Nieuw Box 3-besluit: let bij nalatenschappen ook op oude belastingjaren
04-09-2026Op 4 september 2026 heeft de staatssecretaris van Financiën een nieuw Box 3-besluit gepubliceerd. Het besluit actualiseert het beleid vanwege de wettelijke tegenbewijsregeling, waardoor belastingplichtigen onder omstandigheden belasting kunnen betalen over hun lagere werkelijke rendement in plaats van over het forfaitaire rendement. Daarbij doet zich meteen een belangrijke vraag voor: geldt het nieuwe en op onderdelen gunstigere beleid ook voor eerdere jaren, of blijft voor de box 3-peildata 1 januari 2025 en 1 januari 2026 het oude besluit van 7 mei 2024 gelden?
Het nieuwe besluit treedt formeel pas in werking op de dag na publicatie en trekt op dat moment het oude besluit in. Dat betekent dat op 1 januari 2025 en 1 januari 2026 formeel het oude besluit gold. Maar daarmee is de kwestie niet volledig beslist. Juist bij erfrechtelijk vruchtgebruik bepaalt het nieuwe besluit dat de defiscalisering met terugwerkende kracht tot de datum van overlijden kan plaatsvinden. Voor nog openstaande aanslagen en nalatenschappen, die vóór september 2026 zijn opengevallen, verdient het daarom aanbeveling te onderzoeken of ook een beroep op het nieuwe, gunstigere beleid kan worden gedaan.
Waarom een nieuw Box 3-besluit?
Het besluit uit 2024 was geschreven voordat de huidige wettelijke tegenbewijsregeling volledig in de box 3-heffing was verwerkt. Die regeling maakt het mogelijk dat, wanneer het werkelijke rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement, uiteindelijk dat lagere werkelijke rendement wordt belast.
Het nieuwe besluit maakt daarom uitdrukkelijk onderscheid tussen de forfaitaire berekening en de berekening van het werkelijke rendement.
Dat is vooral van belang, omdat een aantal bestaande fiscale goedkeuringen oorspronkelijk uitsluitend was geschreven vanuit de jaarlijkse peildatum van 1 januari. Bij werkelijk rendement wordt echter ook gekeken naar wat gedurende het jaar daadwerkelijk met het vermogen gebeurt.
Het nieuwe besluit is overigens geen nieuwe belastingwet. De staatssecretaris baseert het besluit onder meer op artikel 4:81 Awb en artikel 63 AWR, de zogenoemde hardheidsclausule. Op verschillende punten wordt daarmee voor belastingplichtigen een gunstiger behandeling toegestaan dan uit een strikte toepassing van de belastingwet zou volgen.
Vooral op het gebied van erfrecht en vruchtgebruik is dat belangrijk.
De wettelijke verdeling en box 3
Wanneer iemand overlijdt met achterlating van een echtgenoot en kinderen en de wettelijke verdeling van toepassing is, verkrijgt de langstlevende echtgenoot in beginsel de goederen van de nalatenschap. De kinderen krijgen daarvoor geldvorderingen op de langstlevende.
Voor box 3 bestaat hiervoor een bijzondere wettelijke regeling. Die voorkomt dat hetzelfde economische vermogen zowel bij de langstlevende als bij de kinderen in de heffing wordt betrokken.
Het nieuwe Box 3-besluit bevestigt daarbij dat ook een renteloze geldvordering van een kind op de langstlevende onder de bijzondere regeling van artikel 5.4 Wet IB 2001 kan vallen, mits binnen de regels van het Burgerlijk Wetboek geldig is bepaald of overeengekomen dat de vordering renteloos is.
Dat maakt ook duidelijk dat bij de afwikkeling van een nalatenschap de formulering van de kindsdelen en eventuele renteafspraken niet alleen voor de erfbelasting van belang is. Zij kunnen ook invloed hebben op de box 3-positie van de erfgenamen.
Vruchtgebruik: belangrijkste wijziging
Van groter praktisch belang is de regeling voor erfrechtelijk vruchtgebruik.
Een testament kan bijvoorbeeld bepalen dat de kinderen vermogen erven, maar dat de langstlevende ouder daarvan het vruchtgebruik krijgt. De kinderen zijn dan bloot eigenaar; de langstlevende mag het vermogen gebruiken of ontvangt de opbrengsten daarvan.
Artikel 5.4 Wet IB 2001 kent voor bepaalde erfrechtelijke vruchtgebruik-situaties een zogenoemde defiscalisering. Daarbij wordt de volledige waarde van het betreffende vermogen voor box 3 aan de vruchtgebruiker toegerekend en wordt de waarde van de bloot eigendom niet bij de kinderen belast.
Daarvoor moet het vruchtgebruik juridisch zijn gevestigd.
En juist dat levert in de praktijk regelmatig problemen op.
Afwikkeling van een nalatenschap kost tijd
Een nalatenschap is lang niet altijd binnen enkele maanden afgewikkeld. Eerst moet worden vastgesteld welke goederen en schulden aanwezig zijn. Woningen, ondernemingen of aandelen moeten mogelijk worden gewaardeerd. Ook kunnen tussen erfgenamen discussies bestaan over de uitleg of uitvoering van het testament.
De formele - veelal notariële - vestiging van het vruchtgebruik kan daardoor pas later plaatsvinden.
Zonder bijzondere regeling zou de box 3-defiscalisering dan ook pas vanaf die juridische vestiging gelden.
De staatssecretaris heeft daarvoor al langer een tegemoetkoming.
Onder het Box 3-besluit van 7 mei 2024 mocht de defiscalisering, wanneer het vruchtgebruik binnen twee jaar na overlijden werd gevestigd, terugwerken tot de eerste box 3-peildatum na het overlijden. Dat staat uitdrukkelijk in het oude besluit.
Het nieuwe besluit gaat verder.
Nu terugwerking tot de overlijdensdatum
Het besluit van 4 september 2026 bepaalt dat de defiscalisering met toepassing van artikel 63 AWR kan terugwerken tot de datum van overlijden van de erflater, mits het vruchtgebruik binnen twee jaar na overlijden daadwerkelijk wordt gevestigd.
Dat verschil is belangrijk.
Onder het oude forfaitaire stelsel draaide box 3 vrijwel geheel om de toestand op 1 januari. Terugwerking bijvoorbeeld van 1 januari naar 1 juli van het voorafgaande jaar had daardoor doorgaans weinig invloed op die forfaitaire peildatumheffing.
Met de tegenbewijsregeling kan echter het werkelijke rendement gedurende het kalenderjaar bepalend zijn. Dan wordt ook relevant wie vanaf het overlijden fiscaal gerechtigd is tot rente, dividend, huurinkomsten en waardeveranderingen.
Stel dat vader op 1 april overlijdt. Moeder krijgt volgens het testament het vruchtgebruik van een omvangrijke effectenportefeuille en de kinderen verkrijgen de bloot eigendom. Het vruchtgebruik wordt pas het volgende jaar formeel gevestigd.
Onder het oude besluit lag de nadruk op de eerste box 3-peildatum na het overlijden. Het nieuwe besluit maakt het mogelijk de fiscale defiscalisering al vanaf 1 april, de overlijdensdatum, te laten gelden.
Juist wanneer voor het betreffende jaar het werkelijke rendement wordt berekend, kan dat een belangrijk verschil maken.
Geldt dit ook voor overlijdens vóór september 2026?
Dat is naar onze mening een punt waarop belastingplichtigen alert moeten zijn.
Het nieuwe besluit kent geen algemene bepaling, die zegt dat het gehele besluit met terugwerkende kracht geldt. Integendeel: het treedt formeel pas in werking op de dag na publicatie. Op 1 januari 2025 en 1 januari 2026 gold dus het besluit van 2024. Het oude besluit trad in mei 2024 in werking en bleef van kracht totdat het nieuwe besluit het introk.
Maar de nieuwe erfrechtelijke goedkeuring bevat zélf uitdrukkelijk terugwerkende kracht tot de overlijdensdatum.
Daarom zou bij nog niet definitief vaststaande aanslagen over 2025 en 2026, bezwaarprocedures en nalatenschappen die vóór 5 september 2026 zijn opengevallen, niet zonder meer moeten worden aangenomen, dat uitsluitend het oude beleid kan worden toegepast.
Voor belastingplichtigen is het naar onze mening verstandig de gunstigere regeling uitdrukkelijk te claimen wanneer deze tot een lagere belastingheffing leidt. Of dat beroep in alle oudere gevallen wordt gehonoreerd, volgt niet ondubbelzinnig uit het besluit en kan uiteindelijk een juridisch discussiepunt zijn.
Dat maakt het des te belangrijker om reeds ingediende aangiften bij grotere nalatenschappen opnieuw te bekijken.
Niet automatisch kiezen voor defiscalisering
Een goedkeuring is bovendien niet automatisch voor iedere familie fiscaal optimaal.
Door de defiscalisering wordt het vermogen voor box 3 bij de vruchtgebruiker in aanmerking genomen en niet bij de bloot eigenaren. Maar de langstlevende en de kinderen kunnen ieder ander vermogen hebben en ook hun werkelijke rendement kan sterk verschillen.
Bij grotere nalatenschappen moet daarom worden gekeken naar:
• het box 3-vermogen van de langstlevende;
• het vermogen van ieder van de kinderen;
• het forfaitaire rendement;
• het werkelijke rendement;
• de inkomsten en waardemutaties na overlijden;
• en de totale belastingdruk binnen de familie.
Het fiscaal voordeligste resultaat voor de langstlevende hoeft niet het fiscaal voordeligste resultaat voor de familie als geheel te zijn.
Belastingschulden: inkomstenbelasting normaal niet aftrekbaar
Het Box 3-besluit bevat daarnaast een belangrijke praktische regeling voor inkomstenbelasting.
De wettelijke hoofdregel is streng. Artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat belastingschulden in beginsel niet als schulden in box 3 worden meegenomen. De belangrijke uitzondering is de erfbelastingschuld. Het nieuwe besluit noemt deze wettelijke hoofdregel eveneens uitdrukkelijk.
Een inkomstenbelastingschuld kan dus normaal gesproken niet als box 3-schuld worden afgetrokken.
Stel dat iemand op 1 januari € 300.000 aan spaargeld bezit, terwijl hij € 100.000 inkomstenbelasting moet betalen. Wanneer die € 100.000 op 1 januari nog op zijn bankrekening staat, behoort in beginsel de volledige € 300.000 tot zijn banktegoeden in box 3. De verschuldigde inkomstenbelasting kan niet als schuld worden afgetrokken.
Daarvoor bestaat een belangrijke beleidsmatige uitzondering.
Vraag de voorlopige aanslag tijdig aan
Wanneer de belastingplichtige tijdig om een voorlopige of nadere voorlopige aanslag inkomstenbelasting heeft gevraagd, maar de Belastingdienst de aanslag zo laat oplegt dat betaling vóór 1 januari redelijkerwijs onmogelijk is, staat de staatssecretaris toe dat het bedrag van de banktegoeden wordt verminderd.
Een verzoek is volgens het besluit tijdig wanneer het ten minste acht weken vóór het einde van het kalenderjaar is ingediend. Wordt gebruikgemaakt van een ingediende aangifte, dan geldt een termijn van dertien weken.
Bij een bankrekening van € 300.000 en een tijdig aangevraagde maar te laat opgelegde voorlopige aanslag van € 100.000 kan daardoor voor de forfaitaire box 3-berekening in beginsel worden uitgegaan van € 200.000 aan banktegoeden.
Juridisch wordt de belastingschuld dus niet alsnog aftrekbaar gemaakt. De goedkeuring werkt aan de andere kant van de balans: het banktegoed mag lager worden aangegeven.
Bij werkelijk rendement blijft de rente belast
Het nieuwe besluit verduidelijkt vervolgens dat deze tegemoetkoming niet zonder meer doorwerkt naar de tegenbewijsregeling.
Wanneer over het geld zolang het nog op de bankrekening staat daadwerkelijk rente wordt ontvangen, blijft die rente onderdeel van het werkelijke rendement.
Dat betekent dat voor box 3 steeds twee berekeningen moeten worden onderscheiden:
de forfaitaire berekening, waarbij onder voorwaarden gebruik kan worden gemaakt van de vermindering van de banktegoeden, en
de berekening van het werkelijke rendement, waarbij de werkelijk ontvangen rente blijft meetellen.
Voor schenkbelasting kent het besluit een vergelijkbare tegemoetkoming wanneer tijdig aangifte is gedaan maar de Belastingdienst de aanslag niet tijdig heeft opgelegd.
Laat ook bestaande nalatenschappen opnieuw beoordelen
Het Box 3-besluit van 4 september 2026 is daarom niet alleen van belang voor toekomstige nalatenschappen.
Juist bij een overlijden in 2024, 2025 of 2026, waarbij sprake is van vruchtgebruik, bloot eigendom of aanzienlijke box 3-vermogens kan aanleiding bestaan om eerdere aangiften en nog openstaande aanslagen opnieuw te beoordelen.
Daarnaast moet vóór ieder jaareinde worden bekeken of nog inkomstenbelasting verschuldigd zal zijn en of het verstandig is tijdig een voorlopige aanslag aan te vragen.
Bij grotere nalatenschappen adviseren wij daarom om erfbelasting, testamentaire rechten en box 3 niet afzonderlijk, maar gezamenlijk te beoordelen. Een tijdige keuze, juiste juridische vastlegging en een beroep op de voor de belastingplichtige gunstigste wettelijke of beleidsmatige regeling kan voorkomen dat onnodig inkomstenbelasting wordt betaald.
Ik heb de overgangsvraag bewust niet als reeds uitgemaakte zaak gepresenteerd: het oude besluit gold formeel op 1 januari 2025 en 1 januari 2026, terwijl de nieuwe goedkeuring zelf een verdergaande terugwerking formuleert. Dat geeft naar mijn oordeel de sterkste en juridisch meest zorgvuldige commerciële boodschap: oudere, nog openstaande dossiers opnieuw beoordelen en de gunstige regeling claimen waar dat verdedigbaar is.
Laatste nieuws
- Nieuw Box 3-besluit: let bij nalatenschappen ook op oude belastingjaren Door Wijnkamp Keulers op 04-09-2026 Lees verder
- Eén erfgenaam werkt niet mee bij een nog lopende fiscale procedure van een overledene: einde van de fiscale procedure? Door Wijnkamp Keulers op 04-09-2026 Lees verder
- Btw-verlegging bij agrarisch loonwerk: BTW verlegd of gewoon facturen met BTW blijven hanteren? Door Wijnkamp Keulers op 03-09-2026 Lees verder
- Advocaat-generaal bij de Hoge Raad slaat de plank mis bij beoordeling overname Fagoed-financiering Door Wijnkamp Keulers op 27-07-2026 Lees verder
- Arrest Hoge Raad inzake niet-bezwaarmakers box 3 2017-2020 niet het einde van de zaak…? Door Wijnkamp Keulers op 26-06-2026 Lees verder




