkelder
Zodra een belastingzaak bij de rechtbank, het gerechtshof of de Hoge Raad komt, gelden strengere eisen.
De Hoge Raad besliste op 2 oktober 2020 dat een cassatieberoep niet-ontvankelijk was omdat niet voldoende kon worden vastgesteld dat de gemachtigde namens alle erfgenamen optrad.
Dat arrest betekent dat men bij een gerechtelijke procedure niet zonder meer kan volstaan met de mededeling dat één erfgenaam namens “de erven” handelt.Er moet duidelijk zijn:
• wie de erfgenamen zijn;
• namens wie wordt geprocedeerd;
• en waarop de bevoegdheid van de persoon die de procedure voert is gebaseerd.Dat verschil tussen optreden tegenover de Belastingdienst en procederen bij de belastingrechter is ook in de fiscale literatuur gesignaleerd. Onder anderen mr. D.J.E. de Kruijf bespreekt dit in het NL Fiscaal-commentaar bij artikel 44 AWR. E.D. Postema wees in NTFR 2021/2908 eveneens op de problematische positie, die kan ontstaan wanneer erfgenamen onderling verdeeld zijn.
Een oude volmacht kan verrassend belangrijk zijn
Een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2019 laat zien dat een dwarsliggende erfgenaam niet automatisch een procedure kan blokkeren.In die zaak waren vier erfgenamen. Eén van hen verleende geen afzonderlijke machtiging voor de belastingprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk.
Het gerechtshof corrigeerde dat oordeel.Er bestond namelijk al een oudere volmacht waarbij één van de erfgenamen door alle overige erfgenamen was gemachtigd om de nalatenschap te beheren. Volgens het hof kan tot dat beheer ook behoren:
• bezwaar maken tegen belastingaanslagen;
• beroep instellen;
• en verdere rechtsmiddelen gebruiken.Omdat de bestaande volmacht voldoende ruim was en rechtsmiddelen niet waren uitgesloten, hoefde niet voor iedere procedure opnieuw toestemming aan alle erfgenamen te worden gevraagd.
Dat is in de praktijk een belangrijk aandachtspunt.Een volmacht, die jaren eerder bij de afwikkeling van een nalatenschap is opgesteld, kan dus later van grote betekenis blijken voor een fiscale procedure.
Laat een beroepstermijn nooit verlopen door familieruzie
Het grootste praktische risico ontstaat wanneer er al een uitspraak van de rechtbank ligt.
Voor hoger beroep geldt in de regel een termijn van zes weken. Het is onverstandig om die termijn te laten verstrijken, terwijl erfgenamen nog discussiëren over een machtiging.De veiligste aanpak is doorgaans dat de erfgenamen, die wél willen procederen, tijdig het rechtsmiddel instellen en duidelijk aangeven in welke hoedanigheid zij optreden.
Daarna kan worden beoordeeld welke aanvullende documenten nodig zijn, bijvoorbeeld:
• een verklaring van erfrecht;
• een bestaande boedel- of beheersvolmacht;
• een testament;
• eerdere afspraken tussen erfgenamen;
• of andere stukken waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt.Een discussie over de vraag wie de nalatenschap in rechte mag vertegenwoordigen is immers iets anders dan een beroep dat definitief verloren gaat omdat niemand binnen zes weken iets heeft gedaan.
Heeft één erfgenaam dan een vetorecht?
Niet zonder meer.
Het fiscale procesrecht kent formele regels, die serieus moeten worden genomen. Maar daaruit volgt niet automatisch dat iedere erfgenaam bij ieder rechtsmiddel opnieuw zijn toestemming moet geven.
Vooral wanneer al eerder een ruime beheersvolmacht is afgegeven, kan die bevoegdheid ook het voeren van belastingprocedures omvatten.Daarnaast hebben erfgenamen een rechtstreeks financieel belang bij een juiste fiscale afwikkeling. Een te hoge belastingaanslag verlaagt immers het vermogen dat uiteindelijk binnen de nalatenschap beschikbaar is.
Ons advies: controleer volmachten en termijnen direct
Bij fiscale procedures na overlijden moet daarom snel worden vastgesteld:
wie erfgenaam is, welke procedures lopen, welke termijnen gelden en welke volmachten al bestaan.Juist bij onenigheid tussen erfgenamen is het onverstandig eerst af te wachten of iedereen alsnog tot overeenstemming komt.
Een tijdig ingestelde procedure kan later juridisch worden onderbouwd. Een verstreken beroepstermijn is vaak niet meer te herstellen.
Heeft u te maken met een lopende belastingprocedure na een overlijden, een erfgenaam die niet meewerkt of onduidelijkheid over een oude volmacht? Dan is het verstandig om de procespositie en de lopende termijnen direct te laten beoordelen.
- Btw-verlegging bij agrarisch loonwerk: BTW verlegd of gewoon facturen met BTW blijven hanteren? Door Wijnkamp Keulers op 03-09-2026Lees verder
Sinds 16 april 2026 hanteert de Belastingdienst een nieuw standpunt over de btw-verleggingsregeling bij agrarisch loonwerk. Voor onder-aannemers van loonwerk geldt dat er geen BTW op de factuur vermeld mag worden, maar "BTW verlegd" moet worden vermeld. Vooral de positie van partijen in de keten is beslissend, regulier aanneming van werk blijft ongewijzigd, bij onder-aanneming is het oppassen.
Nieuw Kennisgroepstandpunt sinds 16 april 2026
In Kennisgroepstandpunt KG:210:2026:2 stelt de Belastingdienst dat de verleggingsregeling kan gelden voor agrarische loonwerkzaamheden die in onderaanneming worden uitgevoerd. Genoemd worden onder meer toppen, draaien en oogsten van gewassen in de volle grond, frezen en spitten en het schoonspuiten en krijten van kassen. De Kennisgroep beschouwt gewassen in de volle grond samen met de grond als onroerend en ziet deze werkzaamheden als fysieke werkzaamheden aan een onroerende zaak.Wat zegt de wettelijke regeling?
De hoofdregel van artikel 12 Wet op de omzetbelasting 1968 is dat de ondernemer die de prestatie verricht de btw verschuldigd is. Artikel 12, vijfde lid, maakt daarop een uitzondering mogelijk. Voor onderaanneming is deze uitzondering uitgewerkt in artikel 24b Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.Artikel 24b ziet op de aannemer die een werk van stoffelijke aard aan onroerende zaken of schepen uitvoert en op de onderaannemer die zo'n werk geheel of gedeeltelijk voor hem uitvoert. De onderaannemer verlegt de btw naar de aannemer. Besteedt hij zelf weer werk uit, dan geldt hij tegenover zijn eigen onderaannemer als aannemer. De verlegging kan dus door meerdere schakels lopen. Ook een eigenbouwende boer of tuinder wordt met een aannemer gelijkgesteld.
De wet kent uitzonderingen. De regeling geldt onder meer niet wanneer het werk geheel of grotendeels op de vestigingsplaats van de onderaannemer wordt uitgevoerd of wanneer de werkzaamheden ondergeschikt zijn aan de verkoop van een bestaande zaak.
Tuinder of landbouwer: meestal een factuur mét btw
Schakelt een tuinder of landbouwer rechtstreeks een loonwerkbedrijf in en is hij slechts opdrachtgever, dan factureert het loonwerkbedrijf in beginsel gewoon mét btw. Artikel 24b werkt primair in de verhouding tussen onderaannemer en aannemer.Dat kan anders zijn wanneer de agrarisch ondernemer zelf als eigenbouwer kwalificeert. Daarvoor is meer nodig dan het feit dat het werk op het eigen bedrijf wordt verricht; de technische en organisatorische rol is bepalend. Een rechtstreeks aan een tuinder of landbouwer gerichte factuur met “btw verlegd” moet daarom niet automatisch worden geaccepteerd.
Hetzelfde geldt voor een landbouwer die loonwerk voor een buurman verricht. Werkt hij rechtstreeks voor die buurman als gewone opdrachtgever, dan is normale btw in beginsel de hoofdregel. Verricht hij daarentegen als ZZP'er (onderaannemer) een deel van een door een loonwerkbedrijf aangenomen werk, dan kan verlegging wel aan de orde zijn.
Loonwerker en ZZP’er: verlegging kan door de keten lopen
Een ZZP-loonwerker, die voor een loonwerkbedrijf een deel van het in KG:210:2026:2 bedoelde werk uitvoert, moet volgens de Belastingdienst de btw verleggen. Dat een ZZP'er met een eigen trekker, machine of werktuig werkt, verhindert dit op zichzelf niet. Beslissend is of hij daadwerkelijk een deel van het werk in onderaanneming uitvoert. Zuivere verhuur van een machine zonder uitvoering van het werk moet afzonderlijk worden beoordeeld.Juridische spanning tussen de standpunten van 2025 en 2026
Opvallend is dat KG:210:2026:2 niet goed aansluit op het nog gepubliceerde KG:210:2025:11. In 2025 stelde dezelfde Kennisgroep uitdrukkelijk dat de verleggingsregeling van artikel 24b beperkt is tot bouw, metaalconstructiebouw voor onroerende constructies en scheepsbouw. In 2026 wordt agrarisch loonwerk in onderaanneming daarentegen wel onder de regeling gebracht, zonder dat die eerdere sectorbeperking expliciet wordt ingetrokken.Het nieuwe standpunt beroept zich op een ruime uitleg van “werk van stoffelijke aard”, beleid voor hoveniers en schoonmaakbedrijven en artikel 199 Btw-richtlijn. Dat artikel noemt bouwwerkzaamheden, waaronder herstel, schoonmaak, onderhoud, aanpassing en sloop van onroerend goed. Of normale teelt-, oogst- en jaarlijkse grondbewerkingswerkzaamheden daar steeds onder vallen, is juridisch niet vanzelfsprekend.
Praktisch advies: volg het standpunt, maar leg het voorbehoud vast
Zolang KG:210:2026:2 als gepubliceerd standpunt geldt, adviseren wij in feitelijk passende onderaannemingssituaties de verleggingsregeling in beginsel te volgen. Een Kennisgroepstandpunt vormt volgens de Belastingdienst een vaste gedragslijn en is bindend voor de inspecteur. Volgen daarvan is daarom praktisch de veiligste route, met behoud van het juridische voorbehoud.Bij verlegging vermeldt de leverancier geen btw-bedrag, maar “btw verlegd” en het btw-identificatienummer van de afnemer. De leverancier neemt de omzet op in rubriek 1e. De afnemer geeft de verlegde btw aan in rubriek 2a en kan deze, voor zover aftrekgerechtigd, in rubriek 5b als voorbelasting aftrekken.
Indien de verleggingsregeling verplicht van toepassing was maar er is toch met BTW gefactureerd door de onderaannemer dan kan de opdrachtgever aansprakelijk worden gesteld voor niet afgedragen BTW. Want:
• de hoofdaannemer had eigenlijk de verlegde btw moeten aangeven;
• de door de ZZP'er gefactureerde btw kan door de Belastingdienst als ten onrechte in rekening gebrachte btw worden beschouwd;
• daardoor kan de aftrek van voorbelasting worden geweigerd.
In dat geval kan de Belastingdienst alsnog naheffen bij de hoofdaannemer voor de btw die had moeten worden verlegd, eventueel vermeerderd met rente.
In de praktijk wordt meestal gekeken of de schatkist schade heeft geleden. Als:
• de ZZP'er de btw heeft afgedragen; én
• de hoofdaannemer volledig aftrekgerechtigd is,
dan ontstaat materieel geen belastingverlies. Dat vermindert vaak het feitelijke risico, maar wettelijk blijft de facturering onjuist. Eigenlijk moet de accountant in zo'n geval overwegen of een post "te betalen BTW" in de jaarrekening voor IB en VpB moet worden opgenomen, dat hangt af van het verhaal dat de opdrachtgever aan de fiscus biedt.Leg daarom per opdracht vast wie aannemer en onderaannemer is, welke werkzaamheden worden uitgevoerd en waarom wel of niet wordt verlegd. Bij teelt in steenwol, substraat, potten of goten, beperkte btw-aftrek, machineverhuur, rechtstreekse facturering aan de agrariër en twijfel over eigenbouwerschap is afzonderlijke beoordeling verstandig. Voor tijdvakken vóór 16 april 2026 kan niet zonder meer op het nieuwe Kennisgroep-standpunt worden teruggevallen.
Bronnen
• KG:210:2026:2, Reikwijdte verleggingsregeling; loonwerk, Belastingdienst, 16 april 2026.
• KG:210:2025:11, Reikwijdte verleggingsregeling, Belastingdienst, 20 juni 2025.
• KG:206:2024:2, Kennisgroepstandpunten en (nieuw) beleid, Belastingdienst, 5 november 2024.
• Wet op de omzetbelasting 1968, artikel 12, in het bijzonder lid 5.
• Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, artikel 24b.
• Btw-richtlijn 2006/112/EG, artikel 199.
• Belastingdienst, Rolverdeling bij onderaanneming en personeel uitlenen en toelichting btw-aangifte.




