Header achtergrond
Header achtergrond

Van wie zijn de betalingsrechten?

15-03-2019

In het verleden is er veelvuldig geprocedeerd over de rechthebbende tot het melkquotum, de pachter of de verpachter? Tot verdriet en teleurstelling van pachters hadden verpachters recht op de helft van de waarde van het quotum bij einde van de pachtovereenkomst, tenzij gebruik gemaakt werd van het voorkeursrecht dan kon worden volstaan met een vergoeding aan de verpachter van 25%.

Toeslagrechten
Verpachters namen bij de toeslagrechten hetzelfde standpunt in, want ja, die opbrengst werd toch mede genoten dankzij de ter beschikkingstelling van hun grond. Het pachthof heeft echter in 2010 anders beslist. De toenmalige toeslagrechten werden gezien als een voortzetting van het stelsel van rechtstreekse inkomenssteun aan de agrariër.

Betalingsrechten ander uitgangspunt?
Nu de toeslagrechten vervangen zijn door betalingsrechten wordt ervanuit gegaan dat ook de betalingsrechten alleen aan de pachter toekomen en niet aan de verpachter, tenzij er een andere afspraak tussen de pachter en verpachter is gemaakt.

Eind vorig jaar heeft het pachthof in kort geding, hoewel nog niet nadrukkelijk maar impliciet geoordeeld dat voor betalingsrechten hetzelfde geldt als voor de toeslagrechten, namelijk ze zijn van de pachter. Dit kan alleen anders zijn wanneer er tussen partijen een uitdrukkelijke, voor de pachter duidelijk kenbare, afspraak is gemaakt, waarin een deel of het geheel van de betalingsrechten aan de verpachter toekomt bij het einde van de pacht.

Uitdrukkelijke en voor pachter duidelijk kenbare 'afwijkende' afspraak?

In de procedure was aan de orde een geliberaliseerde pachtovereenkomst, waarin was opgenomen dat er geen toeslagrechten overgingen van de verpachter naar de pachter. Voorts was aan het betreffende artikel toegevoegd "Mochten er tijdens de duur van de overeenkomst rechten, in welke vorm dan ook, ontstaan welke samenhangen met het gebruik van het gepachte uit deze overeenkomst dan zullen deze rechten, hoe ook genaamd, aan het eind van de overeenkomst aan de verpachter toekomen".

Onduidelijk is waar deze aanvullende bepaling betrekking op heeft. Op de betalingsrechten, zoals de verpachter meent? De pachter stelde zich op het standpunt dat hij niet op de hoogte was van deze aanvulling en hierin ook niet gekend is en dat hij ook niet had begrepen dat deze bepaling betrekking had op de in te voeren betalingsrechten.

In kort geding is er door de verpachter niet voldoende gesteld of gebleken dat er redenen zouden zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat de betalingsrechten de pachter toekomen. Voor de pachter loopt het in dit geval, vooralsnog, goed af.

Niettemin, dit arrest is nog maar een voorlopig oordeel, richtinggevend … dat wel …, maar niet definitief. Vooralsnog lijkt het erop dat de betalingsrechten de pachter toekomen, maar dat er wel andersluidende afspraken kunnen worden gemaakt waardoor de verpachter aanspraak kan maken op betalingsrechten van de pachter. Bij lopende reguliere pachtcontracten doen pachters er goed aan om zeer terughoudend te zijn met het maken van afspraken over betalingsrechten en dat geldt evenzeer voor fosfaatrechten. Bij uitgifte van tijdelijke pacht, al dan niet bij inschrijving, is het natuurlijk lastiger. Als de verpachter een aandeel in de betalingsrechten opeist, zal de aanstaande pachter moeten zien of het nog wel interessant is om die grond te gaan pachten. In hoeverre de grondkamer bij toetsing van de pacht deze afspraken zal meenemen in hun afwegingen is overigens de vraag.

Er valt niettemin een les te leren uit deze uitspraak. Ga niet zonder meer akkoord met bijzondere bepalingen omtrent bijvoorbeeld betalingsrechten.

En, lees zorgvuldig de door u te ondertekenen stukken door, voordat u uw handtekening zet. Het komt helaas vaker voor dat de te ondertekenen stukken afwijken van de conceptversie, waarmee u akkoord bent gegaan en dan moet u maar duidelijk kunnen maken dat de inhoud niet overeenstemt met uw wil en verklaring ten tijde van het ondertekenen.

Laatste nieuws

Agro nieuws

  • Van wie zijn de betalingsrechten? Door Wijnkamp Keulers op 15-03-2019

    In het verleden is er veelvuldig geprocedeerd over de rechthebbende tot het melkquotum, de pachter of de verpachter? Tot verdriet en teleurstelling van pachters hadden verpachters recht op de helft van de waarde van het quotum bij einde van de pachtovereenkomst, tenzij gebruik gemaakt werd van het voorkeursrecht dan kon worden volstaan met een vergoeding aan de verpachter van 25%.

    Toeslagrechten
    Verpachters namen bij de toeslagrechten hetzelfde standpunt in, want ja, die opbrengst werd toch mede genoten dankzij de ter beschikkingstelling van hun grond. Het pachthof heeft echter in 2010 anders beslist. De toenmalige toeslagrechten werden gezien als een voortzetting van het stelsel van rechtstreekse inkomenssteun aan de agrariër.

    Betalingsrechten ander uitgangspunt?
    Nu de toeslagrechten vervangen zijn door betalingsrechten wordt ervanuit gegaan dat ook de betalingsrechten alleen aan de pachter toekomen en niet aan de verpachter, tenzij er een andere afspraak tussen de pachter en verpachter is gemaakt.

    Eind vorig jaar heeft het pachthof in kort geding, hoewel nog niet nadrukkelijk maar impliciet geoordeeld dat voor betalingsrechten hetzelfde geldt als voor de toeslagrechten, namelijk ze zijn van de pachter. Dit kan alleen anders zijn wanneer er tussen partijen een uitdrukkelijke, voor de pachter duidelijk kenbare, afspraak is gemaakt, waarin een deel of het geheel van de betalingsrechten aan de verpachter toekomt bij het einde van de pacht.

    Uitdrukkelijke en voor pachter duidelijk kenbare 'afwijkende' afspraak?

    In de procedure was aan de orde een geliberaliseerde pachtovereenkomst, waarin was opgenomen dat er geen toeslagrechten overgingen van de verpachter naar de pachter. Voorts was aan het betreffende artikel toegevoegd "Mochten er tijdens de duur van de overeenkomst rechten, in welke vorm dan ook, ontstaan welke samenhangen met het gebruik van het gepachte uit deze overeenkomst dan zullen deze rechten, hoe ook genaamd, aan het eind van de overeenkomst aan de verpachter toekomen".

    Onduidelijk is waar deze aanvullende bepaling betrekking op heeft. Op de betalingsrechten, zoals de verpachter meent? De pachter stelde zich op het standpunt dat hij niet op de hoogte was van deze aanvulling en hierin ook niet gekend is en dat hij ook niet had begrepen dat deze bepaling betrekking had op de in te voeren betalingsrechten.

    In kort geding is er door de verpachter niet voldoende gesteld of gebleken dat er redenen zouden zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat de betalingsrechten de pachter toekomen. Voor de pachter loopt het in dit geval, vooralsnog, goed af.

    Niettemin, dit arrest is nog maar een voorlopig oordeel, richtinggevend … dat wel …, maar niet definitief. Vooralsnog lijkt het erop dat de betalingsrechten de pachter toekomen, maar dat er wel andersluidende afspraken kunnen worden gemaakt waardoor de verpachter aanspraak kan maken op betalingsrechten van de pachter. Bij lopende reguliere pachtcontracten doen pachters er goed aan om zeer terughoudend te zijn met het maken van afspraken over betalingsrechten en dat geldt evenzeer voor fosfaatrechten. Bij uitgifte van tijdelijke pacht, al dan niet bij inschrijving, is het natuurlijk lastiger. Als de verpachter een aandeel in de betalingsrechten opeist, zal de aanstaande pachter moeten zien of het nog wel interessant is om die grond te gaan pachten. In hoeverre de grondkamer bij toetsing van de pacht deze afspraken zal meenemen in hun afwegingen is overigens de vraag.

    Er valt niettemin een les te leren uit deze uitspraak. Ga niet zonder meer akkoord met bijzondere bepalingen omtrent bijvoorbeeld betalingsrechten.

    En, lees zorgvuldig de door u te ondertekenen stukken door, voordat u uw handtekening zet. Het komt helaas vaker voor dat de te ondertekenen stukken afwijken van de conceptversie, waarmee u akkoord bent gegaan en dan moet u maar duidelijk kunnen maken dat de inhoud niet overeenstemt met uw wil en verklaring ten tijde van het ondertekenen.

    Lees verder
  • Nieuwe fiscale regels voor pachters in de familiesfeer ingegaan, tweede pachtersvoordeel voortaan belast, overgangsrecht toepassen? Door Wijnkamp Keulers op 11-12-2018

    Pachters, die grond in verpachte staat kopen van verpachtende familieleden, zoals ouders, worden in de toekomst belast voor het "pachtersvoordeel". Bij besluit, ingangsdatum 6 december 2018, heeft de Staatssecretaris van Financiën Menno Snel de onbelastbaarheid van dit (tweede) pachtersvoordeel afgeschaft. Voor grond, die voor 30 juni 2019 in eigendom komt van de pachter/zoon/dochter (e.d.), geldt overgangsrecht, zij mogen de vrijstelling van het tweede pachtersvoordeel alsnog toepassen. Wat is er aan de hand, wat zijn de gevolgen en welke maatregelen moeten er worden genomen om meer inkomstenbelasting te voorkomen. Is met spoed overdragen aan de pachter voor 30 juni 2019 altijd een goede oplossing?

    Het gaat eigenlijk om toepassing van de landbouwvrijstelling (artikel 3.12 Wet IB 2001) bij (uiteindelijke) verkoop, ruil van grond of bij staking van de onderneming door de verkrijgende pachter. Bij aankoop en exploitatie van de grond in het landbouwbedrijf is er dus niet zoveel aan de hand. Pas bij verkoop of ruil van grond, of bij staking van de onderneming moet er meer belasting worden betaald. De zogenaamde boekwinst, die normaal onder de landbouwvrijstelling voor de IB is vrijgesteld, wordt belast voor zover die betrekking heeft op het verschil tussen vrije waarde en waarde in verpachte staat op het moment van verwerving. Dat was al zo, als gepachte grond van een niet-familielid werd gekocht. Het onderscheid tussen kopen van familie en kopen van een gewone verpachter vervalt dus, er is geen verschil meer tussen "eerste" en "tweede pachtersvoordeel". Ook de zogenaamde gebruikersvoordelen zijn in beginsel belast. Wordt verpachte grond als zodanig geërfd, dan is voor de IB mogelijk ook een pachtersvoordeel aan de orde. Dat hangt ervan af hoe de verkrijging is geregeld.

    Er zijn nog wat meer vervelende maatregelen. Zogenaamde eerste pachtersvoordelen konden apart geruisloos worden doorgeschoven naar de opvolger, deze zogenaamde "partiële" doorschuiving is echter ook afgeschaft. Doorschuiven kan nog wel, maar dan alleen als in beginsel alle ondernemings-vermogensbestanddelen worden doorgeschoven. Ook is al langere tijd (een jaar of zes) duidelijk dat pachtersvoordelen bij vrijval (dus bij verkoop) niet via een HIR kunnen worden afgeboekt op vervangende grond.

    Wat nu te doen? In de eerste plaats is er het overgangsrecht. Tot 30 juni 2019 kan grond nog onder de oude regeling in eigendom overgaan op de opvolger voor de waarde in verpachte staat met een "tweede pachtersvoordeel". Wellicht is verkopen en leveren op korte termijn, dus voor 30 juni 2019 te overwegen. Als er aanvullende regelingen nodig zijn, bijvoorbeeld in verband met de inkomenspositie van de ouders of de overige kinderen, is wellicht schuldig blijven van de koopsom onder specifieke voorwaarden en onder eerste hypotheek een optie.

    Wellicht dat inbreng in een maatschap met herwaardering een mogelijkheid is, dat zal dan wel met juridische inbreng moeten zijn, mogelijk nadat eerst verkoop en levering heeft plaatsgehad. Via maatschap, CV of andere rechtsvorm kunnen dan aanvullende voorwaarden worden opgenomen. Let op, er is sprake van een overgangsmaatregel, dus oprekken van de reikwijdte ervan is riskant.

    Andere oplossingen voor controle of meedelen van ouders en andere kinderen in meerwaarde zullen vooral gezocht moeten worden in aanvullende voorwaarden ter zake van de financiering of eruit houden van (strategische) stukken grond, zoals ontwikkelaars dat nogal eens doen. Ook het aangaan van maatschappen of een CV na verkrijging van de juridische eigendom van de grond door de opvolger kan een oplossing zijn. In feite lijkt het wat op de contracten, die ontwikkelaars afsluiten, alleen in dit geval worden dan afspraken gemaakt voor bijvoorbeeld winstdeling voor winsten boven de WEVAB.

    Voor al deze maatregelen zal wel rekening moeten worden gehouden met bestaande hypotheken en de bank, begin dus op tijd want dat zal nog wel wat voeten in aarde hebben en de deadline is echt 30 juni 2019, reken maar niet op verlenging.

    Moet je dit nu allemaal willen of is het accepteren van de maatregel niet een betere optie. Immers niet bij koop door de pachter is er een probleem, pas bij verkoop, ruil en staking komt het pachtersvoordeel om de hoek kijken voor de IB. Voor het erfrecht en bij bedrijfsopvolging is natuurlijk de opvolgingsregeling voor de schenk- en erfbelasting met DCF-waarderingen nog steeds van kracht. Als er geen eerste pachtersvoordeel was bij de familie, de grond overgaat bij bedrijfsopvolging volgens de waardering die daar is toegestaan en er geruisloos kan worden doorschoven, dan is dat mogelijk ook een oplossing die het overwegen waard is. Er moet dan wel worden bekeken of de via maatschap en verpachting geregelde opvolging nog wel optimaal is.

    Het wordt er allemaal niet eenvoudiger op. De Staatssecretaris geeft aan dat reguliere regelingen in de IB (artikel 3.63 wet IB 2001) en SW (de BOR) voldoende mogelijkheden bieden en er dus geen speciale regeling meer nodig is. Als dit betekent, dat hij niet verder gaat beperken dan valt wellicht met een zoenoffer als deze beperking nog wel te leven. Laat u zich goed voorlichten, dit is geen onderwerp voor massale "standaard" regelingen, zoals we bij voorbeeld bij de herwaardering van de ondergrond van agrarische bedrijfswoningen hebben gezien. Kies voor maatwerk.

    Bron

    Lees verder

Nieuws

  • Belastingdienst verscherpt loonheffingscontroles bij ZZP'ers en opdrachtgevers Door Wijnkamp Keulers op 30-01-2019

    ZZP'ers en kleinere ondernemers zijn in korte tijd van wenselijke flexibele schil tot te bestrijden fenomeen verworden. De dreiging van achteraf problemen met fiscus en UWV maken veel opdrachtgevers kopschuw. De zogenaamde Wet DBA, die de VAR verving, is wegens onuitvoerbaarheid weliswaar opgeschort, niettemin is de Belastingdienst zich al aan het voorbereiden op verdere bestrijding van ZZP'ers. Zo is er nu, nagenoeg ongemerkt, een aanscherping van het zogenaamde gezagscriterium doorgevoerd in het Handboek Loonheffingen. ZZP'ers en kleinbedrijf wordt het risico voorgespiegeld dat in meer gevallen sprake is van een gezagsverhouding, dus van een arbeidsovereenkomst. Met alle gevolgen voor de opdrachtgevers van dien. De dreiging met naheffingen en vooral boetes op basis van nettoloon is voldoende om opdrachtgevers kopschuw te maken en ondernemers/ZZP'ers ondervinden daar nadeel van, inkomensdalingen van 50% zijn geen uitzondering.

    Handboek Loonheffingen 2018

    Het Handboek Loonheffingen geeft de visie van de Belastingdienst weer en het beleid. Er kan een beroep op worden gedaan door de belastingplichtige, die mag erop vertrouwen dat inspecteurs het eigen beleid volgen. Ten aanzien van wettelijke bepalingen zijn vaak meerdere en elkaar tegensprekende standpunten mogelijk. De rechter heeft uiteindelijk het laatste woord. Dus hoewel het Handboek belangrijk is, is het geen wet. Niettemin, door de dreiging met naheffingen en boetes kun je je niet al teveel risico veroorloven bij afwijkende standpunten. Het is als het ware een waarschuwing voor "landmijnen", er is niemand die gaat proberen of ze er ook werkelijk liggen door er overheen te lopen.

    Bijlage

    In de uitgave van december 2018 is de "zelfstandigheid" van de ZZP'er nader uitgelegd en dan vooral in het licht van "schijnzelfstandigheid". De Belastingdienst wil "schijnzelfstandigheid" bestrijden, zo heet het. De Wet DBA is een onuitvoerbare wet, tenzij het doel is geweest om vaste dienstverbanden de norm te doen zijn en ondernemerschap en flexibele arbeid te belemmeren. Het wordt steeds duidelijker dat afschaffing van de VAR tot doel had om een rem op ZZP'ers en flexibele arbeid aan te brengen. De motieven zijn zuiver financieel, fiscaal. De overheid en pensioenfondsen hebben meer geld nodig en dat moet komen van meer belasting- en premieheffing bij de middenklasse en dan vooral ondernemers en ZZP'ers.

    Arbeidsovereenkomst

    Het verschil tussen een arbeidsovereenkomst en overeenkomst van opdracht (ZZP) is "gezagsverhouding". De Belastingdienst heeft nu een aantal voorbeelden gegeven, die al dan niet in combinatie duiden op een gezagsverhouding. De meest opvallende is wel dat de opdrachtnemer, die personeel van de opdrachtgever aanstuurt, zelf aan een gezagsverhouding onderhevig is volgens de Belastingdienst. Dus de uitvoerder op de bouwplaats, interim-manager of ingehuurde hoofdverpleegkundige, interim IT manager zijn eigenlijk werknemers, volgens de Belastingdienst. Ook als de interimmer deelneemt aan sociale activiteiten, waaraan ook werknemers deelnemen, is hij "werknemer" en geen ZZP' er. Bizar is eveneens de eis dat de ZZP'er niet een werklocatie opgelegd moet krijgen. De interim-uitvoerder zit dus niet meer in de bouwkeet, maar moet aan thuiswerk gaan doen.

    Wetenschappers en juristen met politieke bias

    De rechter heeft hele andere criteria geformuleerd onder de bestaande loonheffings-wetgeving. Het is goed om in gedachten te houden dat zowel bij de afschaffing van de VAR als bij invoering van de wet DBA de Wet op de Loonbelasting niet is gewijzigd. Het aldaar gehanteerde begrip "dienstbetrekking" is niet veranderd, ook aanvullende definities en regels zijn voor en na de VAR niet gewijzigd.

    Voor de rechter is van belang, loopt de opdrachtnemer risico, waaronder debiteurenrisico, kan hij zich laten vervangen en kan hij opdrachten weigeren. De belastingrechter (Hof Arnhem) vult het criterium gezagsverhouding veel meer in langs de kaders van "risico".

    De Belastingdienst heeft het oor nu veel meer te luisteren gelegd bij wetenschappers en juristen op het gebied van arbeidsrecht en sociaal recht. Deze hebben op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken een position paper geschreven om de onwerkbare wet DBA alsnog te redden. Bij deze wetenschappers en juristen staat de bescherming van de rechtspositie van de werknemer in het algemeen voorop, zij hebben een sterke bias op sociale verworvenheden. De focus ligt dus op behoud van rechten van de werknemer met een vast contract en niet op de behoefte aan flexibele arbeid en diensten die de huidige IT-economie met zich meebrengt, de economie moet zich aanpassen te beginnen in Nederland.

    De consensus tussen deze deskundigen is, dat ZZP'ers de rechtspositie van de werknemer met het vaste contact bedreigen, dezelfde bias blijkt uit de stellingen van de Belastingdienst. De tegenwerking van ZZP'ers en ondernemers moet de vaste arbeidscontracten bij makkelijker te managen grote ondernemingen bevorderen. Meer belastingen en premies makkelijker te heffen, dat is de verwachting. Welke gevolgen het belemmeren van ZZP'ers en ondernemers heeft, laat onder meer de bouwsector zien. Vooral de buitenlandse ZZP'ers zijn niet meer aanwezig, vele ZZP'ers hebben de bouw de rug toegekeerd.

    Tot slot

    Voor ZZP'ers, andere kleinbedrijf ondernemers en hun opdrachtgevers is deze ontwikkeling schadelijk. De gevolgen voor de economie laten zich vooralsnog raden. Met het bestrijden van flexibele arbeid en dienstverlening, die op basis van vraag wordt verleend, is er de kans dat de economie wordt gesmoord. Niettemin, er zijn ook economen die pleiten voor hogere loonkosten en belastingen, dat zou innovatie en transitie bevorderen. Wie weet valt het dus mee. Het is dus maar welke bias je hebt.

    Lees verder
  • Niet aangegeven vermogen in het buitenland, grote (fiscale) gevolgen Door Wijnkamp Keulers op 24-12-2018

    Het aanhouden van vermogen in het buitenland en dit niet aangeven is een kostbare aangelegenheid met alle risico's van dien, zoals ook het risico op strafrechtelijke vervolging. In het bijzonder wanneer de Belastingdienst het buitenlandse vermogen ontdekt, voordat u hiervan melding heeft gemaakt.

    In de afgelopen jaren is gebleken dat er nogal wat bankrekeningen in het buitenland niet zijn aangegeven in box 3. Inmiddels is de inkeerregeling niet meer van toepassing op de vrijwillige verbetering van de aangifte ter zake van buitenlandse inkomsten uit vermogen. Er wordt tenminste twaalf jaar teruggekeken, dus met rente en een maximaal mogelijke boete van 300% van de verzwegen belasting, zijn zondaars flink de sigaar. Hebt u wetenschap van rekeningen in het buitenland, die (bijvoorbeeld door een overleden partner of ex-partner) niet zijn aangegeven, dan is er maar één weg, alsnog aangeven! En doe dit dan, bij voorkeur, in overleg met een fiscaal advocaat. Geeft u niet aan of hebt u dat niet gedaan, dan bent u strafbaar.

    Denk niet dat de Belastingdienst de informatie niet verkrijgt, want het bankgeheim wordt steeds vaker opgeheven en door steeds meer Europese landen wordt informatie uitgewisseld.

    Informatiebeschikking
    Wanneer de Belastingdienst op grond van door hen verkregen informatie u vragen stelt omtrent een buitenlandse rekening bent u, in beginsel, verplicht deze informatie te verstrekken, dit hoeft dus niet alleen uzelf te betreffen, maar kan ook voor derden gelden. Denkt u maar aan de Stichting Museumkaart, die gedwongen wordt de gegevens van een museumkaarthouder te verstrekken.

    Rechtsbescherming
    Tegen de informatiebeschikking is bezwaar, (hoger) beroep en cassatie mogelijk, waarmee aan belastingplichtige de mogelijkheid wordt geboden om de weigering om medewerking te verlenen aan de informatiebeschikking door de belastingrechter te laten toetsen.
    Oordeelt de belastingrechter dat de vragen legitiem (fiscaal relevant) zijn, dan wordt een nieuwe termijn verstrekt om aan de informatiebeschikking te voldoen. Voldoe je als belastingplichtige dan niet aan de verplichting om de informatie te verstrekken, dan wordt, in beginsel, de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dat betekent dat de belastingplichtige de onjuistheid van de aanslag overtuigend moet aantonen, in plaats van dat de inspecteur de juistheid van de aanslag aannemelijk moet maken.

    Let op
    Er is een extra sanctie op het niet-nakomen van de informatieverplichting: de weigering om informatie te geven is een strafbaar feit. Er is sprake van een overtreding wanneer de gevraagde stukken of informatie, niet, onjuist of onvolledig worden verstrekt. Wanneer dit opzettelijk gebeurt en dit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, is er sprake van een misdrijf.

    Het is voorzichtig manoeuvreren in dit soort situaties, het is vaak niet zo zwart/wit als de theorie stelt. Onze ervaring is dat de Belastingdienst steeds vaker zijn bevoegdheden ruimer interpreteert en daar soms ook mee weg komt, mede door onvoldoende begeleiding dan wel op grond van uitlatingen van de belastingplichtige in de eerste gesprekken.

    Fiscaal advocaat
    Het voorgaande geeft aan dat het onverstandig is om zelf met de inspecteur in discussie te gaan wanneer het over niet aangegeven vermogen in het buitenland gaat. Neem vanaf de eerste bespreking een fiscaal advocaat mee om u bij te staan.

    Een fiscaal advocaat heeft een verschoningsrecht, uw accountant of belastingadviseur niet, zij kunnen dus eventueel als getuigen worden opgeroepen. De risico's bij een strafrechtelijke vervolging zijn groot. En vergeet niet, in een gesprek met een inspecteur bent u niet tot antwoorden verplicht (zwijgrecht) en alles wat u zegt, kan in het onderzoek worden gebruikt.

    Heeft u naar aanleiding van het vorenstaande vragen, dan kunt u ons bereiken op 079-343 2711 (advocatenlijn).

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook