Vernieuwde rekentool Belastingdienst goingconcern-waarde: nevenactiviteiten kunnen goingconcern-waarde aanzienlijk verhogen
06-11-2026De Belastingdienst heeft op 3 november 2026 bekend gemaakt dat de vernieuwde rekentool voor het berekenen van de goingconcern-waarde van agrarische ondernemingen weer beschikbaar is voor de jaren 2024, 2025 en 2026. De rekentool is vereenvoudigd doordat vragen over de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) zijn verwijderd. Bijzonder aandachtspunt vormt de waardering van nevenactiviteiten, zoals een boerderijwinkel, camping of agrarisch loonwerkbedrijf. De opbrengsten hiervan kunnen een aanzienlijke invloed hebben op de goingconcern-waarde en daarmee op de toepassing van de BOR.
Wat is er gewijzigd?
De Belastingdienst stelde de rekentool in juli 2026 tijdelijk buiten gebruik voor de jaren 2024 tot en met 2026. In de loop der jaren waren namelijk vragen toegevoegd, die niet noodzakelijk waren voor de berekening van de goingconcern-waarde. Dit betrof onder meer vragen over de toepassing van de BOR. Met de nieuwe versie zijn deze overbodige vragen verwijderd. De rekentool richt zich daardoor weer uitsluitend op het bepalen van de goingconcern-waarde van de onderneming.
De belangrijkste wijzigingen zijn:
1. De rekentool is opnieuw beschikbaar voor verkrijgingen in 2024, 2025 en 2026.
2. Vragen over de toepassing van de BOR zijn verwijderd.
3. De invoer is vereenvoudigd, waardoor de berekening sneller kan worden uitgevoerd.
4. De jaarlijkse normbedragen voor de verschillende agrarische bedrijfstakken blijven het uitgangspunt.
Hoe wordt de goingconcern-waarde berekend?
De berekening is gebaseerd op artikel 21, twaalfde en dertiende lid, Successiewet 1956 en onderdeel 7.3 van het Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026. De wettelijke waarderingsregel houdt in dat een onderneming als een samenhangend geheel wordt gewaardeerd, waarbij de waarde voor de heffing niet lager kan zijn dan de liquidatiewaarde. De BOR kent vervolgens een bijzondere vrijstelling voor het verschil tussen de liquidatiewaarde en de lagere goingconcern-waarde.
Voor agrarische ondernemingen heeft de Belastingdienst samen met het landbouwbedrijfsleven een waarderingsmodel ontwikkeld dat uitgaat van genormeerde jaarlijkse geldstromen en de financieringsruimte van de onderneming.
De berekening verloopt in hoofdlijnen als volgt.
1. Vaststelling van de genormeerde geldstroom
Voor verschillende agrarische bedrijfstakken worden jaarlijks normbedragen vastgesteld.
Voor melkveebedrijven wordt bijvoorbeeld gerekend met een bedrag per melkkoe en voor akkerbouwbedrijven met een bedrag per hectare.
De normbedragen voor 2026 bedragen onder meer:
Bedrijfstak Netto kasstroom per eenheid
Melkvee € 394 per melkkoe
Fokzeugen – € 79 per zeug
Vleesvarkens – € 19 per dier
Melkgeiten € 184 per melkgeit
Akkerbouw – € 359 per hectare
De genormeerde geldstromen worden bepaald zonder rekening te houden met financieringslasten en belastingen. Wel wordt rekening gehouden met een arbeidsbeloning.
Incidentele baten en lasten blijven buiten beschouwing.
2. Correcties op de geldstromen
Vervolgens worden afzonderlijk onder meer de volgende posten verwerkt:
• Inkomsten en uitgaven wegens (erf)pacht en verhuur.
• GLB-premies en mestafzetkosten.
• Genormaliseerde netto-opbrengsten uit nevenactiviteiten.
• Geldstromen van bedrijfstakken waarvoor geen normbedragen bestaan.
Ook wordt rekening gehouden met bepaalde vermogensbestanddelen die niet in de geldstromen tot uitdrukking komen.
3. Kapitalisatie van de geldstroom
De totale jaarlijkse netto-geldstroom wordt vervolgens eeuwigdurend contant gemaakt tegen de jaarlijks vastgestelde disconteringsvoet.
Voor 2024 en 2025 bedraagt deze 4,25% en voor 2026 5%.
Bij een constante jaarlijkse netto-geldstroom kan de kapitalisatie vereenvoudigd worden weergegeven als:
*Goingconcern-waarde vóór aanvullende vermogenscorrecties = jaarlijkse netto-geldstroom / disconteringsvoet.*
Een geldstroom van € 50.000 vertegenwoordigt bij een disconteringsvoet van 5% dus een gekapitaliseerde waarde van € 1.000.000.
Op deze waarde worden vervolgens de voorgeschreven vermogenscorrecties toegepast, waaronder de aftrek van langlopende schulden.
Welke invloed hebben nevenactiviteiten?
Een bijzonder aandachtspunt is de behandeling van inkomsten uit activiteiten waarvoor geen agrarische normbedragen zijn vastgesteld. Volgens onderdeel 7.3.1 van het Besluit BOR 2026 worden de opbrengsten van zowel agrarische als niet-agrarische nevenactiviteiten afzonderlijk in de totale netto-geldstroom opgenomen.
Het moet gaan om activiteiten, die in het verlengde liggen van het veehouderij- of akkerbouwbedrijf en waarmee geen afzonderlijke onderneming wordt gedreven.
Het besluit noemt als uitgangspunt de genormaliseerde netto-opbrengst op het tijdstip van de verkrijging. Voor deze opbrengst geldt bovendien dat deze voor het rekenmodel niet negatief kan zijn.
Voorbeeld: een boerderijwinkel
Een melkveehouder exploiteert naast zijn melkveebedrijf een boerderijwinkel waarin eigen zuivelproducten en streekproducten worden verkocht.
De winkel behaalt jaarlijks een omzet van € 150.000. Na aftrek van inkoopkosten, personeelskosten en overige aan de winkel toe te rekenen exploitatiekosten resteert een genormaliseerde netto-opbrengst van € 20.000.
Bij een disconteringsvoet van 5% vertegenwoordigt deze geldstroom een aanvullende gekapitaliseerde waarde van:
€ 20.000 / 5% = € 400.000.
De boerderijwinkel verhoogt daarmee, onder overigens gelijke omstandigheden, de berekende goingconcern-waarde met € 400.000.
Dit voorbeeld laat zien dat een relatief bescheiden nevenactiviteit een aanzienlijke invloed kan hebben op de waardering van het totale bedrijf.
Voorbeeld: agrarisch loonwerk
Een vergelijkbare situatie kan ontstaan wanneer een akkerbouwer met zijn landbouwmachines werkzaamheden verricht voor andere agrarische ondernemers.
Stel dat met dit loonwerk jaarlijks een genormaliseerde netto-opbrengst van € 30.000 wordt gerealiseerd.
Bij een disconteringsvoet van 5% vertegenwoordigt deze geldstroom een gekapitaliseerde waarde van:
€ 30.000 / 5% = € 600.000.
Van belang is dat de kosten van machines, brandstof, onderhoud, arbeid en vervangingsinvesteringen op juiste wijze worden toegerekend. Ook moet worden voorkomen dat kosten of opbrengsten zowel in de agrarische normbedragen als in de afzonderlijke berekening van het loonwerk worden meegenomen.
Wanneer het loonwerk inmiddels een zelfstandige onderneming vormt, kan het niet zonder meer als nevenactiviteit binnen het agrarische rekenmodel worden gewaardeerd. In dat geval is een afzonderlijke waardering noodzakelijk.
Betekenis voor de BOR
De invloed van nevenactiviteiten is vooral van belang wanneer de liquidatiewaarde van de onderneming hoger is dan de goingconcern-waarde. Neem een agrarische onderneming met een liquidatiewaarde van € 3 miljoen en een goingconcern-waarde van € 1 miljoen.
Het verschil van € 2 miljoen kan onder de voorwaarden van de BOR volledig worden vrijgesteld. Wanneer de onderneming daarnaast een boerderijwinkel exploiteert die de goingconcern-waarde met € 400.000 verhoogt, bedraagt het verschil met de liquidatiewaarde nog € 1,6 miljoen, aangenomen dat die liquidatiewaarde ongewijzigd blijft.
De bijzondere BOR-vrijstelling voor het verschil tussen beide waarden wordt hierdoor kleiner. Daar staat tegenover dat op de goingconcern-waarde de overige BOR-vrijstelling van toepassing kan zijn.
Een hogere goingconcern-waarde leidt daarom niet automatisch tot een evenredig hogere belastingheffing. Dit is mede afhankelijk van de toepasselijke BOR-vrijstellingspercentages en de omvang van het kwalificerende ondernemingsvermogen.
Conclusie
De op 3 november 2026 opnieuw beschikbaar gestelde rekentool vormt een praktisch hulpmiddel bij de waardering van agrarische ondernemingen voor de schenk- en erfbelasting.
De belangrijkste wijziging betreft de vereenvoudiging van de invoer en het opnieuw beschikbaar stellen van de berekeningen voor 2024 tot en met 2026. De waarderingsmethodiek op basis van genormeerde geldstromen is in essentie ongewijzigd gebleven.
Voor de adviespraktijk verdient vooral de behandeling van nevenactiviteiten aandacht. Een boerderijwinkel, camping of loonwerkactiviteit kan de goingconcern-waarde aanzienlijk verhogen.
Door de kapitalisatie tegen 5% in 2026 vertegenwoordigt iedere € 10.000 aan aanvullende jaarlijkse netto-geldstroom immers een waarde van € 200.000.
Het is daarom van groot belang om de structurele netto-opbrengst van nevenactiviteiten zorgvuldig vast te stellen en te beoordelen of deze activiteiten daadwerkelijk onderdeel uitmaken van de agrarische onderneming of zelfstandig moeten worden gewaardeerd. Een juiste afbakening van de nevenactiviteiten kan bij een bedrijfsopvolging een aanzienlijk verschil maken voor de uiteindelijke erf- of schenkbelasting.
Laatste nieuws
- Vernieuwde rekentool Belastingdienst goingconcern-waarde: nevenactiviteiten kunnen goingconcern-waarde aanzienlijk verhogen Door Wijnkamp Keulers op 06-11-2026 Lees verder
- Eigen woning bij nalatenschap niet altijd WOZ-waarde, soms 60% Door Wijnkamp Keulers op 04-11-2026 Lees verder
- Nieuw Box 3-besluit: let bij nalatenschappen ook op oude belastingjaren Door Wijnkamp Keulers op 04-09-2026 Lees verder
- Eén erfgenaam werkt niet mee bij een nog lopende fiscale procedure van een overledene: einde van de fiscale procedure? Door Wijnkamp Keulers op 04-09-2026 Lees verder
- Btw-verlegging bij agrarisch loonwerk: BTW verlegd of gewoon facturen met BTW blijven hanteren? Door Wijnkamp Keulers op 03-09-2026 Lees verder




