Header achtergrond
Header achtergrond

BTW 2017, aandachtspunten

10-03-2017

Bewaartermijn administratie
De administratie dient tenminste zeven jaar te worden bewaard, maar gegevens met betrekking tot onroerende zaken en rechten op onroerende zaken moeten 10 jaar worden bewaard in verband met de herzieningstermijn van de aftrek voorbelasting voor onroerende zaken. Bj onroerende zaken is het sowieso verstandig om de gegevens langer te bewaren.

Kosten nieuwe BTW onderneming

BTW op kosten die worden gemaakt voordat de onderneming een feit is kan worden afgetrokken. Het ondernemerschap voor de omzetbelasting begint namelijk zodra de eerste kosten worden gemaakt, die kunnen worden toegerekend aan de onderneming. Er moet wel worden onderbouwd dat de kosten op de onderneming betrekking hebben en op het moment van het maken van de kosten moet redelijkerwijs worden verwacht dat de onderneming tot stand komt of tot stand zou hebben kunnen komen. Reële vooruitzichten op deelname aan het economisch verkeer is voldoende.

De aangifte periode waarover nog aftrek mogelijk is, staat niet vast, maar te lang wachten is niet verstandig. Dat de onderneming pas later worden geaccepteerd en geregistreerd door de fiscus is op zich niet van belang. Hoe verder de periode waarin de kosten zijn gemaakt, echter is verwijderd van de melding van de start van de onderneming, hoe lastiger de aftrek geaccepteerd zal worden.

Verruiming begrip bouwterrein

Grond leveren met BTW en met vrijstelling van overdrachtsbelasting is in meer gevallen haalbaar. Met ingang van 1 januari 2017 is namelijk het begrip “bouwterrein” voor de omzetbelasting verruimd. Naast de bekende criteria, te weten bewerkingen aan de grond, voorzieningen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond, omgevingsvoorzieningen of omgevingsvergunning met het oog op bebouwing van de grond, is thans ook in de situatie waarin onbebouwde grond kennelijk bestemd is voor bebouwing met een of meer gebouwen sprake van een bouwterrein. Met 'kennelijk' wordt bedoeld dat de bestemming om het terrein te bebouwen ondersteund moet worden door objectieve gegevens, zoals een (aangevraagde) omgevingsvergunning of factuur van een architect/bouwadviseur. Let op dat splitsing van levering van grond en een aannemingsovereenkomst geen effect meer heeft voor de BTW. Ook bij sloop van gebouwen en ingrijpende verbouwingen is eerder sprake van een levering met BTW. Stem af voordat u transporteert of verkoopt. Wij merken dat de meeste notarissen en vastgoed ondernemers uitgaan van verouderde regels.

Wijziging regels oninbare debiteuren

Per 1 januari 2017 is een nieuwe regeling voor de btw-teruggaaf bij oninbare vorderingen van kracht. De kern van de regeling is een 'non-betalingsvermoeden'. Dit houdt in dat na het verstrijken van één jaar na de opeisbaarheid van de vordering uitgegaan wordt van de situatie dat de vordering niet meer zal worden betaald en de btw ter zake van deze vordering in de btw-aangifte mag worden teruggevraagd. Hiervoor is geen aparte rubriek, maar dient als negatieve omzet in de aangifte worden verwerkt. Het is van belang dat per vordering bijgehouden wordt wanneer deze opeisbaar is geworden, maar dat deed u natuurlijk toch al.

BTW-correctie auto van de zaak

Sinds 1 juli 2011 wordt de btw-bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak op een andere manier berekend en kan worden gekozen voor de forfaitaire bijtelling van, in beginsel, 2,7% van de cataloguswaarde, dus inclusief BPM en BTW. In sommige situaties kan worden aangesloten bij het werkelijke privégebruik.

BTW bij parkeren in gemeente garages met cameraregistratie

Ook dit jaar is de btw bij het parkeren met cameraregistratie een punt van aandacht. Sinds 1 januari 2015 worden ook gemeentelijke parkeergarages of -terrein met uitsluitend cameraregistratie in de btw-heffing betrokken. Dit ter voorkoming van oneerlijke concurrentie met het bedrijfsleven.

Afdracht op aangifte

BTW is een afdracht op aangifte, anders dan IB en VpB die bij aanslag worden opgelegd. Dat betekent dat er bij BTW-aangifte een risico-aansprakelijkheid is bij de belastingplichtige op tijdigheid, juistheid en volledigheid van aangifte en betaling. Sjoemelen met de btw-aangifte waaronder “schuiven” dus meer terugvragen of minder afdragen om dat in een later kwartaal weer in te halen, is onverstandig en kan duur uitpakken. Een naheffing met boete is het eerste dat aan de orde is en soms de Officier van Justitie en vervolging wegens fraude.

Twijfelt u of ter zake van een bepaalde dienst of levering afdracht moet plaats vinden vraag dan aan de inspecteur vooraf om een standpunt of geef aan en maak bezwaar tegen de eigen aangifte. De kans op een naheffingsaanslag met boete wordt zo beperkt.

Laatste nieuws

Nieuws

  • Vaststelling in goede justitie Door Wijnkamp Keulers op 02-05-2018

    Belastingrecht en gerechtelijke procedures gaan voor het overgrote deel over de vaststelling van feiten en de omstandigheden, waarin die feiten moeten worden geplaatst. Soms maken de inspecteur en de belastingplichtige het zo bont dat de rechter eraan te pas moet komen om zelf de feiten vast te stellen. Zo ook bij de vaststelling van de waarde voor de OZB van een wel heel bijzonder object, een geldautomaat. De gebruiker, vermoedelijk de exploiterende bank, en de heffingsambtenaar slaagden er beide niet in duidelijk te maken waarop hun aannames voor de OZB waarde waren gebaseerd. De rechter stelde toen de waarde zelf maar vast "in goede justitie".

    Waarde
    Beide partijen waren het wel eens over de methode van waardebepaling. Dat kon ook moeilijk anders, want voor de OZB is deze in een uitvoeringsbesluit voorgeschreven. Ze namen beide een genormeerde huur als uitgangspunt en de huur werd gekapitaliseerd. Deze methode houdt in dat alle te betalen huur bij elkaar opgeteld wordt en vervolgens een korting wordt toegepast, omdat de huur over een periode in termijnen wordt betaald. Deze korting is de zogenaamde kapitalisatiefactor. De variabele factoren daarin zijn duur en rente-percentage. Zowel over de genormeerde huur als over de kapitalisatiefactor verschilden partijen van mening. De OZB taxatie sloot op € 40.000, de bank vond € 15.000 meer dan voldoende.

    Rechter
    De heffingsambtenaar (van GLTB) kon de huurwaarde, die hij had gehanteerd van € 800 per vierkante meter, niet onderbouwen. De belanghebbende bank kon ook geen taxatierapport o.i.d. overleggen, waaruit bleek dat € 15.000 beter klopte. De rechter hakte de knoop door en stelde € 20.000 vast. De belanghebbende bank kreeg voorts griffierecht (€ 333) en proceskosten (€ 1.109) vergoed.

    De moeite waard
    Al met al is de uitslag voor de belanghebbende nog niet zo gek. Het loont dus de moeite om in dit soort gevallen de door een belastingdienst vastgestelde feiten en omstandigheden te controleren. Niettemin, bij zaken met een groter belang is het zeer aan te bevelen de feiten en omstandigheden niet alleen goed voor het voetlicht te brengen, maar ook ervoor te zorgen dat de feiten en omstandigheden in lijn zijn met de fiscale stellingnamen.

    Transparant
    Als u een bepaald fiscaal doel voor ogen hebt, is het aan te bevelen de feiten en omstandigheden, die tot het gewenste gevolg moeten leiden, te checken op werkbaarheid en realiteitsgehalte. Kortom een fiscale structuur moet bij u passen. Als u vervolgens de feiten en omstandigheden goed vastlegt, de toepasselijke regelgeving volgt en uw standpunten helder verwoordt en behoorlijk onderbouwt dan hoeft de rechter niet voor u en de inspecteur te beslissen. Zelf regie houden is altijd beter, een vaststelling in goede justitie moet u niet afhankelijk van willen zijn. Hier pakte het redelijk goed uit ..., dat is ook wel eens anders.

    OZB 2016
    Rechtbank Overijssel, 18 april 2018, 17/346, ECLI:NL:RBOVE:2018:1297

    Lees verder
  • Windpark Zeewolde, Raad van State aan zet Door Wijnkamp Keulers op 23-04-2018

    Op 23 en 30 augustus 2017 heeft de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State een uitspraak gedaan inzake beroep over het (kennelijk voor de tweede keer) onder overgangsrecht brengen van windturbines, die vallen in het bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde 2016. In de uitspraak heeft de Afdeling aangegeven dat in de betreffende procedure het Rijksinpassingsplan (RIP) en de bijbehorende besluiten niet ter beoordeling stonden. De beoordeling was dus beperkt tot de vraag of de windturbines onder het overgangsrecht geplaatst mochten worden. Dat mocht, omdat binnen de planperiode (10 jaar) concreet zicht was op verwijdering. Indien dit niet het geval was, moet de turbine positief in bestemd worden. De gemeenteraad wees voor het standpunt dat de windturbines binnen de planperiode zullen worden verwijderd op Partiële herziening, de Beleidsregel windmolens, de Noodverordening, het RIP en Regioplan. De Afdeling verwierp de stelling van een van de eigenaren, dat er geen draagvlak was en dat er niet onteigend kon worden, dus de plannen onuitvoerbaar zouden zijn. De Afdeling twijfelde niet aan het standpunt van de gemeenteraad dat alle kosten op de Ontwikkelvereniging zouden worden verhaald.
    ABRvS 23 augustus 2017 NL:RVS:2017:2392; ABRvS 30 augustus 2017 ECLI:NL:RVS:2017:2333

    Tot zover het bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde, inmiddels zijn we een stadium verder. De Ontwikkelvereniging is opgevolgd door Windpark Zeewolde BV, een BV met een klein aandelenkapitaal (minder dan € 5.000), waarbij de participerende "boeren, burgers en buitenlui" betalen via contracten en SDE+ subsidies voor de economische haalbaarheid moeten zorgen.

    Op dit moment is een zogenaamd Rijksinpassingsplan (RIP) in procedure met bijbehorende besluiten. Dit plan volgt als het ware op een eerder Provinciaal Regioplan en onder meer het hiervoor genoemde bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde van oktober 2016. Bestaande turbines zijn in feite weg bestemd door het bestemmingsplan Buitengebied en RIP en zullen uiteindelijk kunnen worden onteigend.

    Bijzonder is dat dit (RIP) plan een plangebied kent waarbinnen nieuwe, grotere windturbines worden vergund, aan één vergunninghouder (Windpark Zeewolde BV), onder de verplichting om bestaande windturbines buiten het plangebied te saneren.

    Stand van zaken 9 april 2018:

    De Raad van State heeft aan de Advocaat-Generaal een conclusie gevraagd of eigenaren van windturbines buiten het plangebied (en overige belangstellenden voor exploitatie) een relevant belang hebben bij beroep tegen het RIP. Aan deze relativiteitseis moet eerst worden voldaan, voordat hun beroep verder inhoudelijk kan worden behandeld (artikel 8:69a AWB).

    Zijn de eigenaren ontvankelijk, dan zal alsnog hun beroep moeten worden beoordeeld door de Afdeling. Op 9 april jl. hebben belanghebbenden hun visie kenbaar kunnen maken in een zitting van de Afdeling. De windturbine eigenaren ageren niet alleen tegen de gedwongen sloop van hun turbines, die nog vele jaren meekunnen en niemand in de weg staan, zij menen ook dat zij nimmer een eerlijke kans hebben gehad om (een deel van) het nieuwe plan te realiseren. En omdat sprake is naar hun visie van "schaarse rechten" had hen die kans niet bij voorbaat mogen worden ontnomen, gedwongen voortgezet collectief ondernemerschap via Windpark Zeewolde BV voldoet naar hun visie niet aan de eisen.

    De AG is nu aan zet, de vraag is of het RIP verdeling van schaarse rechten betekent en of de belanghebbenden een relevant belang hebben bij een beroep dat zij wilden "meedoen" en dus niet van maar één vergunninghouder bij voorbaat had mogen worden uitgegaan. Ook speelt een rol of het feit dat er een "breed gedragen" burgerinitiatief is; in feite maakt dat, dat er geen schaarse rechten zijn, want je kunt immers meedoen. Hier speelt ook de vraag of de initiatiefnemende "boeren, burgers en buitenlui" wel te vereenzelvigen zijn met uiteindelijk certificaathouders en contractspartijen en Windpark Zeewolde BV.

    Sanering door onteigening:

    Min of meer los van deze problematiek speelt de vraag op welke wijze uiteindelijk de weg bestemde windmolens zouden moeten gaan verdwijnen.

    Het lijkt erop dat de ondergrond van de "overbodige turbines" een agrarische bestemming krijgt en dat het terugbrengen van deze bestemming de grondslag voor onteigening zal moeten zijn. Feitelijk is het doel natuurlijk anders, de verwijdering van de turbines. Er zijn wat complicaties denkbaar, die een onteigening nog geen gelopen koers doen zijn. Zo is er in één rij van windmolens er één niet wegbestemd en die ene maakt wel gebruik van een infrastructuur, die gemeenschappelijk eigendom is. Vooral bij de windturbines buiten het plangebied loopt de onteigenende overheid aan tegen het verweer dat alleen binnen een plangebied kan worden onteigend. Een verweer van zelfrealisatie zou trouwens ook nog wel eens kansrijk kunnen zijn.

    Tot nog toe is Windpark Zeewolde BV kennelijk niet in staat of bereid geweest op basis van de beginselen van de Onteigeningswet besprekingen tot een minnelijke regeling aan te gaan. Kennelijk is vanaf september 2017 de Provincie ter zake aan zet, aldus een van de raadslieden op de zitting van 9 april jl. van de Raad van State.

    Omdat bij een onteigening volgens de Onteigeningswet en de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure (16 januari 2016) voorgeschreven wordt dat bij een onteigening documenten moeten worden overgelegd over de planuitvoering, waaronder een projectplanning, zal niet met een al te vage grondslag voor onteigening kunnen worden volstaan. De grondslag zal vermoedelijk moeten zijn "verwezenlijking van de agrarische bestemming". Wij zijn benieuwd hoe men dat gaat invullen.

    Kortom, de beroepsprocedure tegen het RIP en bijbehorende besluiten is de opmaat voor verdere juridische schermutselingen. Ondertussen blijft het gek dat om meer minder CO2-uitstoot door meer windenergie te bereiken, windturbines moeten worden gesloopt.

    Lees verder

Agro nieuws

  • Windpark Zeewolde, Raad van State aan zet Door Wijnkamp Keulers op 23-04-2018

    Op 23 en 30 augustus 2017 heeft de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State een uitspraak gedaan inzake beroep over het (kennelijk voor de tweede keer) onder overgangsrecht brengen van windturbines, die vallen in het bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde 2016. In de uitspraak heeft de Afdeling aangegeven dat in de betreffende procedure het Rijksinpassingsplan (RIP) en de bijbehorende besluiten niet ter beoordeling stonden. De beoordeling was dus beperkt tot de vraag of de windturbines onder het overgangsrecht geplaatst mochten worden. Dat mocht, omdat binnen de planperiode (10 jaar) concreet zicht was op verwijdering. Indien dit niet het geval was, moet de turbine positief in bestemd worden. De gemeenteraad wees voor het standpunt dat de windturbines binnen de planperiode zullen worden verwijderd op Partiële herziening, de Beleidsregel windmolens, de Noodverordening, het RIP en Regioplan. De Afdeling verwierp de stelling van een van de eigenaren, dat er geen draagvlak was en dat er niet onteigend kon worden, dus de plannen onuitvoerbaar zouden zijn. De Afdeling twijfelde niet aan het standpunt van de gemeenteraad dat alle kosten op de Ontwikkelvereniging zouden worden verhaald.
    ABRvS 23 augustus 2017 NL:RVS:2017:2392; ABRvS 30 augustus 2017 ECLI:NL:RVS:2017:2333

    Tot zover het bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde, inmiddels zijn we een stadium verder. De Ontwikkelvereniging is opgevolgd door Windpark Zeewolde BV, een BV met een klein aandelenkapitaal (minder dan € 5.000), waarbij de participerende "boeren, burgers en buitenlui" betalen via contracten en SDE+ subsidies voor de economische haalbaarheid moeten zorgen.

    Op dit moment is een zogenaamd Rijksinpassingsplan (RIP) in procedure met bijbehorende besluiten. Dit plan volgt als het ware op een eerder Provinciaal Regioplan en onder meer het hiervoor genoemde bestemmingsplan Buitengebied Zeewolde van oktober 2016. Bestaande turbines zijn in feite weg bestemd door het bestemmingsplan Buitengebied en RIP en zullen uiteindelijk kunnen worden onteigend.

    Bijzonder is dat dit (RIP) plan een plangebied kent waarbinnen nieuwe, grotere windturbines worden vergund, aan één vergunninghouder (Windpark Zeewolde BV), onder de verplichting om bestaande windturbines buiten het plangebied te saneren.

    Stand van zaken 9 april 2018:

    De Raad van State heeft aan de Advocaat-Generaal een conclusie gevraagd of eigenaren van windturbines buiten het plangebied (en overige belangstellenden voor exploitatie) een relevant belang hebben bij beroep tegen het RIP. Aan deze relativiteitseis moet eerst worden voldaan, voordat hun beroep verder inhoudelijk kan worden behandeld (artikel 8:69a AWB).

    Zijn de eigenaren ontvankelijk, dan zal alsnog hun beroep moeten worden beoordeeld door de Afdeling. Op 9 april jl. hebben belanghebbenden hun visie kenbaar kunnen maken in een zitting van de Afdeling. De windturbine eigenaren ageren niet alleen tegen de gedwongen sloop van hun turbines, die nog vele jaren meekunnen en niemand in de weg staan, zij menen ook dat zij nimmer een eerlijke kans hebben gehad om (een deel van) het nieuwe plan te realiseren. En omdat sprake is naar hun visie van "schaarse rechten" had hen die kans niet bij voorbaat mogen worden ontnomen, gedwongen voortgezet collectief ondernemerschap via Windpark Zeewolde BV voldoet naar hun visie niet aan de eisen.

    De AG is nu aan zet, de vraag is of het RIP verdeling van schaarse rechten betekent en of de belanghebbenden een relevant belang hebben bij een beroep dat zij wilden "meedoen" en dus niet van maar één vergunninghouder bij voorbaat had mogen worden uitgegaan. Ook speelt een rol of het feit dat er een "breed gedragen" burgerinitiatief is; in feite maakt dat, dat er geen schaarse rechten zijn, want je kunt immers meedoen. Hier speelt ook de vraag of de initiatiefnemende "boeren, burgers en buitenlui" wel te vereenzelvigen zijn met uiteindelijk certificaathouders en contractspartijen en Windpark Zeewolde BV.

    Sanering door onteigening:

    Min of meer los van deze problematiek speelt de vraag op welke wijze uiteindelijk de weg bestemde windmolens zouden moeten gaan verdwijnen.

    Het lijkt erop dat de ondergrond van de "overbodige turbines" een agrarische bestemming krijgt en dat het terugbrengen van deze bestemming de grondslag voor onteigening zal moeten zijn. Feitelijk is het doel natuurlijk anders, de verwijdering van de turbines. Er zijn wat complicaties denkbaar, die een onteigening nog geen gelopen koers doen zijn. Zo is er in één rij van windmolens er één niet wegbestemd en die ene maakt wel gebruik van een infrastructuur, die gemeenschappelijk eigendom is. Vooral bij de windturbines buiten het plangebied loopt de onteigenende overheid aan tegen het verweer dat alleen binnen een plangebied kan worden onteigend. Een verweer van zelfrealisatie zou trouwens ook nog wel eens kansrijk kunnen zijn.

    Tot nog toe is Windpark Zeewolde BV kennelijk niet in staat of bereid geweest op basis van de beginselen van de Onteigeningswet besprekingen tot een minnelijke regeling aan te gaan. Kennelijk is vanaf september 2017 de Provincie ter zake aan zet, aldus een van de raadslieden op de zitting van 9 april jl. van de Raad van State.

    Omdat bij een onteigening volgens de Onteigeningswet en de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure (16 januari 2016) voorgeschreven wordt dat bij een onteigening documenten moeten worden overgelegd over de planuitvoering, waaronder een projectplanning, zal niet met een al te vage grondslag voor onteigening kunnen worden volstaan. De grondslag zal vermoedelijk moeten zijn "verwezenlijking van de agrarische bestemming". Wij zijn benieuwd hoe men dat gaat invullen.

    Kortom, de beroepsprocedure tegen het RIP en bijbehorende besluiten is de opmaat voor verdere juridische schermutselingen. Ondertussen blijft het gek dat om meer minder CO2-uitstoot door meer windenergie te bereiken, windturbines moeten worden gesloopt.

    Lees verder
  • Zonnepanelen op landbouwgrond, mooie kans met voetangels en klemmen Door Wijnkamp Keulers op 18-04-2018

    Landbouwgrond is weer "warm", zo niet "heet". De aanleg van zonneparken leidt tot op het oog profijtelijke aanbiedingen. In sommige gevallen wordt wel € 8.000 per hectare per jaar huur geboden voor een periode van 20 jaar. Omdat de subsidiepotten ruim gevuld zijn, zien we weer allerhande ondernemende partijen de boerderijen afgaan met voor-contracten, opties en wat dies mee zij. Oppassen dus, met wie u zaken doet ... er zijn ook nog wat fiscale gevolgen, waaraan u moet denken.

    Zolang de grond gebruikt wordt in het landbouwbedrijf, is in beginsel op de winst, die wordt behaald bij verkoop, de landbouwvrijstelling van toepassing. Huurinkomsten en dergelijke zijn gewoon belast met IB, is de grond meer waard door de mogelijkheid er zonnepanelen op te zetten, dan is die meerwaarde niet vrijgesteld onder de landbouwvrijstelling. Of de grond ondernemingsvermogen kan blijven of verplicht naar privé moet (afrekenen over de niet vrijgestelde meerwaarde), hangt af van de feiten. Oppervlakte, duur, rest van de ondernemingsactiviteiten en ook de keuze van de ondernemer, mits die past binnen de kaders van de redelijk handelende ondernemer, zijn zo de elementen die tellen. Houd er rekening mee dat bij verplicht overgaan naar privé, moet worden afgerekend en de grond in box 3 komt. Dat kan flink nadelig uitpakken, dus breng dat van tevoren in kaart, je wilt niet over de contante waarde van de huuropbrengsten over een periode van 20 jaar ineens afrekenen en vervolgens box 3 aan je broek krijgen. Tenslotte moet die BV, waarvan je de huur ontvangt, nog maar eens zien de te overleven.

    Overigens, bij grond in een BV speelt dit minder, dus inbreng is misschien nog niet zo'n gekke optie, wel rekening houden met overdrachtsbelasting natuurlijk, wellicht bij de aanleg met BTW belast leveren dus. Bij verhuur opletten, optie belaste verhuur is juist … een optie. Zo voorkom je BTW-nadeel en cumulatie van overdrachtsbelasting en BTW.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook